08 2018

Artikel

De wetgever als verwarde man; suggesties voor het Wvggz-procesrecht

Per 1 januari 2020 treedt de nieuwe Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) in werking. De Wvggz vervangt de huidige Wet Bopz. De auteur schetst aan de hand van de overwegingen en bedoelingen van de wetgever een voor de rechter praktisch hanteerbaar raamwerk.

Deel 1. Inleiding

§ 1. Vooraf
Voor een partij is het essentieel om te weten welke rechter inzake een geproblematiseerde rechtsverhouding bevoegd en welk procesrecht toepasselijk is, omdat uitsluitend door het strikt volgen van de betreffende regeling het beoogde resultaat (een bepaald rechtsgevolg) kan worden verkregen. Een onjuiste procesinleiding en/of -voering leidt wellicht zomaar tot niet-ontvankelijkheid, ontzegging van het verlangde of een andere 'niet'.

De wetgever heeft bij het tot stand brengen van de Wvggz zo gezwalkt, gedwaald en de plank misgeslagen, dat het beeld van de verwarde man zich opdringt.

De wetgever dient daarom helder aan te geven welke rechter over een zaak gaat en hoe het procesrecht in een specifieke situatie luidt. Een geval waarin op dit vlak veel misging, is de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz), de nieuwe wet die per 2020 als opvolger van de Wet Bopz de dwangpsychiatrie gaat beheersen. In de wettekst ontbreekt een kenbare en eenduidige processuele inbedding: vergeten is te vermelden welke rechter bevoegd is en herhaaldelijk is het volkomen onduidelijk welk procesrecht geldt. De wetgever heeft bij het tot stand brengen van de Wvggz zo gezwalkt, gedwaald en de plank misgeslagen, dat het beeld van de verwarde man – het prototype van de burger waar deze regeling voor is gemaakt – zich opdringt.

De vele procedurele tekortkomingen die de Wvggz kent, zouden door wetswijziging ongedaan kunnen worden gemaakt. Het mag echter een illusie worden genoemd dat vóór 1 januari 2020 de leemtes langs die weg worden verholpen. Hierna wordt getracht om ten behoeve van de rechter die de nieuwe wet gaat toepassen, aan de hand van de overwegingen en bedoelingen van de wetgever, een samenhangend en praktisch hanteerbaar processueel raamwerk voor de Wvggz te schetsen. Daartoe wordt eerst in kaart gebracht het fundament van de Wvggz, in zoverre dat gelegen is in de Wet Bopz en de verzoekprocedure uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv). Vervolgens worden de diverse rechtsgangen die de Wvggz biedt een voor een langsgelopen.*1 Het blijkt mogelijk om op basis van de bedoelingen van de wetgever een redelijk overzichtelijk procesrecht te construeren.

§ 2. Opvolging van de Wet Bopz door de Wvggz, parlementaire behandeling, inhoud van de wet
In 1994 verving de Wet Bopz de uit 1886 stammende Krankzinnigenwet.*26 Al in 2010 werd een ontwerp voor een nieuwe regeling – de Wvggz – bij de Tweede Kamer ingediend nadat de Wet Bopz als "niet toekomstbestendig" was aangemerkt. Door middel van enkele nota's van wijziging is in de jaren van behandeling in de Tweede Kamer het ontwerp ingrijpend aangepast. In januari 2018 is het wetsvoorstel aangenomen; invoering zal plaatsvinden per 1 januari 2020.

Om wat volgt over gerechtelijke procedures in het kader van de Wvggz beter te kunnen plaatsen, is het goed om kort aandacht te besteden aan de structuur van de nieuwe wet. Centraal staat daarbij de rechterlijke machtiging, die in de Wvggz wordt aangeduid als "zorgmachtiging". Hoofdstuk 5 gaat over de voorbereiding van een dergelijke maatregel; daarin o.a. het aanwijzen van verantwoordelijke medici, het opmaken van een geneeskundige verklaring en het door het openbaar ministerie indienen van een verzoek bij de rechtbank. Aansluitend handelt Hoofdstuk 6 over de rechterlijke machtiging zelf, in het bijzonder over de gerechtelijke procedure. Hoofdstuk 7 regelt de "crisismaatregel", zijnde dit de opvolger van de inbewaringstelling van art. 20 Wet Bopz. In dit hoofdstuk vindt men ook de regeling van de rechterlijke machtiging tot voortzetting van zo'n crisismaatregel, welke laatstgenoemde maatregel op haar beurt kan overgaan in een reguliere zorgmachtiging op de voet van Hoofdstuk 6. Na deze drie hoofdstukken over totstandkoming van maatregelen die dwang mogelijk maken, volgt in Hoofdstuk 8 de regeling van de tenuitvoerlegging van die maatregelen. Geschillen die rijzen tijdens de tenuitvoerlegging kunnen, nadat eerst een klachtencommissie zich heeft uitgesproken, aan de rechter worden voorgelegd op de voet van Hoofdstuk 10; in dat hoofdstuk is ook geregeld wanneer de rechter een schadevergoeding kan toekennen.

Deel 2. Civiele enclave in het bestuursrecht

§ 3. Bevoegde rechter
Dwangtoepassing op psychiatrische patiënten (gedwongen opname, dwangbehandeling, en dergelijke) is als verticale rechtsbetrekking (overheid tegenover burger) 'uit zijn aard' bestuursrecht. Het beslissen over dwangtoepassing jegens psychiatrische patiënten ligt echter sinds jaar en dag in handen van de burgerlijke rechter; diens competentie in deze zaken van administratiefrechtelijke aard is slechts historisch verklaarbaar.*2

Opvallend is dat de bevoegdheid van de civiele rechter bij de totstandkoming van de Wet BOPZ niet meer ter discussie is gesteld: het rechtsgebied bestuursrecht was immers inmiddels tot volle wasdom gekomen.

Aan het begin van de negentiende eeuw – toen de eerste landelijke wetgeving op dit terrein tot stand kwam – bestond er nog geen bestuursrecht in de nu gebruikelijke zin. Een keuze voor een geding ten overstaan van de civiele rechter lag onder die omstandigheden alleszins voor de hand, ook omdat indertijd de naasten van psychiatrische patiënten een belangrijke rol vervulden bij gedwongen opnemingen. De keuze voor de civiele rechter was in ieder geval passender dan die voor de strafrechter, de andere optie die indertijd open stond.

Opvallend is echter dat de bevoegdheid bij de totstandkoming van de Wet Bopz niet meer ter discussie is gesteld: het rechtsgebied bestuursrecht was immers inmiddels tot wasdom gekomen. Pas ter gelegenheid van de invoering van de Awb (Aanpassingswet Awb III)*3 vroeg de wetgever zich af wat hij met de enigszins tweeslachtige situatie (bevoegdheid van de burgerlijke rechter in een bestuursrechtelijke aangelegenheid) aan moest. In de memorie van toelichting werd overwogen:

Wij hebben er (…) voor gekozen het rechtsbeschermingsstelsel van de Bopz te handhaven. Het zou weliswaar denkbaar zijn geweest in alle gevallen de administratieve rechter bevoegd te maken, maar daartegen pleit in sterke mate dat binnen de civiele sectoren in decennia van rechtspraak op grond van de Krankzinnigenwet een specifieke deskundigheid is opgebouwd, die op dit gevoelige terrein node gemist zou worden. Voorts hebben wij bij onze keuze overwogen, dat de wet Bopz een aan het stelsel van de Awb gelijkwaardig niveau van rechtsbescherming biedt.*4

Om deze redenen werd de bestuursrechter niet als bevoegd aangemerkt (en zijn door plaatsing van de Wet Bopz op de 'negatieve lijst' van art. 8:5 Awb beschikkingen van bestuursorganen als burgemeester en Bopz-behandelaar uitgezonderd van de mogelijkheid van bezwaar en beroep).

Expliciete aanwijzing van de burgerlijke rechter als competent vond plaats toen ter gelegenheid van de herziening van de rechterlijke organisatie per 1 januari 2002*5 ook de Wet Bopz gewijzigd werd door herformulering van art. 1 lid 4 Wet Bopz, dat thans luidt dat in Bopz-zaken bevoegd is de kamer van de rechtbank voor het behandelen en beslissen van burgerlijke zaken”.

§ 4. Dagvaardings- of verzoekprocedure?
De Krankzinnigenwet impliceerde een rekestprocedure ten overstaan van de burgerlijke rechter. Tijdens de ruim 20 jaar dat de Wet Bopz in het parlement in behandeling was, is over dit uitgangspunt geen debat gevoerd: art. 78 van de Wet Bopz zoals deze in 1994 werd ingevoerd bepaalde eenvoudigweg dat de algemene regeling van de verzoekschriftprocedure uit het Rv toepasselijk was op zaken waarin de officier van justitie een machtiging verlangde.

Bij gelegenheid van de “herziening van het procesrecht voor burgerlijke zaken” in 2002*6 werd evenwel ook de Wet Bopz aangepast.*7 De algemene regeling van de verzoekschriftprocedure uit Rv is toen gaan gelden voor alle door de civiele rechter behandelde zaken die met een verzoekschrift moeten worden ingeleid, zie art. 261 Rv. De wetgever overwoog ten aanzien van de Wet Bopz dat

het niet nodig [is] apart te bepalen dat de algemene regeling voor verzoekschriftprocedures van titel 3 in werking treedt. In zoverre kan artikel 78 vervallen.*8

De algemene regeling van de rekestprocedure is overigens de lex generalis; op onderdelen geeft de Wet Bopz als lex specialis een afwijkende regeling, bijvoorbeeld wat betreft de relatieve competentie (art. 7 Wet Bopz).

Deel 3. De totstandkoming van de Wvggz

§ 5. Het eerste ontwerp van de Wvggz: ontbrekende bepalingen
Het oorspronkelijke regeringsontwerp van de Wvggz*9 miste een regeling van de absolute competentie vergelijkbaar met die van art. 1 lid 4 Wet Bopz, terwijl een dergelijke bevoegdheidstoekenning vereist is bij het na Krankzinnigenwet en Wet Bopz andermaal inzetten van de burgerlijke rechter in een bestuursrechtelijke aangelegenheid. Ook de toepasselijkheid van Rv ontbrak. Louter in de MvT werd aangegeven

dat het verzoek voor een zorgmachtiging een verzoekschriftprocedure voor de burgerlijke rechter betreft. Dit betekent dat de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing zijn.*10

Wél werd voorgesteld als art. 2.2 een wetsartikel aangaande de relatieve competentie, thans te vinden in art. 1:6.

Hier en daar bood het ontwerp wat betreft het procesrecht een bijzondere regel (zoals bijvoorbeeld de ook in de Wet Bopz opgenomen bepaling dat kosten van door de rechter opgeroepen getuigen en deskundigen ten laste van de Staat komen, art. 2:4 van het ontwerp, nu art. 6:1 lid 9). Uit het ontbreken van een afwijkend wetsartikel aangaande de rechtsmiddelen diende naar de bedoeling van de wetgever (zie hierna) te worden afgeleid dat hoger beroep en cassatie tot de mogelijkheden behoorden. Dit week af van de Wet Bopz die (zie art. 9 lid 5) als het gaat om rechterlijke machtigingen hoger beroep uitdrukkelijk uitsluit, slechts cassatie toestaat.

§ 6. De Eerste nota van wijziging: aanvulling
Naar aanleiding van een opmerking die van de zijde van de Raad voor de rechtspraak was gemaakt, werd aan de competentieregeling (die eerst in art. 2:2 stond, nu in art. 1:7 een plaats kreeg) in een Eerste nota van wijziging*11 het volgende toegevoegd:

Op de procedure bij de rechter zijn de bepalingen inzake de verzoekschriftprocedure in eerste aanleg en inzake cassatie uit het eerste boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing.

De uit Rv voortvloeiende mogelijkheid van hoger beroep bleef met de Eerste nota van wijziging vooreerst onaangetast.

§ 7. De Tweede nota van wijziging: verdere aanvulling
De eerder toegevoegde bepaling 1:7 inzake het toepasselijke procesrecht, werd in een opvolgende Tweede nota van wijziging hernummerd tot 1:8 en als volgt opnieuw geformuleerd:

Op de procedure bij de rechter zijn de bepalingen inzake de verzoekschriftprocedure in eerste aanleg, en cassatie uit het eerste en derde boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing, tenzij in deze wet anders is bepaald.

De toelichting op deze verandering luidde:

Aangezien verzoekschriften onder het onderhavige wetsvoorstel betrekking hebben op personen, gelden daarbij naast de algemene bepalingen, ook de bijzondere bepalingen die gelden ten aanzien van het personen- en familierecht. Dat betekent dat naast het eerste ook het derde boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing is verklaard.*12

Opmerking verdient het dat bedoelde bepalingen van de zesde titel van het Boek 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, inzake “Rechtspleging in zaken betreffende het personen- en familierecht (art. 798 Rv e.v.) op dit moment juist niet toepasselijk zijn in zaken betreffende de Wet Bopz: die zesde titel heeft immers slechts betrekking op rechtspleging in zaken betreffende Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek,*13 waar de Wet Bopz niet op ziet.

Hiervoor werd aangehaald dat uit de toepasselijkheid van de rekestprocedure van Rv voortvloeide dat tegen alle beschikkingen van de rechtbank de rechtsmiddelen hoger beroep en cassatie openstonden. Op die bewuste keuze kwam de wetgever in de Tweede nota van wijziging terug wat betreft de zorgmachtiging. Een nieuw art. 6:3 ging luiden:

Tegen de beschikking inzake het verlenen van een zorgmachtiging staat geen hoger beroep open.

Deze fundamentele koersverandering werd als volgt toegelicht:

Redenen hiervoor zijn onder meer dat (…) niet is gebleken dat in de huidige praktijk naast de mogelijkheid van cassatie bij de Hoge Raad behoefte bestaat aan hoger beroep. Dit mede omdat met de wijzigingen in de Wvggz de rechtspositie van betrokkene verder zijn verbeterd.*14

In de Tweede nota van wijziging werd een geheel nieuwe route naar gedwongen zorg geïntroduceerd, namelijk de in art. 2.3 Wet forensische zorg opgenomen mogelijkheid dat de strafrechter in het strafproces een zorgmachtiging als bedoeld in de Wvggz verleent. Het ontwerp van de Wvggz werd in verband hiermee aangevuld met een wetsartikel dat zowel de absolute als de relatieve competentie van de strafrechter bepaalt. Dit artikel is nu te vinden in het tweede lid van art. 1:6.

§ 8. De Vierde nota van wijziging: fout op fout
Op de valreep van de behandeling van de Wvggz in de Tweede Kamer kwam de minister van VWS nog met een verandering die het – om het beleefd te zeggen – er niet beter op heeft gemaakt. Waar eerder de aanduiding van het toepasselijke procesrecht (de rekestprocedure van Rv) als art. 1:8 in de algemene bepalingen van de nieuwe wet was opgenomen, werd in de Vierde nota van wijziging de betreffende regeling ondergebracht in het bestaande art. 6:1, welke bepaling heel specifiek gaat over de verlening van een zorgmachtiging. Zoals hierna zal blijken ontstonden er daarmee hiaten wat betreft andere Wvggz-procedures.

Op de valreep van de behandeling van de Wvggz in de Tweede Kamer kwam de minister van VWS nog met een verandering die het – om het beleefd te zeggen – er niet beter op heeft gemaakt.

De met de Vierde nota van wijziging als het tiende lid van art. 6:1 geïntroduceerde nieuwe bepaling, welke nu deel uitmaakt van de definitieve tekst van de Wvggz, luidt (voor zover hier van belang) als volgt:

In aanvulling op hetgeen uit deze wet voortvloeit, zijn de regels inzake de verzoekprocedure uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing.

De bepaling werd als volgt toegelicht:

In het tiende lid is nu de verhouding met het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering geregeld. De eerste volzin vervangt het eerder voorgestelde in artikel 1:8, eerste lid. Die inhoud van dat eerder voorgestelde eerste lid is bij nader inzien niet zo helder over de wijze waarop het toepasselijke procesrecht moet worden bezien. De bedoeling is dat voor de procedure bij de rechter het bepaalde in de Wvggz uitgangspunt is, waarbij de bepalingen inzake de verzoekprocedure in eerste aanleg en cassatie uit het eerste en derde boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering aanvullend werken (en dan van overeenkomstige toepassing zijn). Uit de eerder voorgestelde formulering van het eerste lid van artikel 1:8 zou een omgekeerde benadering kunnen worden afgeleid, namelijk dat het aangehaalde uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering uitgangspunt is en enkel in de Wvggz hoeft te worden gekeken of hiervan wordt afgeweken. Dat laatste is dus niet de bedoeling. Zulks is nu ook niet het geval ter zake van het procesrecht, bedoeld in de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wbopz); daarin is ook geen bepaling als die van het eerder voorgestelde eerste lid van artikel 1:8 opgenomen. Voorgesteld wordt daarom om de bepaling op te nemen dat de regels inzake de verzoekprocedure uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing zijn, in aanvulling op hetgeen uit deze wet voortvloeit.*15

Een vaardige wetgever had moeten onderkennen dat hier werd gedwaald: als eerder aangegeven (zie § 4) is op de rechtspleging inzake de Wet Bopz de verzoekprocedure van Rv als lex generalis juist wél toepasselijk; in 2002 had dezelfde wetgever bewust art. 78 Wet Bopz geschrapt.

Op zich stond het de wetgever overigens vrij om de procedurele bepalingen van de Wvggz leidend te verklaren, met de verzoekregeling uit Rv als aanvullend procedureel raamwerk. Maar eigenlijk betrof het hier een open deur: vanzelfsprekend gaan de toegespitste regels van een lex specialis zoals de Wvggz, bóven die van de lex generalis die Rv is.

De nu in het tiende lid van art. 6:1 Wvggz gehanteerde formulering sluit wat betreft de overeenkomstige toepasselijkheid van de regels van het derde boek van Rv – de familiezakenprocedure – overigens niet meer aan bij de toelichting. Dat derde boek was en is (zie § 7) behoudens expliciete aanduiding dat het van overeenkomstige toepassing is (welke aanduiding nu in het tiende lid ontbreekt), voorbehouden aan andere zaken dan waar de Wvggz op ziet. De enkele vermelding in een toelichting – niet in de wet zelf – dat een andere procedurele regeling (mede) toepasselijk is, bewerkstelligt die toepasselijkheid niet.

§ 9. Afronding: burgerlijke rechter bevoegd, burgerlijk procesrecht toepasselijk?
Het oorspronkelijke regeringsontwerp ging uit van de gedachte dat in alle Wvggz-procedures de burgerlijke rechter bevoegd zou zijn en dat de rekestprocedure uit Rv de processuele inbedding zou bieden, maar het een noch het ander was in dat ontwerp ook expliciet neergelegd. Het is evident dat de wetgever in lijn met de Wet Bopz heeft willen afwijken van de anders vanzelfsprekende bevoegdheid van de bestuursrechter in dezen. De competentie van de burgerlijke rechter is zozeer geen punt van discussie geweest,*16 dat deze – ondanks dat een wettelijke aanwijzing in het wetsontwerp steeds heeft ontbroken en dus ook nu niet in de Wvggz staat – buiten twijfel moet worden geacht.

Gegeven de aangenomen bevoegdheid van de burgerlijke rechter, dringt zich de gedachte op van toepasselijkheid van diens 'standaard'-procesrecht, dat van Rv; een expliciete regeling op dat punt ontbrak evenwel. In de Eerste nota van wijziging werd de toepasselijkheid van de rekestprocedure alsnog uitdrukkelijk bepaald voor alle Wvggz-procedures. Dit laatste nam de wetgever weer terug in de Vierde nota van wijziging, toen die toepasselijkheid in art. 6:1 lid 10 Wvggz werd beperkt tot de machtigingsprocedure. In § 14 wordt verder ingegaan op het toepasselijke procesrecht.

Als het gaat om het toepasselijk procesrecht wordt de Wvggz als lex specialis aangemerkt, tegenover de verzoekprocedure van Rv als lex generalis.

Deel 4. Intermezzo: verplichte advocaatstelling, griffierecht en openbaarheid

§ 10. Moet verzoeker advocaat stellen?
Hierna worden alle afzonderlijke Wvggz-procedures nader bezien. Als het gaat om het toepasselijk procesrecht wordt de Wvggz als lex specialis aangemerkt, tegenover de verzoekprocedure van Rv als lex generalis.

Gelet op de toepasselijkheid van Rv geldt hier óók het bepaalde in het derde lid van art. 278 Rv:

Tenzij indiening bij de kantonrechter plaatsvindt of ingevolge bijzondere wettelijke bepaling niet door een advocaat behoeft te geschieden, wordt het verzoekschrift ondertekend door een advocaat.

Een bijzondere wettelijke bepaling als bedoeld in art. 278 Rv is er voor de officier van justitie: volgens art. 43 lid 2 Rv kan het openbaar ministerie in rechte optreden zonder tussenkomst van een advocaat (uitgezonderd de cassatieprocedure). Voor de verwerende partij in rekestprocedures geldt niet dat deze advocaat moet stellen, zo impliceert het genoemde art. 278 Rv. Uit art. 282 Rv volgt evenwel dat als een belanghebbende een verweerschrift wil indienen, dat wel degelijk door een advocaat dient te geschieden.

In dit verband behoeft de positie van de patiënt in een machtigingsprocedure bijzondere aandacht. Art. 1:7 Wvggz bepaalt voor een aantal procedures dat de rechtbank een advocaat aan betrokkene dient toe te voegen. Die toevoeging heeft als zodanig niet van doen met verplichte rechtsbijstand, maar louter met het creëren van een extra waarborg dat een in een kwetsbare positie verkerende persoon niet vermalen wordt door het systeem. Maar de toevoeging voorkomt de facto dat betrokkene bepaalde stappen niet zou mogen nemen omdat hij niet wordt vertegenwoordigd door een advocaat. Voor zover een toegevoegde advocaat bijvoorbeeld een verweerschrift indient (als er in de huidige Bopz-context al een schriftuur wordt overgelegd, wordt deze overigens gewoonlijk aangeduid als pleitnota) geldt voor hem dat hij betrokkene vertegenwoordigt als bedoeld in art. 282 Rv. Het een en ander samennemend levert op dat in vrijwel alle Wvggz-procedures de advocaatstelling geen probleem vormt; moeilijkheden dienen zich aan bij de regeling inzake beroep tegen een crisismaatregel (§ 17) en de klachtenprocedure (§ 22).

§ 11. Is er griffierecht verschuldigd?
De omstandigheid dat de hier besproken Wvggz-procedures zich afspelen ten overstaan van de burgerlijke rechter, werpt de vraag op of griffierecht in dezen een rol speelt.

De Wet griffierechten burgerlijke zaken (hierna: WGBZ) bepaalt in art. 3 dat voor de indiening van een verzoekschrift of een verweerschrift griffierecht wordt geheven, voor zover bij of krachtens deze wet of een andere wet niet anders is bepaald. Art. 4 houdt in dat geen griffierecht wordt geheven van het openbaar ministerie indien het ambtshalve optreedt, alsmede dat bij ministeriële regeling verdere vrijstellingen kunnen plaatsvinden. Dit laatste is niet gebeurd wat betreft de Wet Bopz.

Het oorspronkelijke regeringsontwerp van de Wvggz bevatte een algehele vrijstellingsregeling,*17 welke als volgt werd toegelicht:

Aangezien deze wet ziet op vergaande beperkingen van vrijheden van betrokkene en tot vrijheidsbeneming legitimeert op last van de Staat, is het niet wenselijk dat betrokkene griffierechten verschuldigd zou zijn om in rechte tegen deze beperkingen op te komen.*18

Nadien is de vrijstellingsregeling weer uit het ontwerp geschrapt omdat:

de vrijstelling voor griffierecht zal worden opgenomen in de Regeling griffierechten burgerlijke zaken.*19

Mocht dit laatste achterwege blijven, dan kan de hoop gevestigd worden op de Hoge Raad, die in 2012*20 bepaalde dat in zaken betreffende de Wet Bopz betrokkene geen griffierecht verschuldigd is; overwogen werd toen:

Het gaat bij de Wet Bopz (…) om procedures met betrekking tot maatregelen die vrijheidsbeneming meebrengen, voor het bestrijden waarvan geen financiële drempels behoren te worden opgeworpen”, waarna volgde “dat het ontbreken van Bopz-zaken in de opsomming van zaken die van de heffing van griffierecht zijn vrijgesteld in de Wgbz en de Regeling griffierechten burgerlijke zaken, op een misslag berust en dat de ontheffing, waarvoor, zoals overwogen, een klemmende grond bestaat, ook voor die zaken geldt.

Let wel: vrijstelling van de verplichting om griffierecht te voldoen wordt op zijn plaats geacht voor het openbaar ministerie als orgaan van de Staat en voor betrokkene als het gaat om (het bestrijden van) zijn vrijheidsbeperking. Zal de WGBZ zich hiertoe beperken, of geldt de vrijstelling straks ook voor anderen die acteren in een Wvggz-procedure?

§ 12. Openbaarheid van zitting en uitspraak
De bescherming van de persoonlijke levenssfeer (privacy) van de patiënt noopt vrijwel altijd tot het behandelen van Bopz-zaken achter gesloten deuren. Art. 4 RO schrijft evenwel voor dat “tenzij de wet anders bepaalt” op straffe van nietigheid rechtszittingen openbaar zijn. Het zou passend zijn als de Wvggz een generieke uitzondering had bevat, maar dat is niet het geval (net zomin als de Wet Bopz een dergelijke uitzondering kent). In § 7 is betoogd dat de algemene uitzonderingsbepaling van art. 803 Rv hier niet geldt.

Art. 27 Rv – welke bepaling mede voor Bopz-procedures relevant is – houdt in dat de rechter gehele of gedeeltelijke behandeling van een zaak met gesloten deuren of slechts met toelating van bepaalde personen kan bevelen, (onder andere) indien de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van een partij dit eist. Art. 6 EVRM*21 bepaalt met het oog op welke belangen op het beginsel van openbaarheid inbreuk mag worden gemaakt, onder meer als de bescherming van het privéleven van de procespartijen dit eist.

Dat een Wvggz-zitting niet-openbaar is, zal gelet op het vorenstaande telkens ad hoc moeten worden bepaald, op basis van de ook in art. 4 RO opgenomen regel dat om gewichtige, in het proces-verbaal te vermelden redenen het onderzoek geheel of gedeeltelijk met gesloten deuren kan plaatsvinden.

De huidige Bopz-zittingpraktijk wordt overigens dermate vereenzelvigd met niet-openbaarheid, dat deze zelden expliciet wordt benoemd; de rechter beslist in geval van vragen daarover wie aanwezig mag zijn;*22 dit zal onder de Wvggz niet anders zijn. Het eerste lid van art. 29 Rv bepaalt dat de uitspraak in het openbaar geschiedt. Een uitzondering is er niet gemaakt voor zaken die met gesloten deuren zijn behandeld en/of voor beschikkingen.*23 Op de eis van openbaarheid van de uitspraak behelst de Wvggz geen generieke uitzondering. De beslissing moet derhalve in het openbaar worden uitgesproken; nu machtigingsprocedures gewoonlijk met gesloten deuren worden behandeld geldt de bijzondere regel van het tweede lid van art. 29 Rv dat eeniederslechts een geanonimiseerd stuk ontvangt. In dit opzicht geeft de Wvggz op haar beurt evenwel een bijzondere regeling; een toe- of afwijzende beschikking moet volgens art. 6:4 door de griffier ter kennis van betrokkene en bepaalde derden worden gebracht; omdat het de kennisgeving zinledig zou maken, wordt in afwijking van art. 29 lid 4 Rv een afschrift voor deze derden niet geanonimiseerd.

De wetgever als verwarde man; suggesties voor het Wvggz-procesrecht

Deel 5. Het procesrecht in Wvggz-procedures

§ 13. Voor alle Wvggz-procedures geldende bepalingen
Als het gaat om gerechtelijke procedures die betrekking hebben op dwangtoepassing ten aanzien van psychiatrische patiënten, moet het ervoor worden gehouden, zo is in § 9 betoogd, dat de burgerlijke rechter bevoegd is.

Voor de onderscheidene gedingen van de Wvggz geeft de wet een wisselende aanduiding van het toepasselijke procesrecht, zo zal hierna blijken. Een gezamenlijk regime is er echter als het gaat om enkele processuele regels die in Hoofdstuk 1 staan, welk hoofdstuk gelet op het opschrift "Algemene bepalingen" relevant is voor elke Wvggz-procedure. Het betreft de volgende onderwerpen:

  • procesbekwaamheid ondanks civielrechtelijke beperking (minderjarigheid, curatele, mentorschap), art. 1:3 lid 8,
  • relatieve competentie, art. 1:6 leden 1 en 3 (en absolute competentie wat betreft de toepassing van de Wfz, art. 1:6 lid 2),
  • uitvoerbaarheid bij voorraad van alle uitspraken, art. 1:6 lid 4,
  • toevoeging van een advocaat, art. 1:7, en
  • tolkenbijstand, art. 1:8.

§ 14. Het procesrecht van de 'gewone' machtigingsprocedure
Hoofdstuk 6 van de Wvggz is eenduidig wat betreft de te volgen procedure nadat de officier van justitie een verzoek aan de rechtbank heeft gedaan tot verlening van een 'gewone' zorgmachtiging als bedoeld in art. 6:4. In de eerste negen leden van art. 6:1 staan regels over het horen, de aanwezigheid van de officier van justitie, getuigen en deskundigen, op te roepen personen en hoor en wederhoor. In het tiende lid is bepaald dat de verzoekprocedure van Rv aanvullend toepasselijk is. Voorts behelst Hoofdstuk 6 bepalingen over de beslistermijn (art. 6:2), de inhoud van de uitspraak (art. 6:4)*24 en het rechtsmiddel (art. 6:3).

Opgemerkt moet worden dat de Wvggz geen afzonderlijke machtiging kent als het gaat om verlenging van een van kracht zijnde machtiging waarvan de geldigheidsduur teneinde loopt. De Wet Bopz verlangt na een "voorlopige machtiging" (art. 2) een "machtiging voortgezet verblijf" (art. 15), maar een vergelijkbaar regime kent de nieuwe wet niet: als de geldigheidsduur van een machtiging ex art. 6:4 ten einde loopt, kan de officier van justitie als opvolgende maatregel andermaal eenzelfde machtiging verzoeken (zie art. 6:6 sub a), ter gelegenheid waarvan overigens een verandering mag worden aangebracht in de verplichte zorg; een afzonderlijke wijzigingsprocedure (zie § 20) wordt dan vermeden.

§ 15. Aanname: de verzoekprocedure van Rv is ook buiten de 'gewone' machtigingsprocedure aanvullend toepasselijk
Als het gaat om andere rechtszaken dan die betreffende een zorgmachtiging als bedoeld in art. 6:4, is het procesrecht met veel vraagtekens omgeven. Nu eens wordt het processuele raamwerk van art. 6:1 overgenomen, dan weer wordt enig bijzonder procesrecht gegeven of ontbreekt zelfs elke voorziening; in deel 6 wordt dit verder beschreven.

Omdat (zo blijkt uit deel 3 van dit betoog) de wetgever geen twijfel heeft laten bestaan dat het zijn bedoeling is geweest dat de bijzondere regels van de eerste negen leden van art. 6:1 Wvggz leidend zullen zijn in rechtszaken op grond van deze wet, alsmede dat de verzoekprocedure van Rv een aanvullende rol zal vervullen in Wvggz-procedures, moet het (ook omdat geen ánder algemeen procesrecht is aangeduid als relevant) er voor worden gehouden dat in andere Wvggz-procedures dan die betreffende de 'gewone' zorgmachtiging eveneens uitgangspunt is het procesrecht van art. 6:1 Wvggz, aangevuld door de algemene bepalingen van de verzoekprocedure van Rv. De wetgever is eenvoudigweg vergeten om, toen hij art. 6:1 lid 10 introduceerde (en tezelfdertijd de algemene regeling van art. 1:8 schrapte), genoemd tiende lid toepasselijk te doen zijn bij de andere procedures. Opgemerkt kan hier nog worden dat uit geen enkele uitlating van de wetgever blijkt dat hij de algemene regeling van Rv vanwege enigerlei reden niet toepasselijk wilde doen zijn. Nu ook een alternatief procesrecht in de plaats van dat van Rv door de wetgever niet is aangereikt, is onvermijdelijk dat de rechter opteert voor Rv als mede-toepasselijke lex generalis.

Deel 6. Het procesrecht in andere zaken dan de 'gewone' machtigingsprocedure

§ 16. De acht andere procedures, algemeen
Voor gerechtelijke procedures die rechtstreeks betrekking hebben op dwangtoepassing ten aanzien van psychiatrische patiënten, moet het er dus voor worden gehouden dat (naast de bepalingen uit Hoofdstuk 1 van de wet) als procesrecht geldt:

  • de leden 1 tot en met 8 van art. 6:1 Wvggz en
  • de algemene rekestregeling van Rv, welke regeling als lex generalis de Wvggz aanvult.

De acht Wvggz-procedures die rechtstreeks betrekking hebben op dwangtoepassing op psychiatrische patiënten, maar zelf niet strekken tot verkrijging van een 'gewone' zorgmachtiging als bedoeld in art. 6:4, worden hierna in de paragrafen 17 tot en met 24 opgesomd en voorzien van enige kanttekeningen. In alle gevallen is het uitgangspunt hetgeen in § 15 werd betoogd, namelijk dat het procesrecht dat geldt voor de machtiging van art. 6:4 overeenkomstig toepasselijk is; dit uitgangspunt zal verder onvermeld blijven. Ook de uit de toepasselijkheid van de bepalingen van (met name de verzoekprocedure uit) Rv voortvloeiende regels inzake procesvertegenwoordiging (zie § 10) en openbaarheidsregels (zie § 12) blijven verder onbenoemd. Datzelfde geldt voor de eventuele verschuldigdheid van griffierecht (zie § 11). Uitsluitend als er in verband met dit een en ander iets bijzonders speelt, wordt er meer over gezegd. Soortgelijk is aan de orde als het gaat om rechtsmiddelen: alleen als de wet niets regelt of wél hoger beroep toestaat, krijgt dat aandacht.

Deze beroepsregeling roept de vraag op wat de zin ervan is: wat schiet betrokkene ermee op?

§ 17 Beroep tegen crisismaatregel, art. 7:6
Betrokkene kan bij de rechter "door middel van een schriftelijk en gemotiveerd verzoek" beroep instellen tegen de crisismaatregel. Een dergelijke voorziening kent de Wet Bopz niet als het om een inbewaringstelling gaat; de toelichting luidde:*25

De rechterlijke toetsing die na afloop van de crisismaatregel plaatsvindt nadat een verzoek is gedaan voor aansluitende zorgmachtiging, biedt niet de beoogde rechtsbescherming van betrokkene. De rechterlijke toetsing bij de voortzetting biedt alleen de mogelijkheid om de rechtmatigheid van de voortzetting van de verplichte zorg te toetsen, maar niet de rechtmatigheid van de crisismaatregel. Mede gelet op de eisen die het EVRM stelt aan toegang tot de rechter bij vrijheidsbeneming van personen met een psychische stoornis, is het wenselijk dat betrokkene met een rechtsmiddel tegen de crisismaatregel op kan komen, anders dan via een verzoek om schadevergoeding,

waarbij bij dit laatste werd verwezen naar de hierna in § 25 besproken regeling van art. 10:12.

Deze beroepsregeling roept de vraag op wat de zin ervan is: wat schiet betrokkene ermee op? De rechtsgang doet enigszins denken aan die van een Awb-beroep, maar de in art. 8:72 Awb opgesomde mogelijkheden in geval van gegrondverklaring van een beroep (bijvoorbeeld: vernietiging van het besluit) zijn in de Wvggz-context niet aan de orde. Indien betrokkene het oog heeft op een schadevergoeding, kan deze uitsluitend verkregen worden via een dagvaardingsprocedure gebaseerd op onrechtmatige daad of – veel eenvoudiger – via de hierna in § 24 bedoelde schadevergoedingsprocedure.

De beroepsregeling zou weleens geheel een dode letter kunnen blijven, ook gelet op de verplichting van advocaatstelling. Deze verplichting werpt – mede omdat verplichte toevoeging (zie § 10) ontbreekt – een (te) hoge drempel op, maar is wél de consequentie van het wettelijk systeem. Betrokkene zal overigens geen griffierecht verschuldigd zijn (zie § 11).

Inzake het procesrecht geldt dat art. 7:6 de eerste leden van art. 6:1 grotendeels van toepassing verklaart; het tiende lid van art. 6:1 (over de toepasselijkheid van Rv) is in dat verband echter niet vermeld.

§ 18 Verlenging crisismaatregel, art. 7:7 e.v.
In art. 7:8 worden de eerste negen leden van art. 6:1 grotendeels van overeenkomstige toepassing verklaard op de procedure strekkende tot verkrijging van een rechterlijke machtiging tot verlenging van de crisismaatregel; het tiende lid van art. 6:1 is in dat verband echter niet vermeld. Zie voor het toepasselijke procesrecht verder § 16.

§ 19 De op een verlengde crisismaatregel aansluitende zorgmachtiging, art. 7:11
Voor de verlening van een zorgmachtiging die aansluit op een verlengde crisismaatregel geldt (na een verzoek op basis van art. 7:11 jo. Hoofdstuk 5) art. 6:1 onverkort, zo volgt uit de bewoordingen van art. 6:1. Zie daarover verder § 14.

§ 20 Wijziging machtiging verplichte zorg, art. 8:12
De artikelen 8:11 tot en met 8:13 bieden een regeling voor tijdelijke verplichte zorg in noodsituaties. Kort weergegeven gaat het hierom. Als een reeds bestaande zorgmachtiging niet voorziet in de mogelijkheid om verplichte zorg van een bepaalde inhoud te verlenen, maar zulke zorg ter afwending van een noodsituatie noodzakelijk is, mag de zorgverantwoordelijke (de behandelaar) die zorg tijdelijk verlenen. Als deze dwang langer dan drie dagen moet duren, kan de officier van justitie de rechtbank verzoeken om een wijziging van de zorgmachtiging. De daaropvolgende rechtbankprocedure is in de wet processueel in het geheel niet verder uitgewerkt. Dat is opmerkelijk, omdat twee verwante procedures wél zijn ingevuld:

  • voor de verlenging van een crisismaatregel geeft art. 7:8 een procedureel raamwerk door gedeeltelijke toepasselijkverklaring van art. 6:1 (zie § 18) en
  • voor de verlening van zorgmachtiging die aansluit op een verlengde crisismaatregel geldt art. 6:1 onverkort (zie § 19).

Art. 6:1 zelf is formeel niet toepasselijk op een procedure strekkende tot wijziging van een machtiging, omdat deze bepaling uitsluitend ziet op reguliere machtigingsverzoeken, niet op een wijzigingsverzoek als hier bedoeld. Zie voor het toepasselijke procesrecht verder § 16. Art. 8:12 sluit hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank niet uit, maar misschien moet het er toch maar voor worden gehouden dat louter cassatie mogelijk is nu de vergelijkbare ándere Wvggz-regelingen steevast dat stramien volgen.

§ 21 Beëindiging verplichte zorg, art. 8:19
Op een enigszins vergelijkbare wijze waarop art. 49 Wet Bopz de ontslagprocedure regelt, biedt de Wvggz in art. 8:19 de mogelijkheid dat via het openbaar ministerie de beslissing van de rechtbank wordt verkregen omtrent een aanvraag tot beëindiging van verplichte zorg.

Hier kan erop worden gewezen dat wensen om overplaatsing, om een tijdelijke onderbreking of om een wijziging van de verplichte zorg (steeds: iets anders dan algehele beëindiging), geen onderwerp kunnen vormen van de art. 8:19-procedure. In art. 8:19 is het alles of niets, er is geen regeling die vergelijkbaar is met die van de artikelen 46 en 47 jo. art. 49 Wet Bopz. Maar, anders dan nu, heeft in de Wvggz het klachtrecht betekenis bij beslissingen inzake overplaatsing, onderbreking en voorwaardelijke beëindiging; zie over de klachtprocedure verder hierna.

Basis van een art. 8:19-procedure is een onbevredigende reactie van de geneesheer-directeur op een beëindigingsverzoek dat – zie art. 8:18 lid 1 – kan worden ingediend door betrokkene, de vertegenwoordiger als bedoeld in art. 1:3, de advocaat (!) of de zorgverantwoordelijke (de behandelaar). Na een afwijzende of niet-tijdige beslissing van de geneesheer-directeur kan door allen het openbaar ministerie worden gevraagd de beslissing van de rechter in te roepen. Art. 8:19 maakt gewag van een in dat verband vervolgens ingediend 'verzoekschrift' van de officier en biedt verder enig procesrecht, maar een toepasselijkverklaring van de eerste negen leden van art. 6:1 op de procedure ontbreekt, laat staan dat het tiende lid van art. 6:1 wordt genoemd. Zie voor het toepasselijke procesrecht verder § 16.

Verplichte advocaatstelling (zie § 12) speelt geen rol nu het openbaar ministerie de verzoekende partij is; een probleem ontstaat wellicht als de geneesheer-directeur formeel een verweerschrift indient. Het openbaar ministerie en betrokkene zijn geen griffierecht verschuldigd (zie § 13). De vraag dient zich aan of de geneesheer-directeur zal worden vrijgesteld van griffierecht. Anderen zijn geen 'partij' en als zodanig geen griffierecht verschuldigd.

§ 22 Klachtenprocedure, art. 10:1 e.v.
De derde paragraaf van Hoofdstuk 10 behelst enig procesrecht voor het geval dat door middel van een 'verzoekschrift' in 'beroep' wordt opgekomen tegen een beslissing van de klachtencommissie. De gegeven regels houden in:

  • een opsomming van de personen die zich als verzoekende partij tot de rechter kunnen wenden; tot die personen behoort uiteraard de patiënt, maar ook – een opmerkelijke nouveauté ten opzichte van de Wet Bopz – de zorgaanbieder (art. 10:7),
  • een opsomming van de personen die in de gelegenheid moeten worden gesteld om te worden gehoord, alsmede een overeenkomstige toepasselijkverklaring van het tweede tot en met achtste lid van art. 6:1 (art. 10:8),
  • een schorsingsmogelijkheid voor de rechter, de voor de rechter geldende beslistermijn, alsmede uitsluiting van hoger beroep (art. 10:9) en tot slot
  • een omschrijving van de mogelijke beslissingen van de rechtbank (art. 10:10).

Aannemende dat de verzoekprocedure van Rv hier geldt (zie § 16), dient zich de vraag aan of een verzoek door een advocaat moet worden ingediend. In § 10 is vermeld dat in Wvggz-procedures waarin het openbaar ministerie verzoekende partij is, de verplichte procesvertegenwoordiging geen probleem vormt. De klachtenregeling is een van de Wvggz-procedures waarin de officier van justitie niet de verzoekende partij is. Voor de patiënt die een klacht aan de rechtbank voor wil leggen, bestaat er toevallig een 'bypass': het eerste lid van art. 1:7 houdt in dat de rechter een last tot toevoeging geeft in geval betrokkene beroep instelt tegen een beslissing van de klachtencommissie. Voor de patiënt is er daarmee slechts het formele probleem dat hij éérst met een advocaat een beroepschrift moet indienen voordat toevoeging kan geschieden. Een soortgelijk probleem doet zich voor bij klachtzaken onder de Wet Bopz; daaraan wordt in de praktijk een mouw gepast (de advocaat die het verzoekschrift opstelt, vraagt daarin toevoeging van zichzelf).
Maar de zorgaanbieder bijvoorbeeld heeft geen aanspraak op toevoeging; hij zal zelf een advocaat moeten bekostigen.

Tot slot: betrokkene is (zie paragraaf § 13) geen griffierecht verschuldigd. Maar zal de vrijstelling ook gaan gelden voor de andere verzoekers? Het ligt voor de hand om tenminste de vertegenwoordiger die ten behoeve van en namens betrokkene optreedt, op één lijn te stellen met de patiënt.

§ 23 Schadevergoeding in klachtzaak, art. 10:11
De wet bepaalt dat de verzoeker bij de klachtencommissie alsmede in geval van beroep bij de rechter tevens een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding door de zorgaanbieder kan verzoeken. De rechter kan op zo'n verzoek afzonderlijk beslissen en zelfs ambtshalve tot schadevergoeding besluiten. Het letterlijk enige processuele voorschrift dat art. 10:11 voor het overige bevat is dat de rechter de zorgaanbieder hoort voordat hij beslist over een schadevergoeding. Zie voor het toepasselijke procesrecht verder § 16.
Voor zover hier om een schadevergoeding ten gunste van betrokkene wordt verzocht, geldt wat betreft de verplichte procesvertegenwoordiging hier hetzelfde als werd geschreven in § 22.
Nu de schadevergoeding voortvloeit uit/samenhangt met de klachtzaak, zal betrokkene geen griffierecht verschuldigd zijn; voor andere partijen die een verweerschrift indienen, lijkt het minder zeker dat de komende vrijstellingsregeling hen zal noemen.

Tot slot: een klachtzaak in hoger beroep is uitgesloten (zie art. 10:9), maar geldt dat ook voor een 'afgesplitste' procedure? Het lijkt logisch aan te nemen dat ook dan geen hoger beroep (slechts cassatie) mogelijk is.

§ 24 Schadevergoeding wegens niet-inachtneming van de wet, art. 10:12
Door of namens betrokkene kan aan de rechtbank een schadevergoeding worden verzocht wegens het niet in acht nemen van de wet door de burgemeester, de gemeente, de geneesheer-directeur, de officier van justitie, de rechter en andere daar genoemde actoren, waarbij telkens wordt aangegeven dat het een vergoeding naar billijkheid betreft. Buiten de vermelding dat de rechtsingang een 'verzoek' is, ontbreekt in de wet elke aanduiding welk processueel kader geldt.

Voor zover hier om een schadevergoeding ten gunste van betrokkene wordt verzocht, geldt wat betreft de verplichte advocaatstelling hetzelfde als inzake het beroep tegen de crisismaatregel werd geschreven in § 17.
Afgewacht moet worden of de in de ministeriële regeling neer te leggen vrijstelling van griffierecht (zie § 11) voor betrokkene ook een schadevergoedingsprocedure als deze zal omvatten. Het ligt voor de hand om de vertegenwoordiger die ten behoeve van en namens betrokkene optreedt, in dezen op één lijn te stellen met de patiënt. Niet-onwaarschijnlijk is dat de vrijstellingsregeling zich niet zal uitstrekken tot de verwerende partij in deze zaken. Nu de wet hier hoger beroep niet uitsluit, kan in appèl worden gekomen van de uitspraak van de rechter; dat verschilt niet van de mogelijkheden die de vergelijkbare regelingen van art. 28 en art. 35 Wet Bopz thans bieden.

De Wvggz voorziet ook in mogelijkheden van bestuursrechtelijke en strafrechtelijke handhaving, zie Hoofdstuk 13 van die wet. Het behoeft geen betoog dat dergelijke zaken worden behandeld door de bestuursrechter respectievelijk de strafrechter volgens hun eigen procesrecht.

Zie mijn proefschrift Doen en laten in de Bopz-machtigingsprocedure (diss. RuG), Reeks gezondheidsrecht nr. 21, Den Haag: Vermande 2003.

Wet van 23 december 1993, Stb. 1993, 690 (‘Bezemwet’).

Kamerstukken II 1992/93, 23258, 3, p. 70.

Wet van 6 december 2001, Stb. 2001, 584 (Aanpassingswet modernisering rechterlijke organisatie).

Wet van 6 december 2001, Stb, 2001, 580.

Wet van 6 december 2001, Stb. 2001, 581 (Aanpassingswet herziening burgerlijk procesrecht).

Kamerstukken II 2000/01, 27824, 3, p. 28.

Kamerstukken II 2009/10, 32399, 2

Kamerstukken II 2009/2010, 32399, 3, p. 26

Kamerstukken II 2013/14, 32399, 10.

Kamerstukken II 2015/16, 32399, 25, p. 125.

De zesde titel van Boek 3 Rv betreft, gelet op de wetsgeschiedenis (zie J.E. Doek, Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, Boek 3, Titel 6, Inleiding) uitsluitend het procederen in zaken aangaande Boek 1 BW.

Kamerstukken II 2015/16, 32399, 25, p. 93.

Kamerstukken II 2016/17, 32399, 39 (Vierde NvW), p. 29/30.

Ook bijvoorbeeld bij het ontwerp van (thans) art. 14:1 van de wet, houdende plaatsing van de Wvggz op de 'negatieve lijst' van art. 8:5 Awb, is in de toelichting geen woord gewijd aan de bevoegdheid van de civiele rechter.

Kamerstukken 2009/10, 32399, 2 (ORO), art. 2:4 lid 5.

Kamerstukken 2009/10, 32399, 3 (MvT), p. 51/52.

Kamerstukken 2015/16, 32399, 25 (Tweede NvW), p. 151.

HR 30 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV2028, JVggz 2012/14, m.nt. W.J.A.M. Dijkers.

Art. 6 EVRM behelst basisvoorwaarden voor een eerlijk proces, die ook in art. 5 EVRM-procedures als die betreffende dwangopneming in een psychiatrisch ziekenhuis, toepasselijk zijn, zie mijn noot sub 2 onder EHRM 27 maart 2008 (Shtukaturov), BJ 2008/41.

Zie bijv. HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3684, JVggz 2015/3, m.nt. W.J.A.M. Dijkers.

Art. 121 Gw en art. 5 RO zijn wat betreft de openbaarheid van rechterlijke uitspraken zo geredigeerd, dat beschikkingen er wél buiten vallen.

Zie daarover: W.J.A.M. Dijkers, "Specificatie van de zorgmachtiging onder de Wvggz", JGGZR 2018(3)40.

Kamerstukken II 2009/10, 32399, 3 (MvT), p. 80/81.

Top