07 2018

ESSAY

De (on)zichtbare rechter

Moet de rechter zich uitleveren aan de heersende mediacultuur of moet hij zich onderscheiden door bewust onzichtbaar te blijven?


1. Inleiding

De positie van de rechter binnen de Nederlandse samenleving, maar ook binnen zijn eigen werkomgeving betreft geen gemakkelijke. Op zijn positie zijn wetten, verdragen, richtlijnen, beleidsregels en codes van kracht. Deze positie lijkt nog gecompliceerder te worden nu onze samenleving steeds meer richting een mediacultuur gaat, waarin zichtbaarheid een voorwaarde lijkt te zijn om überhaupt te bestaan. Ook de Rechtspraak ligt nogal eens onder het vergrootglas van de alom aanwezige media. Zeker wanneer er dingen misgaan binnen en rondom de rechterlijke macht schreeuwt de samenleving om uitleg en verantwoording en daar springt de media maar al te graag op in. Zij worden daarbij het liefst te woord gestaan door iemand vanuit de rechterlijke macht, nog liever door de rechter himself. Rechters zijn immers dé sleutelfiguren binnen de Rechtspraak en bij uitstek degenen die richting de samenleving iets over het recht en de rechtspraak kunnen zeggen.

Neem bijvoorbeeld de zaak Anne Faber. De vader van Anne plaatste een aantal dagen voor de rechtszaak van Michael P. – de man die zijn dochter op brute wijze om het leven bracht – een emotionele brief in de Volkskrant. Faber stelt zich in zijn brief op het standpunt dat de dood van zijn dochter het gevolg is van het falen van het rechtssysteem.*1 Dit schrijven zette de samenleving aan het denken. Steeds vaker kwamen er vanuit de samenleving geluiden die de rechter opriepen om verantwoordelijkheid te nemen en de samenleving, of op zijn minst de vader van Anne, te woord te staan. De vraag is alleen of dat mogelijk, dan wel wenselijk is. Moet de rechter zich uitleveren aan de heersende mediacultuur of moet hij zich onderscheiden door bewust onzichtbaar te blijven?

Om antwoord te geven op deze vraag zal allereerst worden ingegaan op de vrijheid van meningsuiting die rechterlijke ambtenaren toekomt. Vervolgens zal worden bezien welke bijdrage uitlatingen van de rechter in de media kunnen leveren aan het vertrouwen vanuit de samenleving in de Rechtspraak. Tot slot zal ik toelichten waarom de rechter mijns inziens zijn gezicht vaker moet laten zien aan het publiek, maar dat de eisen die inherent zijn aan het rechterlijk ambt altijd beperkingen met zich mee zullen brengen.

De (on)zichtbare rechter

Foto: (van links naar rechts) Ruben Aksay, Wendy Vierveijzer (dagvoorzitter), Kim Heesterbeek en Sven van der Klaauw, bron: rechtbank Gelderland



2. Vrijheid van meningsuiting en het rechterlijk ambt

De rechter is en blijft naast ambtsdrager een individu. Ook hij of zij is een mens van vlees en bloed met eigen ideeën, gedachten en emoties. De rechter heeft vanuit dat gezichtspunt op grond van artikel 7 Gw en artikel 10 EVRM recht op vrijheid van meningsuiting. Dit betekent, en wordt ook door de Hoge Raad benadrukt, dat het een rechter in principe vrij staat om buiten de rechtszaal zijn mening te uiten.*2

Het recht van vrije meningsuiting is echter niet absoluut. Aan het rechterlijk ambt worden hoge eisen gesteld. Zoals reeds opgemerkt zijn er talloze regels en normen op zijn functioneren van toepassing, zowel binnen de rechterlijke macht als binnen de samenleving. Dit komt onder andere door de aard van de rechterlijke functie en de positie van de rechter in het staatsbestel. Een rechter is namelijk niet zomaar een ambtenaar. Hij heeft de bevoegdheid om bindende oordelen te vellen over, gelijkwaardige, medeburgers. Deze machtige positie brengt een grote verantwoordelijkheid met zich mee. Die verantwoordelijkheid zorgt ervoor dat men niet alleen eist dat de rechter vakkennis heeft, maar brengt ook met zich mee dat men van een rechter verwacht dat hij onafhankelijk, onpartijdig en integer is. Nu een rechter deze eisen te allen tijde in acht zal moeten nemen, brengt dat een aanzienlijke beperking van zijn vrijheid van meningsuiting met zich mee. Het heeft namelijk tot gevolg dat een rechter alvorens hij een uitlating in de media doet, altijd moet nagaan wat de invloed van zijn uitlating kan zijn op de gang van zaken binnen de rechterlijke macht. Niet alleen wanneer hij uitlatingen doet uit hoofde van zijn ambt, maar ook wanneer hij spreekt als individu. Immers, ook gedragingen en uitlatingen buiten werktijd, in de privésfeer of bij meer werkgerelateerde activiteiten, kunnen het imago van de rechter schaden en daarmee invloed hebben op de rechterlijke macht in het geheel.*3 Dit komt doordat een rechter de belichaming is van het ambt en daarmee elke gedraging of uitlating via zijn persoon met de rechterlijke macht verbonden is.*4

Natuurlijk is een onpartijdige rechter belangrijk in een democratische samenleving, maar net zo belangrijk is mijns inziens het vertrouwen vanuit de maatschappij in de rechterlijke macht.

3. Onpartijdige rechtspraak en het gezag van de rechterlijke macht

Door deze nauwe verbondenheid tussen de persoon en het ambt, zien we veelal dat een beperking van de rechterlijke uitingsvrijheid wordt gerechtvaardigd met een beroep op een van de hierboven genoemde eisen die inherent zijn aan het rechterlijk ambt. Vooral het bewaken van de rechterlijke onpartijdigheid in de zin van artikel 6 EVRM blijkt een belangrijke reden te zijn om de rechter het zwijgen op te leggen.*5 Zo verlangt het Europese Hof niet alleen oplettendheid, maar zelfs een maximale discretie ten behoeve van de onpartijdigheid.*6 Met name als het aankomt op concrete zaken mag een rechter absoluut geen uitlatingen doen in de pers, zelfs niet als iemand hem daartoe provoceert.*7 Alleen wanneer het zaken van groot maatschappelijk belang betreft waarover vrij moet kunnen worden gedebatteerd, lijkt het EHRM iets meer ruimte te geven voor uitlatingen in de pers.*8

Natuurlijk is een onpartijdige rechter belangrijk in een democratische samenleving, maar net zo belangrijk is mijns inziens het vertrouwen vanuit de maatschappij in de rechterlijke macht. Zeker nu het gezag van de Rechtspraak geen vaststaand gegeven meer lijkt te zijn. De samenleving wordt steeds persoonlijker en in navolging daarvan verlangt men van een rechter, meer dan voorheen, dat hij maatschappelijk betrokken is. Men wil graag een rechter die tijd neemt, luistert naar beide partijen, begrijpt wat er speelt en vervolgens het objectieve recht op het concrete geval toepast.*9 Het is voor burgers van belang dat er recht wordt gedaan aan de specifieke situatie. Daarvoor is het noodzakelijk dat de rechter oog heeft voor wat er in de samenleving speelt en zich bewust is van de maatschappelijk impact van zijn handelen. De ‘leidraad onpartijdigheid’ noemt dit zelfs onvermijdelijk en noodzakelijk om als rechter te kunnen functioneren. Ook van Domselaar stelt dat de kwaliteit van rechtspraak niet alleen wordt bepaald door de toepassing van onpersoonlijke rechtsbronnen, maar eveneens door emoties en communicatie.*10 Naar mijn mening heeft ze daarmee gelijk, want zou de uitkomst van een geschil logisch uit het objectieve recht kunnen worden afgeleid, dan zou de rechterlijke taak immers evengoed kunnen worden opgedragen aan een robot of computer. Dat kan (gelukkig) niet, aangezien het recht moet worden toegepast op het concrete geval en de invloed van de rechter daarbij inherent is aan de essentie van rechtspraak.*11 De persoon van de rechter is en blijft de kern van de rechtspraak.

4. De kloof tussen samenleving en Rechtspraak

Ondanks het feit dat zelfs de leidraad belang hecht aan een maatschappelijk betrokken rechter, bestaat er momenteel een kloof tussen de Rechtspraak en de samenleving. Een belangrijke oorzaak van deze kloof is naar mijn idee de beeldvorming die dagelijks vanuit de media het leven van burgers binnendringt. Er worden dagelijks allerlei standpunten kenbaar gemaakt zonder dat de rechter zich daartegen kan verdedigen. Dit leidt ertoe dat het publiek een verkeerd beeld krijgt van de rechterlijke macht. Naar mijn mening kan dit verschijnsel alleen worden aangepakt door de Rechtspraak zich prominenter in het publiekelijk debat te laten opstellen. Zoals reeds opgemerkt, zal een burger een rechterlijke beslissing uiteindelijk vooral aanvaarden wanneer hij merkt dat deze het resultaat is van een luisterende, begrijpende, weldenkende rechter die het recht heeft toegepast op de concrete situatie. Uiteindelijk is het niet de beslissing inhoudelijk, maar de persoonlijkheid van de rechterlijke activiteit die bepalend is voor het gezag van de Rechtspraak. Het is dan ook daarom dat deze persoonlijkheid naar mijn idee meer aan het volk moet worden getoond. We moeten niet verwachten dat de hele samenleving een bepaalde beslissing of gang van zaken zal begrijpen nadat een rechter ten tonele is verschenen, maar wel kan het ervoor zorgen dat merendeel van de bevolking er begrip voor kan opbrengen.

We kunnen er niet omheen dat het tonen van maatschappelijke betrokkenheid op gespannen voet staat met de rechterlijke onpartijdigheid. Wanneer we echter meegaan in de gedachte dat een persoonlijke invulling van het ambt noodzakelijk is om de rechterlijke functie naar behoren te kunnen bekleden, is het eigenlijk maar een kleine stap naar een meer zichtbare rechter. Bovendien staat de mogelijke inbreuk op de rechterlijke onpartijdigheid in schril contrast tot de bijdrage die de zichtbaarheid van de rechter kan leveren aan de toename van het vertrouwen dat de samenleving heeft in de Rechtspraak. Deze toename in vertrouwen kan vervolgens de kloof tussen de samenleving en de Rechtspraak verkleinen. Mijns inziens moeten we het een rechter daarom niet kwalijk nemen als hij bereid is zijn gezicht te laten zien in het mediacircus om daar een zakelijke toelichting te geven wanneer op die manier kan worden voorkomen dat onjuistheden een eigen leven gaan leiden.*12

Het kan niet zo zijn dat een van de staatsorganen waarop onze samenleving leunt als enige geen weerwoord mag geven.

5. Conclusie

Van oudsher geldt dat de rechter spreekt via zijn vonnis. De uitspraak is het medium van de rechter om zijn beslissing duidelijk te maken voor het publiek. Maakt hij geen gebruik van dit instrument, dan is er geen weg terug en moet hij zwijgen.

Naar mijn mening moeten we deze aloude regel niet direct bij het vuilnis zetten, maar mag deze regel wel een beetje worden opgepoetst. Tegenwoordig kan eenieder namelijk zijn mening heel eenvoudig via Twitter, Facebook of Instagram, in vaak minder dan 400 woorden, de wereld in sturen. Het kan niet zo zijn dat een van de staatsorganen waarop onze samenleving leunt als enige geen weerwoord mag geven. Daar komt nog eens bij dat het gezag van de rechterlijke macht in deze mediacultuur al lang niet meer vanzelfsprekend is. De beeldvorming waartoe de media-aandacht leidt, lijkt zich te vertalen in minder maatschappelijk vertrouwen in de rechtspraak. Met het oog op dit vertrouwen lijkt de rechterlijke macht zich een algehele terugtrekking niet eens te kunnen veroorloven.

Ik opper daarom bij dezen dat we voortaan als uitgangspunt nemen dat het een rechter is toegestaan in de publiciteit te treden, mits dit het maatschappelijk vertrouwen in de rechtspraak ten goede komt. Met het oog op dit voorbehoud is het bijvoorbeeld niet handig als rechters elkaars uitspraken gaan bekritiseren. Eveneens lijkt het mij niet de bedoeling dat rechters op vragen ingaan die betrekking hebben op lopende zaken of hele specifieke feiten. Een andere beperking schuilt hem in de talloze eisen die aan het rechterlijk ambt worden gesteld. Deze mogen niet geheel worden verwaarloosd, aangezien dat hoogst waarschijnlijk een negatief effect zou hebben op het vertrouwen in de rechtspraak.

Dit nieuwe uitgangspunt en de daarbij behorende grenzen, brengt met zich mee dat het antwoord op de vraag of de rechter zich voor de media wel of niet zichtbaar moet maken telkens neerkomt op een afweging waarbij het hoe, wat, waar, wanneer, waarom, wat voor discussie, welk medium en de mogelijke gevolgen van de uiting van groot belang zijn. Iedere keer zal de rechter zich als hoofdvraag moeten stellen: draagt mijn optreden bij aan het vertrouwen in de rechtspraak of beïnvloed ik daarmee de rechterlijke ambtsuitoefening op nadelige wijze? Als je het mij vraagt had de rechter aan wiens adres de brief van Anne Fabers vader was gericht, gerust zijn gezicht kunnen laten zien in het publiekelijke debat. Dit zou naar mijn idee het vertrouwen in de rechtspraak ten goede zijn gekomen. Niettemin blijft het de keuze van de rechter of hij zich zichtbaar maakt of bewust onzichtbaar houdt voor de samenleving, en die keuze moet eenieder respecteren.

W. Faber, ‘Anne is dood door het falen van de rechtsgang’, Volkskrant 26 mei 2018.

HR 7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:509.

P.P.T. Bovend’Eert, ‘De rechter moet op zijn woorden passen. In hoeverre en op welke wijze mag de vrije meningsuiting van rechters beperkt worden?, AA 2015, afl. 5, p. 370.

S. Dijkstra, ‘De pratende, schrijvende en twitterende rechter: terughoudendheid troef’, Rechtstreeks 2017, afl. 1, p. 26.

P.P.T. Bovend’Eert, ‘De rechter moet op zijn woorden passen. In hoeverre en op welke wijze mag de vrije meningsuiting van rechters beperkt worden?, AA 2015, afl. 5, p. 366.

EHRM 16 september 1999, 29369/95 (Buscemi vs. Italië), EHRM 18 februari 2003, 58442/00 (Lavents vs. Letland), EHRM 29 juni 2011, 1529/08 (Gouveia Gomes Fernandes and Freitas E. Costa vs. Portugal).

S. Dijkstra, ‘De ruimte van de rechter in de relatie rechtermedia onder het EVRM’, NJB 2013/198, afl. 4, p. 239.

EHRM 14 september 2009, 29492/05 (Kudeshkina vs. Rusland).

P. Ingelse, ‘Rechter: tussen persoon en instituut’, NJB 2010/1593, afl. 30, p. 1964.

I. van Domselaar, De breekbaarheid van Rechtspraak. Het primaat van de praktijk (diss. Amsterdam UvA).

P. Ingelse, ‘Rechter: tussen persoon en instituut’, NJB 2010/1593, afl. 30, p. 1964.

Y. Buruma, ‘Extrajudicieel optreden: niet onwenselijk’, Rechtstreeks 2017, afl. 1, p. 36.

Top