07 2018

Artikel

De Regelrechter, de nieuwe pilot bij de rechtbank Rotterdam

De rechtbank Rotterdam biedt sinds kort de mogelijkheid aan partijen om in een snelle en goedkope procedure op eenvoudige wijze een geschil aan de kantonrechter voor te leggen. De Rotterdamse Regelrechter gaat in deze laagdrempelige procedure, in gezamenlijk overleg met de betrokken partijen, actief op zoek naar een minnelijke oplossing. De pilot zal in beginsel vijftien maanden duren. 

In onderstaande bijdrage wordt de pilot van de Rotterdamse Regelrechter beschreven, die recent bij de rechtbank Rotterdam van start is gegaan. Eerst wordt de aanleiding en de probleemstelling beschreven, waarna vervolgens ingezoomd wordt op de werkwijze van de Regelrechter en het soort zaken dat in het kader van deze pilot wordt behandeld. De bijdrage sluit af met een conclusie.

De Regelrechter, de nieuwe pilot bij de rechtbank Rotterdam

Bron: Rechtbank Rotterdam



1. Aanleiding en probleemstelling


1.1 Maatschappelijk effectieve rechtspraak
In het Meerjarenplan Rechtspraak 2015-2020 is het investeren in snelle, toegankelijke en deskundige rechtspraak als een belangrijk speerpunt naar voren gebracht. Daarbij is als vanzelfsprekend benoemd dat de Rechtspraak dit mogelijk maakt. Voorts is door de Raad voor de rechtspraak in 2016 uitgesproken dat hij nadrukkelijk wil investeren in ‘maatschappelijk effectieve rechtspraak’.*1 Dit is door hem aldus gedefinieerd:

dat rechtspraak maatschappelijk effectief is als daarbij tijd en aandacht kan worden besteed aan eventuele onderliggende en niet of minder juridische kwesties en maatschappelijke problematiek, als de rechter laagdrempelig is en wordt ingezet in alle zaken waarin die inzet voor de burger relevant is, als de beslissing van de rechter toegevoegde waarde heeft en de rechter geen stempelmachine is en als de rechter de gerechtvaardigde verwachtingen van de burger ook waarmaakt.

Vaak wordt de kritiek gehoord dat bestaande juridische procedures complex zijn en niet altijd tegemoet komen aan de wens van burgers om alledaagse problemen op eenvoudige en laagdrempelige wijze, effectief op te lossen.*2 Maatschappelijk effectieve rechtspraak vereist innovatieve wetgeving die ruimte biedt aan de rechter om te experimenteren met eenvoudige procedures die partijen bij elkaar brengen en waarbij conflicten niet (verder) op de spits worden gedreven. Om die reden is in het regeerakkoord opgenomen dat er wetgeving zal komen die experimenteren mogelijk maakt. In het regeerakkoord worden voorts experimenten aangekondigd met Buurtrechters. De Buurtrechters, zo is het idee, zullen regelmatig ‘in de buurt’ zitting hebben. De procedure is gericht op juridisch eenvoudige zaken waarbij een laag bedrag aan griffiegeld wordt geheven. De Buurtrechters, veelal kantonrechters, hebben als insteek om partijen in gezamenlijk overleg tot finale beslechting van hun geschil te laten komen.

Kenmerkend is de mondelinge behandeling op de zitting zonder voorafgaande uitwisseling van uitgebreide processtukken waardoor een zaak niet al bij aanvang is ‘gejuridiseerd’.

In het hiervoor geschetste kader is de rechtbank Noord-Nederland in 2016 de pilot Spreekuurrechter gestart, een experimentele vorm van gerechtelijke geschilbeslechting die beoogt toegankelijk, snel en laagdrempelig contact met de rechter te bieden, gericht op het oplossen van geschillen. Kenmerkend is de mondelinge behandeling op de zitting zonder voorafgaande uitwisseling van uitgebreide processtukken waardoor een zaak niet al bij aanvang is ‘gejuridiseerd’. De procedure beoogt aanvullend te zijn op de reguliere rechtspraak en is gericht op partijen die normaliter de rechtspraak niet bereiken.

Uit onderzoek naar de resultaten van de pilot Spreekuurrechter en de ervaringen van de aan de pilot deelnemende partijen is gebleken dat de geboden vorm van geschilbeslechting door hen in overwegende mate is ervaren als snel, laagdrempelig en goedkoop ten opzichte van de reguliere civiele procedure. Daarbij komt dat in 87% van de gevallen het geschil na tussenkomst van de Spreekuurrechter in een minnelijke regeling is geëindigd.*3 Gesteld kan dan ook worden dat de Spreekuurrechter bijdraagt aan een maatschappelijk effectieve rechtspraak, welke conclusie ook wordt onderschreven door de rechters en juridische ondersteuning die aan de pilot hebben deelgenomen.

Helaas heeft het bestuur van de rechtbank van Noord-Nederland besloten om de pilot te beëindigen, onder meer vanwege het feit dat geen aanvullende financiële middelen beschikbaar zijn gesteld voor continuering van de pilot. Inmiddels is het evaluatierapport van de Spreekuurrechter op rechtspraak.nl gepubliceerd.*4 Daarin wordt de pilot van de Spreekuurrechter beoordeeld als een “gekwalificeerd succes”. Er is sprake van een hoog schikkingspercentage en de meeste partijen zijn (zeer) positief over zowel het optreden van de Spreekuurrech­ter als de uitkomst van de procedure. Vooral bij burengeschillen lijkt de Spreekuur­rechter bij te dragen aan een verbeterde, laagdrempelige toegang tot de Recht­spraak. In het evaluatierapport wordt echter ook een aantal nuanceringen aangebracht bij het succes van de pilot Spreekuurrechter. Het wettelijke gezamenlijkheidsvereiste betekent dat een partij weliswaar eenzijdig zijn of haar geschil kan voorleggen aan de verwijzers, maar dat de Spreekuurrechter deze zaak alleen in behandeling kan nemen na instem­ming van de wederpartij. In de praktijk betekent dit dat er veel meer geschillen in eerste instantie bij de Spreekuurrechter worden aangemeld dan dat er (kunnen) wor­den behandeld. Het gezamenlijkheidsvereiste betekent ook dat het Bureau Spreekuur­rechter relatief veel tijd moet investeren om (bij eenzijdig aangemelde zaken) de wederpartijen te benaderen, te informeren, voor te lichten en eventueel te bewegen om mee te werken aan de pilot door hun geschil te laten behandelen door de Spreekuurrechter. Dit maakt (in deze gevallen) de procedure arbeidsintensief en daar­door ook relatief kostbaar. Ten slotte wordt in het evaluatierapport geconcludeerd dat het succes van de Spreekuurrechter mede bepaald wordt door een aantal (tijdelijke en bijzondere) kenmerken van de pilot, zoals de beperking van het aantal verwijzers, het lage griffierecht en het met voorrang inroos­teren van zaken. In het evaluatierapport wordt de vraag opgeworpen in hoeverre deze elementen gehandhaafd kunnen worden als de Spreekuurrechter een meer blijvend karakter krijgt.

1.2. De Rotterdamse Regelrechter
De positieve ervaringen in Noord-Nederland zijn voor de rechtbank Rotterdam aanleiding geweest om met ingang van 15 september 2018 op beide locaties, dus zowel in Rotterdam als in Dordrecht, te starten met het project van de Rotterdamse Regelrechter (hierna: RRR). In het kader van dat project biedt de rechtbank Rotterdam de mogelijkheid aan partijen om in een snelle en goedkope procedure op eenvoudige wijze een geschil aan de kantonrechter voor te leggen.

Partijen leggen in hun eigen woorden aan de rechter het tussen hen bestaande geschil voor. Vervolgens zal de rechter met partijen het gesprek aangaan om te trachten het probleem in onderling overleg op te lossen.

De indruk bestaat dat nu relatief vaak geschillen onopgelost blijven, omdat de drempel om die geschillen aan de rechter voor te leggen te hoog is. Met de laagdrempelige procedure die de RRR biedt, wordt die drempel hopelijk geslecht, waarbij ook van belang is dat de procedure zo is ingericht dat het niet noodzakelijk is dat partijen zich laten bijstaan door een juridisch geschoolde gemachtigde. Uiteraard staat het partijen wel vrij om zich te laten bijstaan door een gemachtigde of advocaat. Partijen leggen in hun eigen woorden aan de rechter het tussen hen bestaande geschil voor. Vervolgens zal de rechter met partijen het gesprek aangaan om te trachten het probleem in onderling overleg op te lossen. Blijkt dat niet mogelijk, dan zal de kantonrechter uiteindelijk de knoop in een vonnis doorhakken. Zo nodig zal hij partijen van tevoren verzoeken om aanvullende stukken in het geding te brengen en eventueel aanvullende vragen (mondeling of schriftelijk) te beantwoorden.

Kernwoorden voor de procedure van de RRR zijn derhalve:

  • snel;
  • goedkoop;
  • eenvoudig;
  • probleemoplossend.

Hierna zullen die kernwoorden verder toegelicht worden.

1.3. Wettelijke basis voor de RRR
Als wettelijke basis voor het project van de RRR geldt artikel 96 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Het eerste lid van artikel 96 Rv biedt partijen de mogelijkheid om in alle zaken die slechts rechtsgevolgen betreffen die ter vrije bepaling van partijen staan, zich gezamenlijk tot de kantonrechter van hun keuze te wenden en zijn beslissing in te roepen. Met ingang van 1 september 2017 is een nieuw lid 2 aan artikel 96 Rv toegevoegd, dat het mogelijk maakt dat een van partijen zich tot de kantonrechter wendt. Vervolgens is het aan de kantonrechter om te onderzoeken of de wederpartij bereid is medewerking te verlenen aan de beslechting van het tussen partijen bestaande geschil op basis van artikel 96 Rv. Blijkt die partij daartoe bereid te zijn, dan kan de zaak op basis van artikel 96 Rv beslecht worden. Mocht blijken dat die partij daartoe niet bereid is, dan dient de verzoeker alsnog een reguliere dagvaardingsprocedure in gang te zetten en de andere partij voor de kantonrechter te dagvaarden. Aan die procedure zijn in de regel niet alleen hogere kosten verbonden, maar bovendien duurt die procedure in de regel veel langer. De procedure van de RRR, die nu is ingesteld bij de rechtbank Rotterdam, biedt de Rechtspraak in zijn algemeenheid de mogelijkheid om te experimenteren met de mogelijkheden die artikel 96 Rv biedt.*5 In dat verband is van belang dat inmiddels bij verschillende andere gerechten experimenten worden ontwikkeld met betrekking tot procedures die geënt zijn op artikel 96 Rv. Zo start de rechtbank Den Haag met het project van de Wijkrechter.

1.4. Doelgroep en zaken
Bij het soort zaken die aan de RRR kunnen worden voorgelegd, valt onder meer te denken aan huurzaken, consumentenzaken, geldvorderingen, schades en burenruzies. Bij huurzaken valt te denken aan huurachterstanden, overlastsituaties en geschillen over servicekosten. In geval van consumentenzaken kan men denken aan non-conformiteit van een keuken of een geschil over lidmaatschapskosten. Ook kunnen arbeidszaken in het kader van het project worden voorgelegd aan de RRR. Te denken valt bijvoorbeeld aan situaties waarbij het overleg tussen werkgever en werknemer vastloopt ten aanzien van een functionerings- of re-integratietraject omdat partijen een deelprobleem niet kunnen oplossen. Ook een dergelijk deelprobleem zou aan de RRR voorgelegd kunnen worden. Wanneer dat deelprobleem is opgelost - óf door een minnelijke regeling bij de RRR óf door een uitspraak van de RRR - kunnen partijen vervolgens weer verder. Daarnaast kan ook de hulp van de RRR worden ingeroepen indien in een mediationtraject op een deelaspect geen overeenstemming kan worden bereikt. Ook valt te denken aan een vastgelopen overleg om een all-in vertrekregeling in een ontslagzaak te treffen.

Incassozaken zullen zich als regel minder lenen voor afdoening door de RRR. Wel is denkbaar dat partijen alsnog door de dagvaarding met elkaar in gesprek raken en overeenstemming bereiken over afdoening van het tussen hen gerezen geschil door de RRR. Denkbaar is dat de eiser in die setting besluit om de dagvaarding niet aan te brengen bij de rechtbank, zodat geen griffierecht verschuldigd is en partijen besluiten de zaak aan te melden bij de RRR. In dat geval is enkel het lage griffierecht verschuldigd en kan het verschil met het griffierecht voor de reguliere procedure eventueel ingezet worden om een minnelijke regeling mogelijk te maken.

Bestuurszaken en de meeste soorten familiezaken lenen zich niet voor het project. Niet alleen is de kantonrechter in dat soort zaken niet bevoegd, maar bovendien gelden voor dat soort zaken vaak specifieke wettelijke regelingen en is de Raad voor de Kinderbescherming en Jeugdzorg vaak betrokken bij familiezaken.

In Rotterdam is ervoor gekozen om advocaten, deurwaarders, woningcorporaties, vakbonden, (deel)gemeentes en rechtsbijstandsverzekeraars te informeren over het project en hen in staat te stellen om in het kader van de RRR zaken aan te brengen.

De zaken kunnen worden aangebracht door partijen zelf, maar ook door advocaten, deurwaarders en andere rechtshulpverleners. In Rotterdam is ervoor gekozen om advocaten, deurwaarders, woningcorporaties, vakbonden, (deel)gemeentes en rechtsbijstandsverzekeraars te informeren over het project en hen in staat te stellen om in het kader van de RRR zaken aan te brengen. Dit in tegenstelling tot Noord-Nederland waar ervoor gekozen is om alleen zaken van enkele rechtsbijstandsverzekeraars te behandelen in het kader van de pilot.*6 Die keuze heeft de nodige kritiek opgeleverd.*7 Ook in het hiervoor bedoelde evaluatierapport wordt de beperking van het aantal verwijzers als aandachtspunt genoemd.*8 Met de pilot wordt beoogd om ook de groep justitiabelen te bereiken voor wie de reguliere rechtsgang minder toegankelijk is omdat procederen voor hen ingewikkeld is, een advocaat of andere gemachtigde nodig is, of procederen kostbaar is. Om die reden is aan de start van het project van de RRR de nodige (media)aandacht besteed. Tevens zijn alle gemeentes binnen het rechtsgebied van de rechtbank Rotterdam over het project geïnformeerd, zodat de gemeentelijke diensten voor eventuele doorverwijzing naar de RRR kunnen zorgdragen.

Het Bureau van de RRR verschaft desgewenst nadere informatie over de aard van de zaken die in het kader van het onderhavige project behandeld worden. De Regelrechter heeft een eigen bureau, dat bemand is door juridisch medewerkers.*9

Het project van de RRR heeft vooralsnog een looptijd van ruim vijftien maanden, ingaande 15 september 2018 en eindigend op 31 december 2019. Er wordt naar gestreefd in die periode minimaal 100 zaken te behandelen.

1.5. Kernwoorden van de procedure van de RRR
Hiervoor zijn de kernwoorden van de procedure van de RRR al verwoord, te weten:

  • snel;
  • goedkoop;
  • eenvoudig;
  • probleemoplossend.

Snel
Aan het kernbegrip snel wordt invulling gegeven doordat de RRR als regel binnen enkele weken na ontvangst van het verzoekschrift een mondelinge behandeling zal gelasten. Dit in tegenstelling tot een dagvaardingsprocedure waarbij het procesreglement de wederpartij de mogelijkheid biedt om meerdere keren vier weken uitstel te vragen voor het indienen van een conclusie van antwoord, zodat het zeker geen uitzondering is dat pas vier maanden na het uitbrengen van de dagvaarding een zitting, de comparitie van partijen, plaatsvindt. De tijdwinst in vergelijking met een reguliere dagvaardingsprocedure kan dus heel groot zijn. Daarbij dient bedacht te worden dat een procedure bij de RRR, zeker als die uitmondt in een minnelijke regeling, binnen een periode van zes tot acht weken afgewikkeld kan worden, terwijl een gemiddelde dagvaardingsprocedure – zonder bewijslevering – toch al gauw een maand of zes vergt. Blijkt dat bewijslevering middels getuigen en/of deskundige(n) nodig is, dan is bij een reguliere procedure een behandelingsduur van een jaar of langer zeker niet uitzonderlijk.

Goedkoop 
Ten aanzien van het kernbegrip goedkoop is hiervoor al vermeld dat voor een procedure bij de RRR geen dagvaardingkosten gemaakt hoeven te worden. Voor het verschuldigde griffierecht geldt het volgende schema:

2018-07-Tabel.png#asset:2173

Voor deze aanpak is gekozen omdat de pilot beoogt een laagdrempelige procedure te bieden voor de particulier en daarbij past een laag griffierecht, ongeacht de hoogte van het financieel belang. Speelt het geschil echter tussen twee bedrijven dan bestaat er geen aanleiding om af te wijken van het gebruikelijke systeem van griffierecht en dan wordt dus wel gekeken naar de hoogte van het financieel belang. Er wordt van uitgegaan dat partijen ieder de helft van het griffierecht dragen. Wanneer een particulier bij de zaak betrokken is, is iedere partij derhalve € 39,50 aan griffierecht verschuldigd. Ten slotte is het adagium ‘goedkoop’ van toepassing omdat de procedure zo is ingericht dat partijen zelf het woord kunnen voeren en het derhalve niet noodzakelijk is dat zij zich laten bijstaan door een advocaat of een andere rechtshulpverlener. Ook in dat opzicht is dus sprake van besparing van kosten. Uiteraard zijn partijen wel gerechtigd om zich te laten bijstaan door een gemachtigde, noodzakelijk is het echter niet. 

Eenvoudig
Het kernbegrip eenvoudig is van toepassing op de procedure van de RRR, aangezien de procedure in de eerste plaats bedoeld is voor zaken die betrekkelijk ‘vers’ zijn en die nog niet gejuridiseerd zijn en waar nog geen vuistdik dossier ligt. Er vindt ook geen uitwisseling van processtukken plaats voordat de zaak op zitting komt, partijen gaan direct in gesprek met de RRR. Anderzijds is het adagium ‘eenvoudig’ van toepassing omdat de procedure zo is ingericht dat partijen zelf het woord kunnen voeren en inschakeling van een advocaat of andere rechtshulpverlener wel is toegestaan, maar zeker niet verplicht is. Het is dus niet nodig dat zij zich door een (professionele) gemachtigde laten vertegenwoordigen. Uiteraard zijn partijen wel gerechtigd om zich te laten bijstaan door een gemachtigde of een advocaat. 

Probleemoplossend
Met probleemoplossend als kernbegrip bij de RRR wordt tot uitdrukking gebracht dat de Regelrechter, meer nog dan in een reguliere dagvaardingsprocedure, tijdens de zitting met partijen het gesprek zal aangaan om te bezien of het geschil in der minne en in goed overleg tussen partijen tot een oplossing gebracht kan worden. Lukt dat en bereiken partijen onderling een regeling over het geschil, dan zal de Regelrechter de tussen partijen gemaakte afspraken in een proces-verbaal van de zitting vastleggen en zal hij partijen ook vragen om dat proces-verbaal te ondertekenen. Dat proces-verbaal heeft dezelfde executoriale werking als een vonnis van de kantonrechter. Dat is tegelijkertijd het kenmerkende verschil met een regeling die partijen onderling, zonder tussenkomst van een rechter treffen. Als blijkt dat een van partijen zich dan niet aan de regeling houdt, zal de andere partij alsnog een gerechtelijke procedure moeten starten tot nakoming van de gemaakte afspraken. In het geval de bij de Regelrechter getroffen regeling niet wordt nagekomen, kan de andere partij de deurwaarder opdracht geven om tot executie van de regeling over te gaan. Voorwaarde is dan wel dat de tussen partijen gemaakte afspraken zodanig vastgelegd worden in het proces-verbaal dat de afspraken ook ten uitvoer gelegd kunnen worden, bijvoorbeeld doordat aan de niet-nakoming van afspraken om iets te doen, anders dan om een geldsom te betalen, een dwangsom gekoppeld wordt.

1.6. Bemensing van het project
Ten behoeve van de pilot RRR zijn zes zeer ervaren kantonrechters en vijf juridisch medewerkers benaderd, die allen enthousiast zijn gebleken hun medewerking aan deze pilot te verlenen. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de pilotzaken door de betrokken rechters en juridisch medewerkers worden behandeld naast hun reguliere werkzaamheden, met de kanttekening dat de behandeling van de pilotzaken voorrang heeft voor zover dat nodig is om de met de pilot (mede) beoogde snelle afdoening van zaken te bereiken. Naar verwachting zal dit geen noemenswaardige problemen opleveren, maar in het onverhoopte geval dat de behandeling van de pilotzaken (tijdelijk) een onevenredig zware belasting voor de betrokken rechter of juridisch medewerker met zich brengt, zal gezocht worden naar mogelijkheden om de extra belasting te herverdelen. Daarbij kan gedacht worden aan uitbreiding van het aantal rechters en/of juridisch medewerkers, dat meedoet aan het project. 

Genoemde juridisch medewerkers zullen, naast het zittingswerk, ook ingezet worden om het Bureau van de RRR te bemensen, in die zin dat rechtzoekenden bij hen terecht kunnen met telefonische en schriftelijke vragen over de pilot en de procedure. Zij zullen door een van de mediationfunctionarissen worden getraind om op adequate wijze de gesprekken met partijen te kunnen voeren om in te stemmen met de in de pilot beoogde wijze van afdoening van de zaak. De medewerkers die betrokken zijn bij het Bureau van de RRR, zullen nauwgezet het aantal en de aard van de vragen bijhouden, die zowel telefonisch als per e-mail gesteld worden. Mocht blijken dat de verweerder niet bereid is om in te stemmen met afdoening van het geschil in het kader van de onderhavige pilot, dan zal ook daarvan aantekening worden gehouden, waarbij ook de reden van weigering vermeld zal worden. Voorts wordt bijgehouden: datum ontvangst aanmeldingsformulier, datum behandeling zaak, aard van de zaak, het bereikte resultaat en de doorlooptijd.


2. Procesbeschrijving


2.1. Aanmelden van zaken en eventueel hoger beroep
Partijen kunnen zelf een geschil aanmelden bij de RRR. Zij kunnen daarvoor gebruik maken van het eenvoudige aanmeldformulier dat op rechtspraak.nl te vinden is. Dat formulier kan zowel per post als digitaal worden ingediend. Desgewenst kunnen bij verzoekschrift c.q. het aanmeldformulier stukken worden gevoegd die relevant zijn voor de beoordeling van het tussen partijen gerezen geschil. Dit hoeft echter niet. In het aanmeldformulier kunnen partijen zich de mogelijkheid van hoger beroep voorbehouden wanneer het financieel belang van de zaak hoger is dan € 1.750,- (zie artikel 332 Rv). Wanneer partijen zich niet uitdrukkelijk en eensluidend het recht op hoger beroep hebben voorbehouden, geldt ingevolge artikel 333 Rv dat geen hoger beroep openstaat tegen de beslissing van de Regelrechter en dat die beslissing derhalve bindend is voor beide partijen. In reguliere dagvaardingsprocedures geldt dat ongeacht de vraag of partijen al dan niet afspraken hebben gemaakt over een eventueel appel, hoger beroep altijd openstaat mits het financieel belang van de zaak hoger is dan € 1.750,-. Met het oog op eventuele verval- en/of verjaringstermijnen geldt als moment van aanhangigheid van de zaak de datum van ontvangst ter griffie van het gezamenlijk verzoek van partijen of bij eenzijdig verzoek, de datum van ontvangst ter griffie van het bericht van de wederpartij dat deze instemt met de afdoening van het geschil in het kader van de onderhavige procedure Na aanmelding zal een van de Regelrechters die bij het project betrokken is, beoordelen of de zaak zich leent voor afdoening in het kader van het onderhavige project. Uitgangspunt bij die beoordeling is dat de zaak niet al te complex is, dat de zaak nog niet gejuridiseerd is en niet bestaat uit een zeer omvangrijk dossier alsmede dat de rechtsvraag die beantwoord moet worden, relatief overzichtelijk is.

Zo de zaak daarom vraagt, bijvoorbeeld als het gaat om een burenkwestie, is het ook mogelijk dat de zitting op locatie gehouden wordt.

2.2. De zitting
Zo snel mogelijk nadat beoordeeld is dat de zaak zich leent voor behandeling in het kader van het onderhavige project, zal de Regelrechter, rekening houdend met de eventueel opgegeven verhinderdagen van partijen, een datum bepalen waarop de zaak mondeling behandeld wordt. De zitting wordt geleid door een ervaren kantonrechter, bijgestaan door een juridisch medewerker, die eveneens verbonden is aan het Bureau van de RRR. Beiden dragen tijdens de zitting een toga. Tijdens de zitting zal de behandelend regelrechter actief de mogelijkheid van een eventuele schikking onderzoeken. Daarbij zal ook gebruik gemaakt worden van mediation-achtige technieken. De zitting wordt in beginsel gehouden op de rechtbank in Rotterdam of Dordrecht, afhankelijk van de woon- of vestigingsplaats van partijen. Zo de zaak daarom vraagt, bijvoorbeeld als het gaat om een burenkwestie, is het ook mogelijk dat de zitting op locatie gehouden wordt. Voor een goed begrip wordt in dit verband nog vermeld dat noch de relatieve, noch de absolute competentie geldt voor de procedure ex artikel 96 Rv. Niet alleen kan de RRR geschillen behandelen met een groter financieel belang dan € 25.000,- (de absolute competentie), maar ook kan de RRR zaken behandelen van partijen die niet wonen of gevestigd zijn binnen het rechtsgebied van de rechtbank Rotterdam (de relatieve competentie). In zaken waarin een mondelinge behandeling van het geschil op locatie gewenst is en die locatie gelegen is buiten het rechtsgebied van de rechtbank Rotterdam ligt het minder voor de hand om te kiezen voor de rechtbank Rotterdam.

De Regelrechter, de nieuwe pilot bij de rechtbank Rotterdam

2.3. Uitkomst van de zaak
Wanneer partijen ter zitting overeenstemming bereiken over een minnelijke regeling van het tussen hen gerezen geschil, zal de Regelrechter die regeling in beginsel ter zitting vastleggen in een proces-verbaal, dat door beide partijen ter zitting wordt ondertekend. Met dat proces-verbaal komt een einde aan de procedure. Ook in het geval de zitting op locatie gehouden wordt, zal een eventuele regeling tussen partijen worden vastgelegd in een proces-verbaal, dat ter plekke wordt geprint en door beide partijen wordt ondertekend. Om dit mogelijk te maken is een aantal mobiele printers aangeschaft.

Wanneer partijen geen overeenstemming kunnen bereiken over een minnelijke regeling van het geschil, zal de rechter alsnog uitspraak doen. Aan het slot van de zitting zal de rechter met partijen bespreken of nog verdere informatie nodig is alvorens uitspraak gedaan kan worden, dan wel dat op basis van de door partijen overgelegde stukken en verstrekte informatie vonnis gewezen kan worden. De rechter kan in dat laatste geval ter zitting mondeling uitspraak doen. Ook is het mogelijk dat de rechter schriftelijk uitspraak doet op een nader door hem te noemen termijn, in beginsel echter uiterlijk binnen twee weken na de gehouden zitting. Uiteraard staat het partijen ook vrij de zaak alsnog in te trekken als zij daar gezamenlijk om verzoeken.

2.4. Termijnen geldend voor de procedure bij de RRR
In beginsel vindt uiterlijk binnen vier weken na indiening van de zaak bij het Bureau van de RRR en gebleken instemming van de wederpartij de mondelinge behandeling van de zaak plaats. Verlenging van die termijn is mogelijk wanneer partijen een groot aantal verhinderdagen hebben opgegeven. Indien op de zitting blijkt dat een minnelijke regeling niet tot de mogelijkheden behoort en de rechter derhalve alsnog uitspraak moet doen in de zaak, zal die uitspraak in beginsel gedaan worden uiterlijk twee weken na de zitting. In het geval het nodig is dat partijen na de zitting schriftelijk verdere informatie verstrekken en/of verdere stukken in het geding brengen, zal de rechter aan het slot van de zitting met partijen bespreken en afspreken hoeveel tijd ieder van hen daarvoor de gelegenheid krijgt. Nadat partijen die informatie en/of stukken in het geding hebben gebracht of daarmee in gebreke zijn gebleven, zal de rechter in beginsel binnen twee weken nadien schriftelijk vonnis wijzen in de zaak.

Tenzij partijen andersluidende afspraken hebben gemaakt over de betaling van het griffierecht, wordt het griffierecht in gelijke delen bij ieder van partijen in rekening gebracht.

2.5. Kosten voor partijen
Hiervoor is al vermeld welk griffierecht geldt, mede afhankelijk van de vraag of een van partijen een particulier is. Tenzij partijen andersluidende afspraken hebben gemaakt over de betaling van het griffierecht, wordt het griffierecht in gelijke delen bij ieder van partijen in rekening gebracht. In IRIS bestaat de mogelijkheid om het griffierecht te splitsen en aan beide partijen de helft van het verschuldigde bedrag in rekening te brengen. Vervolgens zal het LDCR zich belasten met de inning van dat griffierecht. Hebben partijen wel afspraken gemaakt over de betaling van het griffierecht, dan gelden die afspraken uiteraard. Voor het overige geldt dat iedere partij in beginsel de eigen kosten draagt, tenzij partijen uitdrukkelijk om een kostenveroordeling hebben verzocht. In dat geval zal de rechter tevens uitspraak doen over de vraag wie de kosten van de procedure dient te dragen.

Landelijk is afgesproken om de hardheidsclausule van artikel 127a lid 3 Rv toe te passen, met name nu een van de kernwoorden van de pilot ‘snelheid’ is en daarmee strookt niet een aanhouding van de procedure gedurende vier weken in afwachting van de betaling van het verschuldigde griffierecht.


3. Borging van resultaten

Hiervoor is al vermeld dat het project van de RRR in beginsel wordt aangegaan voor de duur van ruim vijftien maanden. Aan de partijen waarvan een zaak is beslecht in het kader van de pilot en aan de behandelend rechter en griffier, zal na afloop van de procedure worden verzocht om een vragenformulier in te vullen. Daarbij zal niet alleen gevraagd worden naar de ervaringen van zowel de partijen alsook van de behandelend rechter en griffier, maar tevens zal gevraagd worden of – en zo ja in welk opzicht – de onderhavige procedure naar de mening van partijen en de behandelend rechter en griffier een meerwaarde heeft ten opzichte van de reguliere procedure bij de kantonrechter. Daarbij moet bedacht worden dat partijen zelf vaak niet in staat zijn om te beoordelen of de procedure in het kader van de RRR een meerwaarde heeft ten opzichte van de reguliere procedure bij de kantonrechter. Die vraag zou eventueel wel beantwoord kunnen worden door een gemachtigde die bij de zaak betrokken is.

Voor wat betreft de evaluatie van de pilot is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de evaluatieformulieren die ook gebruikt zijn bij de evaluatie van het project van de Spreekuurrechter in Noord-Nederland.*10 De evaluatie van de pilot van de RRR zal wetenschappelijk worden begeleid door prof. mr. N.J.H. Huls en dr. E. von Boné verbonden aan de Erasmus Universiteit te Rotterdam. Mede aan de hand van de uitkomsten van de pilot kan de Raad voor de rechtspraak beoordelen of er aanleiding bestaat om landelijk gelijksoortige werkwijzen te introduceren.


4. Conclusie

Bij de rechtbank Rotterdam is een pilot van start gegaan, gebaseerd op artikel 96 Rv, die het mogelijk maakt dat partijen op gezamenlijk verzoek aan de RRR een geschil voorleggen in een laagdrempelige, eenvoudige, snelle en goedkope procedure met het doel in gezamenlijk overleg tot een oplossing van het geschil te komen. De RRR zal in die procedure, samen met partijen, actief op zoek gaan naar een minnelijke oplossing. Wij zijn erg benieuwd of die procedure zal aanslaan en of aan de procedure daadwerkelijk behoefte bestaat. De procedure zal onder wetenschappelijke begeleiding geëvalueerd worden en te zijner tijd zal ongetwijfeld ook aandacht worden besteed aan die evaluatie.

Zie onder meer het regeerakkoord van het kabinet Rutte III 2017 ‘Vertrouwen in de toekomst’. 

T. Lennaerts, ‘De proef (met een) Spreekuurrechter’, NJB 2017/139.

M. Hertogh, M. Batting, C. Boxum, N. Struiksma en C. Veen, ‘Zegt u het eens, wat wilt u van de rechter’, evaluatie van de Spreekuurrechter, https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/research-memoranda-2018-04.pdf.

Eerder heb ik al ‘reclame’ gemaakt voor de procedure ex art. 96 Rv. Zie onder meer ‘Arbitrage voor fl. 160,- per zaak’, W.J.J. Wetzels, Praktisch Procederen 1998/0 pag. 13 e.v.; ‘Omgekeerde prorogatie’, Praktisch Procederen 2005/5, p. 143 e.v.; ‘Dagvaarden in het arbeidsrecht’, in: C.J. Frikkee e.a., Arbeidsprocesrecht in beweging, Den Haag: Sdu Uitgevers 2012, p. 37. Vergelijk tevens R.C. Hartendorp, ‘Naar een de-escalerend procesrecht: de mogelijkheden van 96 Rv voor het arbeidsrecht. Goed werkgever- en werknemerschap en de wijze van procederen’, ArbeidsRecht 2013/13.

T. Lennaerts beschrijft in ‘De proef (met een)’ in NJB 2018/139 zijn ervaringen met het project.

Zie onder meer A. van Deuzen, ‘De proef (met een) Spreekuurrechter, Das niet best’, NJB 2018/263.

M. Hertogh, M. Batting, C. Boxum, N. Struiksma en C. Veen, ‘Zegt u het eens, wat wilt u van de rechter’, evaluatie van de Spreekuurrechter, https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/research-memoranda-2018-04.pdf.

Het Bureau, dat werkt voor de locaties Rotterdam en Dordrecht, is telefonisch te bereiken op nummer 088 - 361 19 61 en per e-mail via regelrechter.rb-rot@rechtspraak.nl.

M. Hertogh, M. Batting, C. Boxum, N. Struiksma en C, Veen, ‘Zegt u het eens, wat wilt u van de rechter’, evaluatie van de Spreekuurrechter, https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/research-memoranda-2018-04.pdf.

Top