08 2018

Artikel

Door angst gedreven

psychosociale gevolgen van seksuele uitbuiting bij minderjarige slachtoffers en de barrières bij het doen van aangifte

Voor de rechterlijke macht kan meer inzicht in de rol die angst speelt bij slachtoffers helpen om de verklaringen van slachtoffers beter te kunnen waarderen en te plaatsen. De auteurs van dit artikel deden onderzoek naar de schadelijke effecten van seksuele uitbuiting bij minderjarigen. Met deze analyse hopen zij bij te dragen aan de oriëntatiepunten voor straftoemeting in mensenhandelzaken van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS).

Inleiding

De eerste keer dat ik in aanraking met de politie kwam in verband met gedwongen prostitutie voelde ik opluchting. Eindelijk was het einde in zicht. Totdat er vragen kwamen als 'waarom deed je zelf je kleding uit'... Ze hadden zijn ogen moeten zien, zijn woorden moeten horen en mijn angst eens moeten voelen. Ik deed het... omdat ik zo bang was voor wat er gebeurde als ik het niet deed. Omdat ik inmiddels zelf niks meer te willen had. Maar ik zweeg tegen de politie... Ik was in de war en wilde absoluut geen slachtoffer zijn. Nee, ik had er zelf voor gekozen. Dat voelde sterker. En laat mij vooral met rust. Het is te moeilijk om erover te praten.(Bibi)*1

Minderjarige slachtoffers van seksuele uitbuiting ervaren vaak langdurige psychische en fysieke problemen. Ze hebben problemen met hun gevoelens en emoties; met anderen weer durven te vertrouwen of het gedrag van andere mensen goed te interpreteren. Bovendien hebben de slachtoffers grote angst om aangifte te doen, zoals ook het onderzoek ‘Aangifte doe je niet’*2 van het Centrum tegen Kinderhandel en Mensenhandel concludeert. Ze zijn bang voor represailles van de mensenhandelaar, maar ook bang niet geloofd te worden. Wanneer er toch aangifte wordt gedaan, zijn angst en trauma bepalend voor de wijze waarop slachtoffers kunnen en willen verklaren.

Minderjarige slachtoffers van seksuele uitbuiting die met het justitiële systeem in aanraking komen kunnen zich wisselend presenteren; het ene moment huilen ze, het andere moment lachen ze om hun ervaringen of gedragen ze zich vijandig. Soms presenteren ze zich als slachtoffer; de andere keer zeggen ze alles uit vrije wil te doen. Dit gedrag en de daaruit voortkomende interactie kan tot verwarring en misinterpretatie leiden, bij zowel het slachtoffer als bij medewerkers van politie en justitie.

Dit is problematisch omdat het de bescherming beperkt die het strafrecht aan minderjarige slachtoffers van seksuele uitbuiting biedt. In dit artikel bieden we meer inzicht in de psychologische achtergrond van minderjarige slachtoffers van seksuele uitbuiting. Hiermee willen we de rechtspraak ondersteunen bij het waarderen van bewijsmateriaal en de strafmotivering. De psychologische analyse is gericht op het bijdragen aan oriëntatiepunten voor de straftoemeting in mensenhandelzaken die nu ontwikkeld worden door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht en het bevorderen van een passende straftoemeting.

De Nationaal Rapporteur Mensenhandel verzocht in 2013 om oriëntatiepunten in het belang van eenduidige straftoemeting. Vijf jaar later lijkt het afwegingskader voor rechters in zicht. De Nationaal Rapporteur heeft elders de zorg geuit dat oriëntatiepunten vooral de bestaande straftoemetingspraktijk weergeven en geen reflectie omvatten over de vraag “hoe erg vinden we dit delict en welke straf is daarbij passend?”*3 In dezelfde rapportage worden ook zorgen geuit over strafmaat beïnvloedende factoren*4 die zouden kunnen suggereren dat de rechtspraak deels de schuld van het zedendelict neerlegt bij het slachtoffer (‘blaming the victim’).

Wij gaan ervan uit dat in de ontwikkeling van de oriëntatiepunten mensenhandel aandacht is voor reflectie op de ernst van het delict en inzicht wordt gezocht in de positie van het slachtoffer. Met dit artikel willen wij hieraan bijdragen op basis van multidisciplinair onderzoek. Allereerst zal worden toegelicht door welke psychische en sociale omstandigheden meisjes kwetsbaar zijn voor seksuele uitbuiting. Vervolgens wordt ingegaan op hoe deze kwetsbaarheid wordt vergroot door de seksuele uitbuiting en hoe dit invloed heeft op het handelen van het slachtoffer en het doen van aangifte bij de politie. Ten slotte komen de langetermijngevolgen van seksuele uitbuiting van minderjarigen aan bod. Wij hopen hiermee bij te dragen aan de te ontwikkelen oriëntatiepunten en een betere bescherming van slachtoffers van seksuele uitbuiting.

Door angst gedreven

Methode

Dit artikel is tot stand gekomen door interdisciplinair onderzoek.*5 Voor de dataverzameling is de narratieve methode gebruikt. Het is een kwalitatieve onderzoeksmethode gericht op gesproken en geschreven uiteenzettingen over een gebeurtenis of een serie van gebeurtenissen.*6 De verzamelde data zijn vervolgens geanalyseerd vanuit de antropologie, psychologie en rechtsgeleerdheid.*7 Voor dit onderzoek zijn er diepte-interviews gehouden bij tien vrouwen en met twee vrouwen is via de email en/of telefoon contact geweest. Alle vrouwen zijn als minderjarige slachtoffer van seksuele uitbuiting geweest.

Kwetsbaarheid voor seksuele uitbuiting

Thuisfront

Mijn ouders waren net gescheiden… Ik was vaak eenzaam. Ik voelde me door dit alles niet goed en ik was ook gezakt voor mijn havodiploma. … toen heb ik die jongen leren kennen. Hij was geïnteresseerd en dat had ik gemist. (Sarah)

Omgevingsfactoren zoals mishandeling door de ouders, (emotionele) verwaarlozing en/of mislukken op school maken jonge meisjes kwetsbaar.*8 De familieomstandigheden van alle slachtoffers in dit onderzoek waren onstabiel en problematisch in de periode dat ze werden geronseld.

Deze bevindingen komen overeen met andere studies. Abas en collega’s*9 beschrijven dat 79,2% van de vrouwen in hun onderzoek naar slachtoffers van mensenhandel geweld in hun jeugd heeft meegemaakt, 30% vermeldt seksueel geweld, 65,8% lichamelijk geweld en 71,7% emotioneel geweld. 54,2% van deze vrouwen kampt met een psychiatrische stoornis. Andere onderzoeken komen met soortgelijke bevindingen.*10,*11,*12

Het risico op seksuele uitbuiting wordt groter bij psychologische belasting en onvoldoende aandacht voor de persoonlijke behoeften van de jongeren.*13

Ik was het ideale slachtoffer; mijn ouders gescheiden, geen mensen in de buurt en zo onzeker als maar kan voor een 15-jarig meisje. (Els)

In onze onderzoeksgroep bleek geen enkele vrouw een goed steunnetwerk te hebben als adolescent; allen dachten bij niemand terecht te kunnen. Als vervolgens een dader zijn slachtoffer verder isoleert wordt de kans groter dat ze een langere relatie met de dader zal behouden.*14 Voor Anna was de dader “mijn enige stabiele factor”.

Ook de persoonlijkheidsstructuur van het slachtoffer kan van invloed zijn op het kunnen vragen van hulp. Veel van de geïnterviewden beschrijven een houding van zelfopoffering, zichzelf wegcijferen of aanpassen aan anderen. Het gevoel van noodzaak om de familie bijeen te houden is zeer sterk.*15

Interpersoonlijke ontwikkeling
Sommige slachtoffers waren nog zo jong dat ze amper een idee hadden wat er gaande was en daardoor moeilijk grenzen aan konden geven. Kindermisbruik, geweld, maar ook verwaarlozing dat wordt gepleegd door verzorgers veroorzaakt verwarring bij het kind met betrekking tot relaties en intimiteit.*16,*17,*18

Het enerzijds ontvangen van zorg en anderzijds pijn worden gedaan, maakt dat er geen basaal gevoel van veiligheid ontstaat, waardoor een kind een hechtingsstoornis kan ontwikkelen.*19 Later in het leven kunnen hechtingsproblemen zich manifesteren in een gebrek aan vertrouwen, terugkerende gevoelens van dreiging en vijandigheid, en een verstoorde omgang met nabijheid.*20 Kindermisbruik kan ook resulteren in de verwrongen cognitie dat geweld en intimiteit gewoonweg bij elkaar horen in relaties.*21

Grenzen bewaken
Vroege grensoverschrijdende ervaringen kunnen mensen kwetsbaar maken in (seksuele) relaties*22 en het is opvallend dat geen van de vrouwen goed grenzen kon aangeven, Sarah beschrijft het als volgt:

Ik had geen grenzen meer. Mijn zelfbeeld en zelfvertrouwen waren heel erg laag en ik moest van mijn moeder altijd alles goed vinden.

Voor het ontwikkelen van identiteit, persoonlijke karakteristieken en eigen wil, is liefdevolle aanmoediging, ondersteuning en waardering nodig. Een gebrek aan emotionele beschikbaarheid of evidente vijandigheid kan resulteren in een gebrek aan identiteitsgevoel en basisvertrouwen en leiden tot emotionele labiliteit. Dit gebrek aan persoonlijke begrenzing maakt iemand kwetsbaar voor relaties waarin morele en lichamelijke grenzen worden overschreden.*16 Het blijkt ook dat slachtoffers die seksueel misbruik meemaken voor hun 16e levensjaar zich minder vaak verzetten tegen mensen die meer macht, kracht en autoriteit hebben.*23

Cognitieve en psychologische ontwikkeling
Door de psychologische druk op en/of emotionele labiliteit van de slachtoffers is het proces van het nemen van een beslissing niet een puur cognitieve aangelegenheid en kan dan ook niet gelijk worden geschaard met beslissingen die zonder druk kunnen worden genomen.*24

Naast eventuele aangeboren ontwikkelingsstoornissen, verminderde begaafdheid of de effecten van vroegkinderlijk trauma, kunnen er cognitief ook problemen zijn die samenhangen met de leeftijd.*25 Bij de puberteit horen impulsiviteit en risico’s nemen. Deze elementen zijn gelokaliseerd in de frontale kwab van de hersenen; verantwoordelijk voor cognitieve processen zoals planning, probleemoplossing, anticiperen en impulscontrole. De frontale kwab is echter het laatste gebied dat volledig is volgroeid en ondergaat tijdens de adolescentie de meeste verandering.*26 Herma vertelt hoe ze als puber omging met waarden die ze had geleerd:

Ik ben wel opgegroeid met normen en waarden van vroeger; respect hebben, lief zijn, gehoorzamen. Maar ik heb het verward met ‘de ander is belangrijker’… Ik was op dat moment niet in staat om dat terug te draaien door de pubergevoelens. Ik kon niet andere mogelijkheden bedenken en ik zag ze niet…. Vrije wil op deze leeftijd, daar kun je eigenlijk niet over spreken al had ik toen het idee van wel. Je hersenen zijn niet rijp, je hebt geen ervaring; dat alles speelt mee.

Zelfbeeld
Een verstoorde ontwikkeling kan een negatief zelfbeeld veroorzaken. Daardoor kunnen jongeren een gemakkelijke prooi zijn voor loverboys. Bovendien hebben jongeren geen volgroeide eigen identiteit en over- of onderschatten ze zichzelf vaak. Het is passend bij de leeftijdsfase dat grenzen worden verkend en er een hang naar avontuur kan zijn.*27 Ze staan open voor aandacht, maar kunnen die aandacht niet altijd goed taxeren.

Vervolgens vernietigen de daders de fragiele identiteit van deze kwetsbare kinderen.

Ik ben streng christelijk opgevoed en seks voor het huwelijk was uit den boze. Toen had ik zoiets als eigenlijk maakt het me niet meer uit…ik ben nu wel een heel slecht mens. (Anna)
Door angst gedreven

Seksuele uitbuiting en het wel of niet doen van aangifte

De hierboven beschreven aspecten vergroten de kwetsbaarheid voor seksuele uitbuiting. Maar ze hebben ook invloed op de overlevingsstrategieën van deze minderjarige slachtoffers en op het doen van aangifte.

We staan nu stil bij de problemen die de slachtoffers ervaren bij het doen van aangifte. Voor veel slachtoffers geldt dat angstreductie belangrijker is dan aangifte doen. Dit beschrijven ook Leermakers en collega’s.*28 In onze onderzoeksgroep hebben van de twaalf vrouwen er tien contact met de politie gehad. Uiteindelijk hebben er drie aangifte gedaan waarvan er twee zijn geseponeerd. Bij slechts één heeft het tot een rechtszitting geleid. De belangrijkste problemen bij het doen van aangifte worden hieronder besproken.

Afsplitsing van emoties
Tijdens of vlak na een traumatische gebeurtenis waaruit ontsnappen niet mogelijk is, kunnen dissociatieve ervaringen optreden; de psyche lijkt zich los te koppelen van het teveel aan pijn en daarmee van de realiteit. Veel van de geïnterviewde vrouwen beschrijven dissociatieve fenomenen ten tijde van de seksuele uitbuiting en het geweld.

De eerste keer was ik heel erg overstuur en moest ik erg huilen, maar later ging dat helemaal weg en ging ik op de automatische piloot. Ik sloot me gewoon af. (Sarah)

Dissociëren is een overlevingsmechanisme, dat niet bewust wordt ingezet, en verstrekkende consequenties kan hebben.*29 Dissociatieve fenomenen – ofwel het afsplitsen van het gevoel om de werkelijkheid aan te kunnen – komen dikwijls bevreemdend over. Een slachtoffer kan iets vreselijks vertellen dat zij heeft meegemaakt zonder enig gevoel of met ongepaste emotie. Dergelijke reactiepatronen zijn verwarrend voor de luisteraar en maken geloofwaardigheid en contactopbouw lastig. Dit kan een aangifte bemoeilijken en vertragen. Ongepast lachen was bijvoorbeeld een probleem bij Sarah.

Ze [de politie] zeiden dat ik er lacherig over deed en dat ik er niet aan toe was en het geen zin had…. Eigenlijk hebben ze me laten gaan en …de nood was hoog.

De klacht van meerdere vrouwen was dat doordat de politie hun gedrag niet kon inschatten ze langer in een geweldsituatie hebben gezeten, met alle gevolgen van dien.

Overlevingsreacties ‘vrede bewaren’ en ‘verzoenen’

Zodra daders ‘het vertrouwen hebben’, krijgen ze bijna alles voor elkaar. Omdat ik bang was voor slaande ruzie en de verwondingen…. Nee dan werkte ik wel mee. En daarnaast het enorme schaamtegevoel. Ik kon ook letterlijk geen kant op, want wie zou mij geloven. (Bibi)

Als je niet kunt vluchten of vechten, is een veel voorkomende overlevingsreactie de gevaarlijke situatie de-escaleren, door de dader te gehoorzamen; het slachtoffer maakt zich klein en onderdanig, en weet door deze volgzame houding verder gevaar af te wenden.*30,*31 Frida spreekt van “slaafse gehoorzaamheid”. Uit onderzoek is gebleken dat deze, onbewuste, overlevingsreactie voorkomt bij de helft van de slachtoffers van verkrachting.*32 96% van de slachtoffers die in de kindertijd herhaaldelijk seksueel misbruik hebben meegemaakt reageert op deze wijze.*33

Verzoenen is een andere overlevingsreactie waarbij door positief ‘goedmaakgedrag’ van de dader de relatie tussen de dader en het slachtoffer wordt versterkt. Er ontstaat een ambivalente relatie tussen hen waardoor de kans kleiner wordt dat het slachtoffer zich tegen de dader zal keren, waardoor het seksueel geweld langer kan doorgaan.

Heel af en toe verontschuldigde hij zich als hij me weer geslagen had, als hij zag dat ik heel diep was en dan kon hij weer heel lief zijn. (Karina)

Beide partijen worden rustiger door de verzoening, waardoor meer agressie wordt voorkomen.*34

Dreiging en angst
De angst voor geweld en represailles houdt de jonge vrouwen gevangen. Het patroon lijkt vaak hetzelfde. Bij Karina dreigde de loverboy haar zusje te pakken. “In één klap word je zo een andere wereld ingezogen”. Bijna alle vrouwen hebben soortgelijke verhalen. Ze werden losgeweekt van hun vrienden en leefden in toenemende sociale isolatie.*35

Wij zien evenals Annitto*36 dat bij de aanvang van de uitbuitingssituatie de daders zich voordoen als het vriendje dat aandacht geeft, en dat na een korte periode de meeste slachtoffers werden verkracht en bedreigd zodat ze geen uitweg meer zagen. Verkrachtingen waren opgenomen en er werd gedreigd deze beelden op sociale media te zetten of naar de ouders sturen. De slachtoffers deden letterlijk alles om dat te voorkomen.*37

Hersenspoeling
Geweld is niet het enige dat nodig is om een slachtoffer te laten zwijgen.

Een dreigende blik, de stilte, of een vinger of hand op de mond, zeggen vaak voldoende.*38

Sommige slachtoffers werden gehersenspoeld, zoals Karina, die samen met haar vriendin werd uitgebuit.

Omdat mijn vriendin dat woord [politie] heeft gezegd hebben ze ons allebei weer gestraft, slaan, schoppen en toen zijn ze begonnen om constant op ons in te praten dat praten met ze [de politie] geen zin heeft. Dat hebben ze gewoon 1000 keer herhaald en uiteindelijk ging ik het geloven.

De Psychiatric Association's Diagnostics and Statistical Manual of Mental Disorders*39 beschrijft ‘hersenspoeling’ of ook wel ‘gedachte beïnvloeding’ als factoren die bijdragen aan een dissociatieve stoornis. In de beschrijving wordt gesteld dat er langdurige veranderingen in, of twijfel over, de identiteit ontstaat bij mensen die onderworpen zijn aan periodes van langdurige en intense gedwongen gedachte beïnvloeding. Slachtoffers van gedwongen prostitutie kunnen daardoor onmogelijk instemmen en er kan dus ook geen sprake zijn van vrije wil.*40,*41

Vertrouwen
De misbruikers conditioneren jonge slachtoffers in angst voor de politie en straf die ze van de daders zullen krijgen als ze toch naar de politie gaan. Daardoor durven de slachtoffers amper of geen hulp te zoeken of komt het niet tot een aangifte die kan worden doorgezet naar de rechtbank. De emotionele afhankelijkheid van de daders en angst houdt de meiden weg van de politie.*42

Op het politiebureau schreeuwde ik in mijn hoofd ‘help me’, maar dan zat ik daar en dan lukte het niet. Dan zei ik ‘viel wel mee’, dat kwam uit mijn mond, maar in mijn hoofd had ik hele andere zinnen. (Karina)

Het grote verschil in aanpak en bejegening tussen de intakegesprekken en de aangiftes is voor de slachtoffers niet te bevatten. De intakegesprekken worden als prettig ervaren en de aangiftes vaak als kil en afstandelijk. Het verschil in gedrag voor en na de verhoren en tijdens de verhoren was ook lastig te begrijpen. Marjon:

De politie was best wel hard, maar als je na de aangifte weer afscheid nam van elkaar zijn ze weer heel lief. Dat is moeilijk te rijmen.

Dit geldt zeker voor slachtoffers die ook in hun jeugd verwaarlozing en/of mishandeling hebben meegemaakt en daardoor niet hebben geleerd gedrag goed in te schatten. Daardoor hebben ze meer behoefte aan goede uitleg, geruststelling in het contact en een constante presentatie van de politiemensen.*43,*44,*45 Bovendien is het essentieel dat er eerst door de politie wordt gewerkt aan een relatie van enig vertrouwen.*46

’Victim blaming’

Een heikel punt dat werd genoemd is dat veel vrouwen tijdens de aangiftes het gevoel hadden niet te worden geloofd en dat zij als schuldige werden gezien. Herhaalde vragen, of vragen om verdere verduidelijking in combinatie met afstandelijkheid gaf al snel het gevoel dat ze gewantrouwd werden. Victim blaming is een veel voorkomend fenomeen bij seksueel geweld, waarbij zowel het slachtoffer zichzelf, als de omgeving het slachtoffer verwijt zich niet (voldoende) te hebben verzet of het geweld te hebben uitgelokt.*47

Ik denk dat ze moeten begrijpen dat het niet zo zwart-wit is als de rechtspraak. Eigenlijk is het vrijwel onmogelijk om een consistent verhaal te vertellen. Er komen altijd weer in je herinneringen dingen bij of het is toch in een ander tijdsbestek gebeurd. Je moet er niet vanuit gaan dat iemand een heel consistent verhaal heeft. Als jij iets heftigs meemaakt dan ga je je daar toch een beetje voor afsluiten, dus zie dat maar weer eens terug te halen, dat is best wel moeilijk… Dat is gewoon een afweermechanisme…. Die tijden en data, ik zou het nog steeds niet weten. Pas als ik het op ga schrijven komt er nog meer. Ze moeten niet zo hameren. Ik snap wel dat de politie of justitie geen hulpverleners zijn, maar laten ze proberen om met iemand mee te kijken die tegenover ze zit. Ook qua gesprekstechnieken hebben ze hun eigen manier van uitvragen en dat is prima, maar het helpt niet om iemand het gevoel te geven dat ze een crimineel is. (Anna)

Ook het doorvragen naar details vinden de respondenten moeilijk en belastend. Anna zou zo alle plekken aan kunnen wijzen waar ze “het moest doen”, maar ze weet niet de adressen. Marjon wist data niet te noemen:

Ze vroegen aan mij wat houdt het mailtje in maar ik wist de datum niet (..) ik zei heel vaak ‘ik weet het niet’, om maar niet bij het gevoel te komen en niet in de details te hoeven. Zij zijn door gaan vragen en omdat het mij raakte en ik zo vermoeid werd en zo in de war, heb ik dingen afgekapt en gezegd dat het niet gebeurd is.

Het is voor slachtoffers moeilijk de traumatische gebeurtenissen op te halen en weer te herbeleven. De stress en angst geven vaak klachten als verminderd concentratievermogen, verwarrende herinneringen, geheugenverlies en vermoeidheid. Dit alles samen met de angst niet te worden geloofd kan leiden tot onvolledige of inconsequente verklaringen.*48,*49,*50

Gedrag van de slachtoffers
Het onthullen van seksueel geweld kan vanuit overlevingsperspectief levensbedreigend zijn, daarom kiezen veel slachtoffers voor verzwijgen. Gevaren als agressie van de dader, het voorkomen van seksueel geweld tegen een dierbare, het verstoten worden uit de eigen familie of vriendengroep, niet geloofd worden et cetera, worden door de slachtoffers afgewogen en resulteert regelmatig in ‘de mond houden’. Zwijgen komt het meest voor als de bedreiging vanuit de dader groot is.*51

Het is niet enkel dat de slachtoffers het gedrag van de politiemensen niet goed kunnen begrijpen; de politie begrijpt het gedrag van de slachtoffers ook niet altijd.

De politie denkt snel dat is een opstandig meisje, maar er zit angst en druk achter. Je wilt het echt wel zeggen en alles in je zegt ‘help me’, maar ik kan het niet zeggen want misschien wordt het wel mijn dood... Ik ben al een keer op de intensive care beland, door hen... Je bent zo bang. (Sarah)

Sarah had het gevoel dat de politie niet echt in staat was door haar façade en gedrag heen te prikken. Anna gedroeg zich juist agressief tegen de politie:

Achteraf gezien was ik niet de makkelijkste persoon om mee te praten.

Meerdere vrouwen hebben verschillende contacten met de politie gehad en dat heeft tot niets geleid omdat ze zich dan op de vlakte hielden of zeiden dat er niets was gebeurd en de politie het gedrag niet begreep of niet doorprikte. Een goede interactie tussen de slachtoffers en de politieagenten is dus essentieel om de vrouwen te bewegen aangifte te doen, en om te helpen de traumatiserende uitbuitingssituatie te stoppen.

De langetermijngevolgen van de seksuele uitbuiting

Het misbruik versterkt de ongezonde coping zoals zich terugtrekken en isoleren van sociale contacten, het gebruik van verdovende middelen, onderdanigheid, afhankelijkheid en dissociatie. Uit onderzoek blijkt dat deze elementen de slachtoffers van seksuele uitbuiting in hun latere leven parten blijven spelen in hun welbevinden, partnerkeuze, werk en ouderschap.

Sociale steun
De angst voor represailles van de daders, de schaamte over wat hen is overkomen en de angst dat ze zullen worden afgewezen door de mensen om hen heen als ze zouden vertellen dat ze slachtoffer van seksuele uitbuiting zijn, maakt dat vrouwen aan weinig anderen vertellen wat hen is overkomen.

Ik voel angst en schaamte als ik zo terugkijk. Ik zou niet eens weten hoe ik het moet vertellen… Ik had en heb helemaal niemand.

Dit gebrek aan sociale steun is een belangrijke risicofactor voor het ontwikkelen van een posttraumatische stressstoornis (PTSS).*52,*53

Relaties
Relaties aangaan nadat de seksuele uitbuiting is beëindigd is niet makkelijk.

Het gaat niet echt makkelijk … qua lichamelijk contact is het moeilijk. Om er weer vertrouwen in te krijgen is moeilijk…. Sowieso relaties met mannen. (Karina)

Alle vrouwen geven aan moeite te hebben met relaties. Sarah heeft sinds kort een vriend maar

dat is wel lastiger dan ik had gedacht...het blijft heel erg moeilijk.

Frida valt steeds op mannen die mishandelen. Joke en Marjon, die alle twee al van jongs af aan door hun vader zijn misbruikt, weten niet hoe een goede relatie aan te gaan. Marjon zegt:

Ik voel me wel oké als er een gewelddadige omgeving is, want dat is bekend en ik kan er mee omgaan.

Maar ook de psychische gevolgen van het misbruik resoneren door in de relaties.

De eerste relatie was door mijn PTSS een hel voor ons beiden. Ik had eindelijk iemand die me geen kwaad wilde doen. Maar wat gebeurde er? Ik ging afstoten en aantrekken. Ik kreeg herbelevingen en hij kreeg alles op zijn dak. Ik wilde bij hem blijven maar die andere kant was heftiger; gewoon angst. Mijn vertrouwen is beschadigd en zelfbeeld is laag…. Ik ben niet in staat, hoe graag ik ook wil, er komt zoveel angst…Je houdt van iemand en daar zit een storing tussen. Heel erg. (Hanna)

Karina:

Het heeft zo lang geduurd voor ik weer iemand vertrouwde en wist hoe ik met mannen om kan gaan, gewone seks te hebben… Ik wist niet hoe het moest, het was altijd gedwongen.

Effect op de relatie met familieleden
De gevolgen voor de familieleden van de slachtoffers is groot. De vader van Sarah en zijn vriendin hebben beiden ernstige gezondheidsproblemen gekregen door de stress.

Mijn ouders zijn angstig en hebben er een trauma van overgehouden. Ze zijn misschien angstiger dan ik.

Karina’s ouders zijn in therapie, maar kunnen er nog steeds niet over praten omdat ze zich zo ontzettend schuldig voelen. Frida was razend dat haar moeder niet heeft ingegrepen. Ze is nu met kleine stapjes de relatie aan het herstellen.

De effecten op de relaties met familie en vrienden worden medebepaald door de psychische gesteldheid van de respondent. Hanna heeft nog steeds veel last van haar PTSS en dat beïnvloedt de familierelatie.

Ik heb heel veel ruzie gehad, met name met mijn broer en mijn vader, misschien omdat het mannen zijn.

De familie van Marjon is verscheurd, de ene helft gelooft haar en de andere helft niet. Dit heeft grote emotionele gevolgen voor alle familieleden. Marjon heeft geprobeerd het uit te leggen, maar “ze snappen het niet”. Dit brengt een extra spanning en ze ziet haar enige zus hierdoor zelden.

Het opbouwen van een goed steunsysteem is niet voor iedereen even makkelijk, zoals bij Joke.

Ik ben geïsoleerd. Ik ben voorzichtig. Mijn angstcentrum is gigantisch en tegelijkertijd ben ik geneigd dingen te doen die me in risico’s brengen.

Psychologische gevolgen van seksuele uitbuiting
Veel slachtoffers van seksuele uitbuiting ontwikkelen verschillende psychologische problemen, waarbij ernstige stress, angst, depressie, dissociatie en PTSS veel voorkomen.*54,*55,*56Op één na hebben alle vrouwen in dit onderzoek hulpverlening gehad. Acht vrouwen hebben nog steeds therapie. Alle vrouwen worstelen met een laag zelfbeeld en traumatische herinneringen. Marjon:

Ik dacht dat ik niks was. Ik heb heel lang gedacht, en nu nog soms, dat niemand mij zag, dat ik niet belangrijk was voor mensen, dat mensen niet van me konden houden.

Een aantal vrouwen is gediagnosticeerd met een PTSS en hebben depressieve periodes gehad, met suïcidaliteit. Anna:

Ik wilde alleen maar dood in het begin. Ik was echt depressief. Ik zag echt niet voor me dat er nog iets van me terecht zou komen.

Hanna kreeg zoveel medicijnen in de hulpverlening dat ze daar weer van moest afkicken en ze worstelt nog steeds met terugvallen:

Ik was afgekickt en moest leren voelen. Ik kan niet zeggen hoe moeilijk en lastig het is geweest voor mij en nu nog steeds... Ik worstel met terugvallen in alles, maakt niet uit, drugs en seks.

Afgesplitste emoties
Zoals hierboven beschreven, kunnen vrouwen tijdens of vlak na een traumatische gebeurtenis waaruit ontsnappen niet mogelijk is, dissociëren als overlevingsstrategie. Hierbij wordt de psyche als het ware losgekoppeld van het teveel aan pijn en daarmee van de realiteit. Dit kan verstrekkende gevolgen hebben. Een probleem ontstaat wanneer de gevoelens blijvend weg zijn. Herma is bij de eerste keer

uit haar lichaam gegaan. Ik wist wel wat er gebeurd was maar… het echte gevoel is niet teruggekomen, het is net of daar een heel stuk dood is gegaan.

Pas jaren later, in therapie kwam het terug. Hanna kon alleen nog voelen als ze zichzelf beschadigde:

Ik begon in mezelf te snijden.

Het onvermogen om intense emoties te reguleren en verdragen kan een gevolg zijn van de jarenlange dissociatie.

‘Frozen in time’

Zelfs jaren later kan men nog steeds bang zijn voor de dreigementen. Karina durft na 13 jaar nog steeds niet naar de politie.

Ik raak dan compleet in paniek.

Ze heeft verschillende keren geprobeerd aangifte te doen, maar het is niet gelukt.

Dan ging er een knop bij me om. Dat was heel gek, dan ging ik zeggen dat het wel meeviel. Ik dacht ‘ik moet ze niet in kwaad daglicht stellen’… gelijk die oude rol. In je hoofd weet je dat ze me niks meer kunnen doen, maar de angst is zo groot.

Dit fenomeen wordt ‘frozen in time’ genoemd.*57

Economische gevolgen
Veel vrouwen hebben pas op veel latere leeftijd hun school kunnen afmaken. Opvallend is dat vijf van de twaalf vrouwen niet in staat zijn om te werken omdat ze dusdanige psychiatrische klachten hebben dat ze nog steeds intensieve hulp nodig hebben. Zeven vrouwen zijn nadat ze uit het misbruik kwamen weer met een opleiding begonnen. Soms komen de klachten pas jaren later en worden ze volledig afgekeurd en leven van een uitkering.

Conclusies
Met dit onderzoek hebben we getracht inzichtelijk te maken wat de gevolgen kunnen zijn van seksuele uitbuiting van minderjarigen. We hebben hiermee willen bijdragen aan de reflectie over de ernst van dit delict en aan de oriëntatiepunten voor mensenhandelzaken die door en voor de rechterlijke macht worden ontwikkeld. Omdat dit een zeer kleine studie is onder vrouwen die als minderjarige slachtoffer werden van seksuele uitbuiting, kunnen de uitspraken niet worden gegeneraliseerd. Wel zijn de bevindingen in lijn met andere onderzoeken.*58

Alle vrouwen die zijn geïnterviewd waren kwetsbaar door problemen die ze als kind thuis hebben ervaren waardoor ze werden teruggeworpen op zichzelf en in hun ontwikkeling gestoord. Deze aspecten vergroten de kwetsbaarheid voor seksuele uitbuiting. Vervolgens heeft de uitbuiting een vernietigend effect op het toch al verstoorde zelfbeeld, de geestelijke gezondheid en de mogelijkheden om een relatie met anderen aan te gaan.

De effecten op de lange termijn zijn eveneens groot. Bijna alle vrouwen worstelen met psychische en psychiatrische problemen zoals depressie, dissociatie, PTSS, het weer kunnen voelen en het kunnen omgaan met de nog steeds aanwezige angst en schaamte. Ook op het sociale en economische vlak zijn de problemen groot. Er is sprake van eenzaamheid, gespannen familierelaties, problemen met intieme relaties, de studie weer oppakken of werk vinden en behouden. Sommigen lukt dit redelijk, anderen helemaal niet.

Uit de interviews met de vrouwen die als minderjarige slachtoffer zijn geweest van seksuele uitbuiting blijkt dat de slachtoffers door angst worden gedreven. De daders maken de slachtoffers verantwoordelijk voor hun eigen welzijn en het welzijn van dierbaren door ernstige bedreigingen en geweld te gebruiken. Het omgaan met dreigingen en angst wordt een overlevingsstrategie; zo handelen dat de schade en geweld voor henzelf en hun dierbaren zo klein mogelijk blijft. Aangifte doen is voor de vrouwen stress verhogend, terwijl de coping er juist op gericht is om stress te reduceren, en daardoor besluiten veel slachtoffers geen aangifte te doen. Het blijkt dat het extreem lastig is om over deze angst heen te stappen, mede omdat het wantrouwen tegen de politie langdurig door de daders is gevoed. En wanneer het tot een aangifte komt maakt de combinatie van de elementen als hierboven beschreven het moeilijk voor de vrouwen. Het is moeilijk om een coherent verhaal te vertellen en details te beschrijven. Soms omdat ze het niet meer precies weten, maar ook omdat het té pijnlijk en schaamtevol is om te benoemen. Vrije keuze is een volstrekte illusie wanneer er zoveel angst en dreiging in een situatie is.

Voor de rechterlijke macht kan inzicht in de rol die angst speelt bij slachtoffers helpen om de verklaringen van slachtoffers beter te kunnen waarderen en te plaatsen. De verzamelde data over de ernstige en ingrijpende langetermijngevolgen van de uitbuiting kunnen bijdragen aan de reflectie op de ernst van het delict. Wij hopen dat de onderzoeksbevindingen zullen bijdragen aan goed afgewogen oriëntatiepunten en uiteindelijk aan een passende straftoemeting bij seksuele uitbuiting van minderjarigen.

De gebruikte namen zijn fictief.

S.D.E. Leermakers, E.I. Simons, & F. Noteboom, ‘Aangifte doe je niet’. Een studie naar factoren die een negatieve invloed hebben op de aangiftebereidheid van Nederlandse, minderjarige slachtoffers van seksuele uitbuiting, Den Haag: Centrum Kinderhandel Mensenhandel Fier 2018.

Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen, Ontucht voor de rechter. Deel 2: De straffen, Den Haag: Nationaal Rapporteur 2016, p.10.

Oriëntatiepunten voor ontucht binnen het jeugdstrafrecht. De Rechtspraak 2016, in: Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen, Ontucht voor de rechter. Deel 2: De straffen, Den Haag: Nationaal Rapporteur 2016, p.12 voetnoot 27.

Het onderzoek werd gefinancierd door Defence for Children – ECPAT Nederland.

B. Czarniawska-Joerges, Narratives in Social Science Research. Introducing Qualitative Methods (doi:10.4135/9781848608184.n29), London, UK: Sage Publications 2004.

De volledige methodische onderbouwing kan worden opgevraagd bij M. Tankink.

Zie: M. Tankink & R. Lambrichts, ‘Rammelende verklaringen en de vrije wil: Over inconsistente verklaringen en keuzevrijheid bij slachtoffers van seksuele uitbuiting’, Delikt en Delinkwent 2017/ 47(1), 13-25.

M. Abas, N. Ostrovschi, M. Prince, V. Gorceag, C. Trigub & S. Oram, ‘Risk factors for mental disorders in women survivors of human trafficking: a historical cohort study’, BMC Psychiatry 2013/13(1) 204.

T.A. Menaker & C.A. Franklin, ‘Commercially sexually exploited girls and participant perceptions of blameworthiness’, Journal of Interpersonal Violence 2013/28(10), 2024-2051.

N. Pereda, ‘Childhood victimization and prostitution. A developmental victimology perspective’, Crime Psychology Review 2015/1(1), 5-20.

C. Zimmerman, M. Hossain, K. Yun, V. Gajdadziev, N. Guzun, M. Tchomarova, et al., ‘The health of trafficked women: a survey of women entering posttrafficking services in Europe’, Am J Public Health, 2008/98, 55 - 59.

M. Annitto, ‘Consent, Coercion, and Compassion: Emerging Legal Responses to the Commercial’, Yale Law & Policy Review 2011/30(1).

A. van Minnen, Verlamd van angst. Herstellen na seksueel misbruik, Amsterdam: Boom 2017.

A. van Minnen, Verlamd van angst. Herstellen na seksueel misbruik, Amsterdam: Boom 2017.

N.L. Collins, A.C. Guichard, M.B. Ford & B.C. Feeney, ‘Working models of attachment: New developments and emerging themes’, in: W.S. Rholes & J.A. Simpson (Eds.), Adult attachment: Theory, research, and clinical implications, New York: Guilford Press Publications 2004, p. 196-240.

K.S. Kendler, C.M. Bulik, J. Silberg, J.M. Hettema, J. Myers& C.A. Prescott, ‘Childhood sexual abuse and adult psychiatric and substance use disorders in women’, Arch Gen Psychiatry, 2000/57, 953-959.

S. Murphy, A. Elklit, P. Hyland & M. Shevlin, ‘Insecure attachment orientations and posttraumatic stress in a female treatment-seeking sample of survivors of childhood sexual abuse: A cross-lagged panel study’, Traumatology 2016/22(1), 48.

J. Bowlby, Attachment and loss, Vol. 1: Attachment, New York: Basic Books 1969.

Zie: M. Tankink & R. Lambrichts, ‘Rammelende verklaringen en de vrije wil: Over inconsistente verklaringen en keuzevrijheid bij slachtoffers van seksuele uitbuiting’, Delikt en Delinkwent 2017/ 47(1), 13-25

P. Scholte, L. Verhaak, A. Lok & R. Ghafoerkhan, ‘The Mental health of Trafficked Persons’, in: R. Piotrowicz, C. Rijken & B.H. Uhl (Eds.), Routledge Handbook of Human Trafficking, London: Routledge 2017, p. 291-302.

S.J. Cecchet & J. Thoburn, ‘The psychological experience of child and adolescent sex trafficking in the United States: Trauma and resilience in survivors’, Psychological trauma: theory, research, practice, and policy, 2014/6(5), 482.

J.A. Siegel & L.M. Williams, ‘Risk factors for sexual victimization of women: Results from a prospective study’, Violence Against Women, 2003/9(8), 902-930.

M. Annitto, ‘Consent, Coercion, and Compassion: Emerging Legal Responses to the Commercial’, Yale Law & Policy Review 2011/30(1).

J.A. Reid, & S. Jones, ‘Exploited vulnerability: Legal and psychological perspectives on child sex trafficking victims’ (doi: 10.1080/15564886.2011.557327), Victims & Offenders 2011/6(2), 207-231.

L.P. Spear, 2000.

K. Ridder, Ketenaanpak Jeugdprostitutie & Loverboyproblematiek, Rotterdam: Thieme MediaCenter 2007.

S.D.E. Leermakers, E.I. Simons, & F. Noteboom, ‘Aangifte doe je niet’. Een studie naar factoren die een negatieve invloed hebben op de aangiftebereidheid van Nederlandse, minderjarige slachtoffers van seksuele uitbuiting, Den Haag: Centrum Kinderhandel Mensenhandel Fier 2018.

N. Pereda, ‘Childhood victimization and prostitution. A developmental victimology perspective’ (doi:10.1080/23744006.2015.1033152), Crime Psychology Review, 2015/1(1), 5-20.

A. van Minnen, Verlamd van angst. Herstellen na seksueel misbruik, Amsterdam: Boom 2017.

A. van Dijke, F. Lamers, M. Talhout, L. Terpstra, S. Werson & A. de Wind, Wie zijn de meiden van Asja? De gang naar de jeugdprostitutie, Den Haag: Centrum Kinderhandel Mensenhandel Fier 2012.

J. Woodhams, C.R. Hollin, R. Bull & C. Cooke, ‘Behavior displayed by female victims during rapes committed by lone and multiple perpetrators’, Psychology, Public Policy, and Law, 2014/18, 415-452.

A. van Minnen, Verlamd van angst. Herstellen na seksueel misbruik, Amsterdam: Boom 2017.

A. van Minnen, Verlamd van angst. Herstellen na seksueel misbruik, Amsterdam: Boom 2017.

R.A.R. Bullens & J.E. van Horn, ‘Labour of love: Female juvenile prostitution in the Netherlands’, Journal of sexual aggression, 2002/8(3), 43-58.

M. Annitto, ‘Consent, Coercion, and Compassion: Emerging Legal Responses to the Commercial’, Yale Law & Policy Review 2011/30(1).

S.D.E. Leermakers, E.I. Simons, & F. Noteboom, ‘Aangifte doe je niet’. Een studie naar factoren die een negatieve invloed hebben op de aangiftebereidheid van Nederlandse, minderjarige slachtoffers van seksuele uitbuiting, Den Haag: Centrum Kinderhandel Mensenhandel Fier 2018.

I. Bicanic & A. de Jongh, ‘“Als je het vertelt, dan...”: Verbale dreigementen aan slachtoffers van seksueel misbruik’, EMDR Magazine 2017/15.

American Psychological Association, Handboek voor de classificatie van psychische stoornissen (DSM-5). Nederlandse vertaling van Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders, Fifth Edition, Amsterdam: Boom 2015.

W.J. Adelson, ‘Child Prostitute or Victim of Trafficking?’, University of St. Thomas Law Journal, 2008/6(1), 96-128.

T. Mir, ‘Trick or treat: why minors engaged in prostitution should be treated as victims, not criminals’, Family Court Review, 2013/51(1), 163–177.

R.A.R. Bullens & J.E. van Horn, ‘Labour of love: Female juvenile prostitution in the Netherlands’, Journal of sexual aggression, 2002/8(3), 43-58.

J.G. Allen, Traumatic relationships and serious mental disorders, New York: Wiley 2001.

M. Tankink & R. Lambrichts, ‘Rammelende verklaringen en de vrije wil: Over inconsistente verklaringen en keuzevrijheid bij slachtoffers van seksuele uitbuiting’, Delikt en Delinkwent 2017/ 47(1), 13-25.

S.D.E. Leermakers, E.I. Simons, & F. Noteboom, ‘Aangifte doe je niet’. Een studie naar factoren die een negatieve invloed hebben op de aangiftebereidheid van Nederlandse, minderjarige slachtoffers van seksuele uitbuiting, Den Haag: Centrum Kinderhandel Mensenhandel Fier 2018.

S.D.E. Leermakers, E.I. Simons, & F. Noteboom, ‘Aangifte doe je niet’. Een studie naar factoren die een negatieve invloed hebben op de aangiftebereidheid van Nederlandse, minderjarige slachtoffers van seksuele uitbuiting, Den Haag: Centrum Kinderhandel Mensenhandel Fier 2018.

A. van Minnen, Verlamd van angst. Herstellen na seksueel misbruik, Amsterdam: Boom 2017.

C. Zimmerman, M. Hossain, K. Yun, B. Roche, L. Morison & C. Watts, ‘Stolen smiles. The physical and psychological health consequences of women and adolescents trafficked in Europe’ Londen: The London School of Hygiene &Tropical Medicine 2006,

http://researchonline.lshtm.ac...

C. Rijken, J. van Dijk & F. Klerx-van Mierlo, Mensenhandel: het slachtofferperspectief. Een verkennende studie naar behoeften en belangen van slachtoffers mensenhandel in Nederland, Tilburg: Universiteit Tilburg 2013.

S.D.E. Leermakers, E.I. Simons, & F. Noteboom, ‘Aangifte doe je niet’. Een studie naar factoren die een negatieve invloed hebben op de aangiftebereidheid van Nederlandse, minderjarige slachtoffers van seksuele uitbuiting, Den Haag: Centrum Kinderhandel Mensenhandel Fier 2018.

A. van Minnen, Verlamd van angst. Herstellen na seksueel misbruik, Amsterdam: Boom 2017.

C.R. Brewin, B. Andrews & J.D. Valentine, ‘Meta-analysis of risk factors for posttraumatic stress disorder in trauma-exposed adults’, Journal of Consulting and Clinical Psychology 2000/68(5) 748.

C.L. Hebenstreit, S. Maguen, K.H. Koo & A.P. DePrince, ‘Latent profiles of PTSD symptoms in women exposed to intimate partner violence’, Journal of Affective Disorders, 2015/180, 122–128.

T. Mir, ‘Trick or treat: why minors engaged in prostitution should be treated as victims, not criminals’, Family Court Review, 2013/51(1), 163–177.

P. Scholte, L. Verhaak, A. Lok & R. Ghafoerkhan, ‘The Mental health of Trafficked Persons’, in: R. Piotrowicz, C. Rijken & B.H. Uhl (Eds.), Routledge Handbook of Human Trafficking, London: Routledge 2017, p. 291-302.

M. Hossain, C. Zimmerman, M. Abas, M. Light & C. Watts, ‘The Relationship of trauma to mental disorders among trafficked and sexually exploited girls and women’, American Journal of Public Health, 2010/100(12,) 2442–2449.

B. Rothschild, The body remembers. The psychophysiology of trauma and trauma treatment, New York/London: W.W. Norton & Company 2000.

S.D.E. Leermakers, E.I. Simons, & F. Noteboom, ‘Aangifte doe je niet’. Een studie naar factoren die een negatieve invloed hebben op de aangiftebereidheid van Nederlandse, minderjarige slachtoffers van seksuele uitbuiting, Den Haag: Centrum Kinderhandel Mensenhandel Fier 2018.

Top