06 2018

Artikel

Rechtseenheid volgens rechters in eerste aanleg

In hoeverre wordt rechtseenheid waargenomen bij rechters in eerste aanleg? En welke omstandigheden vinden zij belangrijk om rechtseenheid te bevorderen? Een verslag van een empirisch onderzoek. 

1. Introductie

De Raad voor de rechtspraak heeft in het kader van een betrouwbare rechtspraak er meer dan eens op gewezen dat de maatschappij erop moet kunnen vertrouwen dat het recht niet nodeloos op verschillende wijze wordt toegepast.*1 Zoals in paragraaf 3 nader wordt besproken, ligt het belang van de bevordering van eenheid van rechtspraak (hierna veelal: rechtseenheid)*2 in het versterken van rechtsstatelijke waarden als rechtsgelijkheid en rechtszekerheid.*3 Daarnaast is uit eerder onderzoek gebleken dat rechtseenheid, zowel horizontaal als verticaal, bijdraagt aan een kwaliteitsverhoging van procesvoering: het maakt het procederen voor rechtzoekenden eenvoudiger en vergemakkelijkt de behandeling en afdoening van de rechtszaken door de rechter. Het verhoogt daarmee mede de efficiëntie en doelmatigheid, hetgeen weer tot een kostenbesparing kan leiden.*4

Het onderhavige onderzoek maakt onderdeel uit van het bredere onderzoeksproject ‘Rechtseenheid’ van het Montaigne Centrum voor Rechtsstaat en Rechtspleging,*5 waarin nadrukkelijk gezocht wordt naar een verbreding van de discussie over rechtseenheid zoals deze al jaren gevoerd wordt.*6 Binnen dat project wordt het thema rechtseenheid vanuit verschillende dimensies benaderd; niet alleen de juridische, maar ook de maatschappelijke en economische betekenis ervan staat centraal.*7 Daarbij wordt tevens gezocht naar de mogelijkheid van empirische onderbouwing. De studie die hier gepresenteerd wordt bouwt meer specifiek voort op een empirisch onderzoek uit 2001 naar de perceptie van rechtseenheid binnen het bestuursrecht.*8 Dat onderzoek is inmiddels verouderd en was ook qua rechtsgebied beperkter van opzet. In de onderhavige bijdrage wordt onder meer de eerdere meting vergeleken met de huidige situatie en breder getrokken, namelijk naar het bestuursrecht, civiel recht, strafrecht en belastingrecht.

Rechtseenheid volgens rechters in eerste aanleg

Het doel van dit empirisch onderzoek is om bij de rechters in eerste aanleg inzicht te krijgen in de (waargenomen) mate van rechtseenheid en in de omstandigheden die voor het bevorderen van rechtseenheid van belang zijn. Daarbij is de onderzoeksvraag: in hoeverre wordt rechtseenheid waargenomen bij de rechters in eerste aanleg en welke omstandigheden worden door die rechters voor het bevorderen van rechtseenheid van belang geacht? Deelvragen die daarbij aan bod komen zijn de volgende: Welke mate van rechtseenheid wordt door de rechters waargenomen? Welke oorzaken van een eventueel gebrek aan rechtseenheid worden door de rechters genoemd? Welke mechanismen die rechtseenheid beogen te waarborgen worden door de rechters van belang geacht? Wat is het door hen gegeven relatieve belang van rechtseenheid? Een onderzoek naar de mate van rechtseenheid met deze brede insteek, namelijk omvattende het bestuursrecht, civiel recht, strafrecht en belastingrecht, is, voor zover wij weten, nog niet eerder verricht. Voordat we aan de methode en de onderzoeksresultaten komen, wordt in de volgende paragraaf ingegaan op het belang, de definiëring en mechanismen van rechtseenheid.

Het belang van rechtseenheid heeft niet alleen een juridische maar ook een economische en maatschappelijke dimensie.

2. Rechtseenheid: belang, definiëring en mechanismen

Zoals in de inleidende paragraaf aan de orde is gekomen, heeft het belang van rechtseenheid niet alleen een juridische maar ook een economische en maatschappelijke dimensie.*9 Wat betreft de maatschappelijke dimensie wordt hier nog genoemd dat het belang van rechtseenheid zich richt op het vertrouwen van de burger in het stelsel van rechtspleging en de rechtsorde. ‘Het langdurig laten bestaan van verschillen in uitspraken van rechters over rechtsvragen’, aldus Bauw, ‘kan afbreuk doen aan de geloofwaardigheid van de rechtspleging en het recht voor de burger’.*10

Het belang van rechtseenheid heeft niet alleen een juridische maar ook een economische en maatschappelijke dimensie.

Ondanks de zojuist benoemde dimensies van het belang van rechtseenheid, is het begrip ‘rechtseenheid’ lastig te definiëren. Dit komt deels omdat dat begrip samenhangt met het begrip ‘rechtsontwikkeling’, maar deze begrippen niet inwisselbaar zijn. Van het laatste is – kort gezegd – sprake als door de rechter in zijn uitspraak het geldende recht wordt vastgesteld en de betekenis ervan verder strekt dan het individuele geschil. Een aspect van rechtsontwikkeling is het bevorderen van rechtseenheid. Het eerstgenoemde is dus het algemenere doel: een rechterlijk oordeel – bijvoorbeeld van de eerstelijnsrechter – waarmee wordt afgeweken van de tot dan aan toe geldende rechtspraak kan ook rechtsontwikkeling bevorderen. Verdedigd kan zelfs worden dat uitgekristalliseerde rechtspraak vaak beter is dan het streven naar rechtseenheid, omdat er dan meer openbaar debat over de oplossing van het omstreden punt is gevoerd, vanuit verschillende belangen. Dergelijk debat kan de kwaliteit van de uiteindelijke uitkomst bevorderen.*11 In het geval dat de rechter aan rechtsontwikkeling doet, kan dat op haar beurt niettemin weer bijdragen aan het bevorderen van rechtseenheid, in de zin dat de duidelijkheid, toegankelijkheid en voorzienbaarheid (voorspelbaarheid) van het recht worden vergroot.

Het bevorderen van rechtseenheid kan door verschillende mechanismen plaatsvinden. Hierbij kan allereerst gedacht worden aan institutionele mechanismen, zoals door hoger beroep/cassatie, rechtseenheidskamer of prejudiciële procedure.*12 Verder kan gedacht worden aan coördinatie/dialoog of collegiale afspraken tussen rechters (zogeheten rechtersregelingen), zoals over alimentatienormen, de kantonrechtersformule bij ontslagvergoedingen en de oriëntatiepunten voor straftoemeting. Voorts kan rechtseenheid vanuit het perspectief van de gerechtsorganisatie worden bevorderd door een verbetering van de databanken. Naast de zojuist genoemde mechanismen, kan rechtseenheid ook bevorderd worden door het verbeteren van de motivering van rechterlijke uitspraken.*13 De nadruk op de rechterlijke motiveringsplicht past tevens in de gewenste ontwikkeling om de rechtspraak transparanter te maken, teneinde de maatschappij meer houvast te geven voor het begrijpen,*14 accepteren (legitimeren), en bekritiseren van een rechterlijke uitspraak.*15 Deze kwaliteitseisen concurreren evenwel met andere kwaliteitseisen, zoals dat een rechterlijke beslissing snel*16 en in elk geval binnen een redelijke termijn genomen dient te worden. Daarnaast is er de werkelijkheid van de praktijk dat de begroting van het ministerie van Justitie en Veiligheid steeds meer leidend is bij de financiering van de rechtspraak en de wijze van financiering daardoor grotendeels los staat van de vraag wat de rechter nodig heeft om zaken tijdig en zorgvuldig af te handelen, met een structureel hoge werk- en productielast als gevolg.*17 

Wanneer iemand over het recht verontwaardigd uitroept: ‘dat is onrechtvaardig’, dan is dat veelal omdat hij vindt dat twee ‘gelijke’ gevallen met betrekking tot het recht niet gelijk zijn behandeld.

Zojuist is opgemerkt dat rechtseenheid kan worden bevorderd door het verbeteren van de motivering van rechterlijke uitspraken. Hiermee komen we ook terug op de definiëring van het begrip ‘rechtseenheid’. Wanneer iemand over het recht verontwaardigd uitroept: ‘dat is onrechtvaardig’, dan is dat veelal omdat hij vindt dat twee ‘gelijke’ gevallen met betrekking tot het recht niet gelijk zijn behandeld. In die zin heeft rechtseenheid een sterker verband met het gelijkheidspostulaat dan met het rechtszekerheidspostulaat van het recht. Een voorwaarde voor de overwinning op het onrechtvaardigheidsgevoel respectievelijk ongelijkheidsgevoel en daarmee consensus over de legitimatie van de uitkomst is dat deze met deugdelijke en geëxpliciteerde argumenten wordt onderbouwd. In die gedachte gaat het bij de definiëring van het begrip ‘rechtseenheid’ meer om een karakterisering aan de hand van hetgeen voor rechtseenheid wordt vereist. Gelet daarop kan worden aangehouden dat er geen sprake is van rechtseenheid als een verschil in rechtspraak niet door deugdelijke en geëxpliciteerde argumenten is onderbouwd. Bij deze karakterisering past de opvatting dat rechtseenheid nooit volledig bereikt kan worden en het ook geen doel op zich is. Immers, om met Schoordijk te spreken: ‘Rechtsregels krijgen bij een pragmatische uitleg, die altijd gekleurd wordt door het antwoord op de vraag: ‘wat voor maatschappij willen we?’, dikwijls een verschillend antwoord.’*18 Is een verschil in recht(spraak) wel met deugdelijke en geëxpliciteerde argumenten onderbouwd, dan is er geen overtuigend beletsel om te spreken van ‘legitieme differentiatie’.

Rechtseenheid volgens rechters in eerste aanleg

Dat rechtseenheid kan worden bevorderd door het verbeteren van de motivering van rechterlijke uitspraken is ook onderkend door de Commissie rechtseenheid bestuursrecht (hierna: Crb), in haar advies aan het kabinet, getiteld:  ‘Rechtseenheid tussen de Hoge Raad en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’.*19 In dat advies maakt de Crb tevens een onderscheid tussen enerzijds rechtseenheid als uniforme uitleg van dezelfde bepalingen en begrippen en anderzijds consistentie van het recht, het laatstgenoemde tussen de verschillende rechtsgebieden alsmede het Europees recht.*20 Naar het oordeel van de Crb moet het begrip ‘rechtseenheid’ daarmee niet te smal worden opgevat. Ter illustratie van (het belang van) die consistentie noemt de Crb onder meer het bestuursstrafrecht, een rechtsgebied waarin vragen opkomen die ook in het strafrecht aan de orde zijn, zoals vraagstukken over daderschap en verwijtbaarheid. Tevens spelen in het bestuursrecht en het civiel recht gelijksoortige vraagstukken een rol, zoals het toekennen van schadevergoeding vanwege het plegen van een onrechtmatige daad of het niet nakomen van een overeenkomst. ‘In die gevallen’, aldus de Crb, ‘gaat het vaak niet om de uniforme uitleg van een wettelijke bepaling of hetzelfde begrip, maar eerder om de kwestie of eenzelfde vraag in verschillende rechtsgebieden op dezelfde wijze beantwoord moet worden. Het gaat dan meer om de consistentie van het recht: het is moeilijk aanvaardbaar dat in gelijke gevallen de een wel schadevergoeding krijgt na een onrechtmatig handelen en de ander niet, alleen omdat het gaat om verschillende rechtsgebieden’.*21 Hierbij gaat het evenwel volgens de Crb op voorhand meer om de vraag of twee regels uit verschillende rechtsgebieden voor uniforme interpretatie in aanmerking komen. ‘Soms betekent het feit’, aldus de Crb, ‘dat iedere regel in een andere context geldt, dat een uniforme gelding en uitleg niet goed zouden zijn. Dan is er […] juist sprake van legitieme differentiatie. Maar in een consistent rechtssysteem is dat alleen het geval indien er goede argumenten zijn om tot een verschillende toepassing te komen’.*22

Nadat hierboven is ingegaan op het belang, de definiëring en mechanismen van rechtseenheid, worden hieronder de resultaten van ons empirisch onderzoek besproken. Voordat we toekomen aan een bespreking van onze bevindingen in paragraaf 4, zal eerst in de volgende paragraaf de gehanteerde methodologie worden besproken.

3. Methodologie

Op basis van de literatuur en jurisprudentie is het niet goed mogelijk inzicht te krijgen in de mate van rechtseenheid die door rechters wordt waargenomen – het is immers onmogelijk om door middel van jurisprudentieonderzoek in de precieze achterliggende gedachten en motieven van rechters te kijken. Dit geldt eveneens voor het analyseren van de omstandigheden die voor het bevorderen van rechtseenheid van belang zijn. Daarom is gekozen voor een empirische methode, namelijk een vragenlijstonderzoek. De vragenlijsten zijn gebaseerd op het in de inleiding genoemde in 2001 verrichtte onderzoek. De oude vragenlijsten zijn aangepast met het oog op de bredere insteek van het huidige onderzoek, voorgelegd aan peers om de begrijpelijkheid van vragen te controleren en gecontroleerd door collega’s van het Montaigne Centrum. Zo werd beoogd de validiteit van het instrument te vergroten. De vragen zijn vervolgens ingevoerd in de online surveysoftware SurveyMonkey – het gebruik van dit systeem werd ondersteund door de Universiteit Utrecht.*23 Nadat de Raad voor de rechtspraak en het Landelijk Overleg Vakinhoud Straf, Landelijk Overleg Vakinhoud Bestuur en het Landelijk Overleg Vakinhoud Civiel Kanton & Toezicht hun goedkeuring voor de medewerking aan dit onderzoek hadden verleend, zijn de vragenlijsten via de leden van deze LOV’s verspreid.*24 De link is uitgezet bij de rechters in eerste aanleg, eerst met een reactietermijn van twee weken, daarna nog eenmaal met een verlenging van een week. De vragenlijsten zijn afgenomen tussen 29 januari 2018 en 1 maart 2018.

Door middel van de vragenlijsten is getracht inzicht te verkrijgen in de waargenomen mate van rechtseenheid onder de rechters in eerste aanleg en in de omstandigheden die voor het bevorderen van rechtseenheid van belang zijn. Deelonderwerpen die daarbij aan bod komen zijn de door hen waargenomen mate van rechtseenheid, de door hen waargenomen oorzaken van een eventueel gebrek aan rechtseenheid, de door hen van betekenis geachte mechanismen en het door hen gegeven relatieve belang van rechtseenheid. De vragenlijsten zijn anoniem ingevuld, vervolgens in Statistical Package for Social Science (SPSS) verwerkt, en geanalyseerd. Ter beantwoording van de vraag of er tussen twee of meer categorieën participanten sprake is van een significant verschil, is met Analyses of Variance (ANOVA) nagegaan of de gemiddelden significant verschillen. Daarbij is een significantieniveau van 5% gehanteerd. Antwoorden op de open vragen zijn geanalyseerd met een thematische analyse, waarbij de procedure van Braun en Clark*25 als uitgangspunt heeft gediend. Hoe dit precies in zijn werk is gegaan, wordt bij de betreffende resultaten beschreven. De resultaten zijn in deze bijdrage verwerkt en de conclusies zijn vergeleken met het in de inleiding genoemde onderzoek. Nadat de onderzoeksresultaten in de volgende paragraaf zullen worden gepresenteerd, volgt in de aansluitende paragraaf de conclusie.

4. Onderzoeksresultaten 

4.1. Participanten: algemene informatie
In totaal vulden 149 rechters de vragenlijst in, verdeeld over de verschillende rechtsgebieden: civiel recht (N=68), strafrecht (N=44), bestuursrecht (N=22) en belastingrecht (N=9).*26 5 rechters gaven aan in een ander rechtsgebied te werken, waarvan 4 als kantonrechter en 1 in zowel het straf- als het civiel recht; van 1 rechter is onbekend in welk rechtsgebied hij of zij actief is. Het aantal jaren ervaring als rechter liep uiteen van 0 jaar tot 32 jaar met een gemiddelde van 14,45 jaar (SD = 8,42). Het aantal jaren ervaring uitgesplitst naar rechtsgebied ziet u in Tabel 1.

2018-06-Tabel-1.png#asset:19372018-06-Tabel-1.2.png#asset:1936

Van 3 rechters is onbekend op welke locatie zij werken. Voor de overige 146 participanten staat een overzicht in Tabel 2.

2018-06-Tabel-2.png#asset:1934

Van de participanten gaven 50 rechters (33,6%) aan eerder te hebben gewerkt in de advocatuur, 20 rechters dat zij kwamen uit het bedrijfsleven (20%) en 13 rechters dat zij kwamen uit de wetenschap (14%). De overige rechters geven aan dat zij niet in een andere functie gewerkt hebben voordat zij rechter werden (40,9%) of hebben geen antwoord gegeven op deze vraag (2,7%).

4.2. Percepties van de mate van rechtseenheid
De percepties van de mate van rechtseenheid zijn op twee manieren gemeten: allereerst door middel van een algemeen oordeel over de mate van rechtseenheid; vervolgens is aan de rechters gevraagd in hoeverre rechterlijke uitspraken voorspelbaar worden geacht. Voorspelbaarheid is een indicator van rechtseenheid. Toch zijn het wel twee verschillende zaken: uitkomst van een geding versus de gehanteerde maatstaven.*27 Volgens de rechters is er een gemiddelde mate van rechtseenheid in uitspraken van rechterlijke colleges op hetzelfde rechtsgebied, met een gemiddelde score van 3,14 (SD=0.60) op een schaal van 1 (zeer geringe mate) tot 5 (zeer grote mate) – zie voor de frequentie van de verschillende antwoordopties Figuur 1.

2018-06-Figuur-1.png#asset:1940

Er bleek geen significant verschil te bestaan in de waargenomen rechtseenheid tussen de vier verschillende rechtsgebieden, (F(3) = 0.77, p =.51).*28 Ook was er geen verband tussen het aantal jaren ervaring als rechter en de waargenomen rechtseenheid, (r (145) = .05, p = .50). Wat betreft de voorspelbaarheid van uitspraken van andere rechters, waren de scores voor de stellingen scheef verdeeld – d.w.z. er is geen normale verdeling (zie ook Figuur 2).*29 Met een modus en mediaan van 4, lijken de participanten zowel uitspraken van andere rechtbanken in eerste aanleg als uitspraken van hogere rechters over het geheel genomen redelijk voorspelbaar te vinden. Er bestaat geen verschil tussen de rechters uit de vier verschillende rechtsgebieden, noch is er een correlatie tussen de attitude ten opzichte van deze stellingen en ervaring (alle p’s > .49).

2018-06-Figuur-2.png#asset:1941

Een grote meerderheid van de rechters ervaart over het algemeen rechtseenheid in de uitspraken binnen de afdeling van de rechtbank waar zij werken.

Een grote meerderheid van de rechters (76,9%) is het ook eens met de stelling dat er over het algemeen sprake is van rechtseenheid in de uitspraken binnen de afdeling van de rechtbank waar zij werken. Slechts 4,1% van de rechters is het daarmee oneens – zie ook Figuur 3.

2018-06-Figuur-3.png#asset:1942

Ook in de reacties op deze stelling is er geen verschil tussen de vier verschillende rechtsgebieden (Welch’s F (3, 29.25) = 2.82, p = .06).*30 Wel lijkt er een relatie te zijn tussen de mate waarin rechters het eens zijn met deze stelling en hun ervaring, r(142) = .17, p = .04. Deze correlatie impliceert dat hoe langer de participanten als rechter werken, hoe meer zij van mening zijn dat er sprake is van rechtseenheid in de uitspraken binnen de afdeling van de rechtbank waar zij werken. Deze correlatie is echter zwak te noemen.

De meeste rechters in onze studie (78,9%) geven aan dat rechtspraak van de andere rechters soms gevolgd wordt; 20,4% geeft zelfs aan dat dit altijd het geval is. Slechts 1 participant geeft aan dat rechtspraak van andere rechters nooit gevolgd wordt. Eenzelfde beeld bestaat voor de mate waarin het volgen of afwijken van rechtspraak door andere rechters ook gemotiveerd gebeurd - zie Tabel 3.

2018-06-Tabel-3.png#asset:1947

Op de vraag of rechters wel eens bewust een afwijkende uitspraak doen, zegt 6.4% van de rechters dat zij dit nooit doen, 92.9% dat zij dit soms doen en 0.7% dat zij dit vaak doen. Als zij dit doen, doen ze dit overwegend om de rechtsontwikkeling te bevorderen: 16.4% geeft aan dit altijd met dat motief te doen, 25.7% geeft aan dit vaak met het motief rechtsontwikkeling te doen en 30% geeft aan dit soms om die reden te doen. Respectievelijk 19.3% en 8.6% geeft aan dit zelden of nooit ter bevordering van rechtsontwikkeling te doen.

4.3. Oorzaken van divergentie
Uit het voorgaande volgt dat er niet altijd sprake is van waargenomen rechtseenheid bij rechters in eerste aanleg. De vraag die dan opkomt is welke redenen ten grondslag liggen aan deze waargenomen rechtsdivergentie. De rechters werd gevraagd welke oorzaken voor een gebrek aan rechtseenheid van belang zijn. Zij konden daarbij kiezen uit meerdere antwoorden en ook meerdere antwoorden geven. Uit Figuur 4 blijkt dat er verschillende redenen zijn gegeven die allemaal ongeveer even belangrijk worden gevonden. Een gebrek aan motivering door rechters wordt als minst belangrijke oorzaak aangeduid. In vergelijking met het onderzoek naar materiële rechtseenheid op het terrein van het bestuursrecht uit 2001 valt op dat ‘onduidelijke wet en regelgeving’ toen als belangrijkste uit het onderzoek kwam;*31 nu is dat niet echt het geval.

2018-06-Figuur-4.png#asset:2138


40 rechters geven aan dat er (ook) een andere oorzaak aan het gebrek aan rechtseenheid ten grondslag ligt. Nadat we de responsen waar meerdere inhoudelijke antwoorden (soms met meerdere onderdelen) in zaten hadden opgedeeld in enkelvoudige responsen, heeft vervolgens 1 codeur de responsen gecodeerd en thema’s ontwikkeld. Daarna heeft een tweede codeur met die lijst van thema’s alle responsen ook gecodeerd. Bij ongelijke code heeft een derde codeur de doorslag gegeven. In 2 gevallen werden 3 verschillende codes gegeven – deze zijn daarom niet verder meegenomen. Via deze procedure werd een interbeoordelaarsbetrouwbaarheid van K(appa) = .53 bereikt, dit is volgens de classificatie van Landis en Koch*32 een moderate agreement. Voor doeleinden van dit onderzoek – namelijk beschrijven welke oorzaken doorgaans genoemd worden voor gebrek aan rechtseenheid – is dit naar ons oordeel voldoende.

Veelal wordt hierbij verwezen naar de verschillende feitencomplexen of omstandigheden (ca. 24%), oftewel een verschillende interpretatie daarvan door de rechter (geen enkele zaak is hetzelfde, ca. 22%), maar ook naar rechtsontwikkeling en veranderende of tegenstrijdige jurisprudentie (ca. 2 %) of het ontbreken van een afschrift van het arrest bij hoger beroep (ca. 5%). Ook wordt enkele keren genoemd dat bepaalde normen verschillend geïnterpreteerd kunnen worden (bijv. redelijkheid, billijkheid, goed werkgeverschap, ernstig verwijtbaar – ca. 15%). Sommige reacties bevatte geen inhoudelijke reactie (ca. 12%) of een kritische noot bij de vraag(stelling) (ca. 20%).*33

Waar het gaat om mechanismen om rechtseenheid te bevorderen, achten rechters vooral cassatie, overleg binnen de afdeling of het team en hoger beroep van belang.

4.4. Belang van (coördinatie)mechanismen
Wij hebben de participanten een aantal mechanismen ter bevordering van rechtseenheid voorgelegd en hen gevraagd aan te geven welk belang zij aan de genoemde mechanismen toekennen. Waar het gaat om mechanismen om rechtseenheid te bevorderen, achten rechters vooral cassatie, overleg binnen de afdeling of het team en hoger beroep van belang.*34

Databanken, overleg tussen de afdeling/het team van de eigen rechtbank en het landelijk overleg van de voorzitters van de afdeling worden door minder rechters van belang geacht, maar worden door bijna de helft van de rechters toch als belangrijk aangeduid. Het minste van betekenis voor rechtseenheid zijn volgens de rechters procesregelingen, overleg tussen hoogste rechters, en conclusies van de PG/AG - zie Figuur 5.

2018-06-Figuur-5.png#asset:2135


23 rechters gaven aan dat naast de bovenstaande mechanismen een ander mechanisme van belang is. Ook deze antwoorden werden met een thematische analyse geanalyseerd. Hier werd een interbeoordelaarsbetrouwbaarheid van  K=  .68 behaald, dit is een substantiële overeenkomst en naar ons oordeel ruim voldoende voor dit onderzoek.*35

In de reacties komt een landelijk overleg van expertgroepen vaak terug (17%). Ook overleg tussen de rechtbank en het hof is een terugkerend mechanisme dat benoemd wordt (13%). Eigenlijk zijn allerlei verschillende soorten van overleg volgens de participanten heel belangrijk (35%). Ten laatste worden ook prejudiciële vragen twee keer expliciet genoemd (9%) en wordt eenmaal het belang van een goede en begrijpelijke motivering benadrukt (4%). Ook wordt een aantal keren een kritische noot bij de vraag geplaatst (22%).

In totaal gaven 104 respondenten (71,8%) een eenduidig antwoord op de vraag welk mechanisme de komende jaren naar hun inzicht het meeste aan belang zou winnen. Van deze rechters denkt een groot deel dat databanken het meest aan belang zullen winnen. Andere mechanismen die volgens de respondenten aan belang zullen winnen zijn cassatie en het landelijk overleg voorzitters.

2018-06-Figuur-6.png#asset:2136


Rechtseenheid is niet het enige thema dat de rechtspraak bezighoudt (vergelijk paragraaf 2). Daarom hebben wij gevraagd naar het relatieve belang van rechtseenheid in de rechtspraak.*36 Rechters werd ook gevraagd in hoeverre er aan verschillende thema’s prioriteit zou moeten worden gegeven in de rechterlijke organisatie. Voor elk van vijf thema’s konden zij aangeven welke prioriteit dit thema voor hen had op een schaal van 1 (zeer geringe mate) tot 5 (zeer grote mate). Er blijkt een significant verschil te bestaan in het belang dat aan de verschillende thema’s werd gehecht (F(5,45) = 9.16, p <.001, η2p = .50).

Twee thema’s hebben volgens de respondenten meer prioriteit dan andere thema’s, te weten begrijpelijkheid van het rechtsgeding voor burgers en de doorlooptijd van rechtszaken – zie Tabel 4. De hoogste prioriteit van de doorlooptijd bleek ook al uit het in de inleiding genoemde rechtseenheidsonderzoek op het terrein van het bestuursrecht uit 2001.*37 Ook nu staat rechtseenheid niet aan de top van de prioriteitenlijst. Overigens bleek uit ons onderzoek dat alle thema’s relatief belangrijk worden gevonden met gemiddelde scores van minimaal 3.50. Opvallend is het hoge belang aan de begrijpelijkheid – dit past binnen het door de Raad voor de rechtspraak grote belang dat gehecht wordt aan begrijpelijke rechtspraak (vergelijk paragraaf 2). Het belang dat aan de verschillende thema’s werd gehecht was niet afhankelijk van het rechtsgebied waar de rechter in werkte (F (10,92) = 0.87, p = .56).

2018-06-Tabel-4.png#asset:1956

Als er van de rechtspraak van andere rechters wordt afgeweken, is dat overwegend om de rechtsontwikkeling te bevorderen.

5. Conclusie

In deze bijdrage hebben wij verslag gedaan van ons empirisch onderzoek om bij de rechters in eerste aanleg inzicht te krijgen in de waargenomen mate van rechtseenheid en in de omstandigheden die voor het bevorderen van rechtseenheid van belang zijn. Daarbij was de onderzoeksvraag: in hoeverre wordt rechtseenheid waargenomen bij de rechters in eerste aanleg en welke omstandigheden worden door die rechters voor het bevorderen van rechtseenheid van belang geacht? Volgens de rechters die in het onderzoek participeerden is er een gemiddelde mate van rechtseenheid in uitspraken van rechterlijke colleges op hetzelfde rechtsgebied. De participanten lijken zowel uitspraken van andere rechtbanken in eerste aanleg als uitspraken van hogere rechters over het geheel genomen redelijk voorspelbaar te vinden, ongeacht tot welk rechtsgebied ze behoorden. Een grote meerderheid van de rechters ervaart over het algemeen rechtseenheid in de uitspraken binnen de afdeling van de rechtbank waar zij werken. De meeste rechters geven aan dat rechtspraak van de andere rechters soms gevolgd wordt. Verder geven de meeste rechters aan dat soms gemotiveerd de rechtspraak van andere rechters wordt gevolgd respectievelijk van wordt afgeweken. Als er van de rechtspraak van andere rechters wordt afgeweken, is dat overwegend om de rechtsontwikkeling te bevorderen. 

Uit de reacties van de rechters bleek dat er niet altijd sprake was van waargenomen rechtseenheid. Van de redenen genoemd op de vragenlijst, bleken de meeste rechters de onvoldoende afstemming tussen rechters als belangrijkste reden voor een gebrek aan rechtseenheid te noemen. In vergelijking met het onderzoek naar materiële rechtseenheid op het terrein van het bestuursrecht uit 2001 valt verder op dat ‘onduidelijke wet en regelgeving’ toen duidelijk als belangrijkste reden uit het onderzoek kwam en dat dit nu niet het geval is; nu is dat onvoldoende afstemming door rechters. Als andere, niet door de vragenlijst genoemde, redenen worden nog genoemd: de verschillende feitencomplexen of omstandigheden, ofwel een verschillende interpretatie daarvan door de rechter, maar ook de rechtsontwikkeling en veranderende of tegenstrijdige rechtspraak of het ontbreken van een afschrift van het arrest bij hoger beroep. Ook wordt enkele keren genoemd dat bepaalde normen verschillend geïnterpreteerd kunnen worden. Waar het gaat om mechanismen om rechtseenheid te bevorderen, achten rechters vooral cassatie, overleg binnen de afdeling of het team en hoger beroep van belang. Databanken en diverse soorten collegiaal overleg worden van groot belang geacht. Als mechanismen ter bevordering van de rechtseenheid denken rechters dat met name de databanken, maar ook cassatie en het landelijk overleg voorzitters, de komende jaren het meeste aan belang zullen winnen.

Twee thema’s hebben volgens de respondenten meer prioriteit dan rechtseenheid, te weten begrijpelijkheid van het rechtsgeding voor burgers en de doorlooptijd van rechtszaken. De hoogste prioriteit van de doorlooptijd bleek ook al uit het rechtseenheidsonderzoek op het terrein van het bestuursrecht uit 2001. Ook nu staat rechtseenheid niet aan de top van de prioriteitenlijst. Overigens bleek uit ons onderzoek dat alle thema’s relatief belangrijk worden gevonden. Het belang dat aan de verschillende thema’s werd gehecht was niet afhankelijk van het rechtsgebied waar de rechter in werkte. Opvallend is het hoge belang dat door rechters wordt gehecht aan de begrijpelijkheid – dit past binnen het door de Raad voor de rechtspraak grote belang dat gehecht wordt aan begrijpelijke rechtspraak.

Vergelijk bijvoorbeeld zijn Agenda van de Rechtspraak 2011-2014, p. 8 e.v., te raadplegen via https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/Agenda-van-de-Rechtspraak-2011-2014.pdf.

Eenheid van wetgeving, bijvoorbeeld, als onderdeel van rechtseenheid, valt als zodanig buiten het kader van dit onderzoek. Vergelijk hierover R. Ortlep & R.J.G.M. Widdershoven, ‘De goede voornemens van een Europese wet bestuursrecht’, Ars Aequi 2018, p. 411-417.

Vergelijk M.A. Loth, ‘Eenheid in gelaagdheid. Over formele en materiële rechtseenheid in een meergelaagde rechtsorde’, Ars Aequi 2018, p. 335-342.

F.P. van Tulder, In de schaduw van de rechter. Individuele en maatschappelijke kosten en baten van de juridische infrastructuur, Research Memoranda nr. 4, Den Haag: Raad voor de rechtspraak 2014, i.h.b. p. 86 en p. 110.

Sinds 2018 is dit de nieuwe naam van het onderzoekscentrum. Voorheen, bij aanvang van het onderzoek en bij het afnemen van de vragenlijsten nog, heette het onderzoekscentrum het Montaigne Centrum voor Rechtspleging en Conflictoplossing.

Vergelijk de Rode draad van dit jaar over rechtseenheid in het maandblad Ars Aequi. Die Rode draad is tot stand gekomen door een samenwerking tussen de redactie van dat maandblad en het Montaigne Centrum voor Rechtsstaat en Rechtspleging.

Vergelijk de op initiatief van het Montaigne Centrum voor Rechtsstaat en Rechtspleging verschenen special issue van het Utrecht Journal of International and European Law (vol. 34, nr. 1, 2018). Te raadplegen via https://www.utrechtjournal.org/17/volume/34/issue/1/.

J. van Erp et al., Eenheid van rechtspraak. Een onderzoek naar de werking van coördinatiemechanismen in het bestuursrecht, Amsterdam: Thela Thesis 2001. Anders dan in het laatstgenoemde onderzoek zijn de procesvertegenwoordigers niet meegenomen. Voor de reactie van de regering op dat onderzoek zij gewezen op Kamerstukken II 2001/02, 26352, 61. Zie verder M.L. Thieme et al., Rechtseenheid in de vreemdelingenrechtspraak, Amsterdam: Thela Thesis 1999.

Deze paragraaf bouwt met name voort op R. Ortlep, ‘Optimaliseren rechtseenheid tussen de hoogste bestuursrechters’, in: E.M.H. Hirsch Ballin, Rechtsontwikkeling door de bestuursrechter. VAR-reeks 154, Den Haag: BJu 2015, p. 59-160; R. Ortlep, ‘Tussen droom en daad: advies van de Commissie rechtseenheid bestuursrecht’, JBplus 2016/4, p. 3-24.Deze paragraaf bouwt met name voort op R. Ortlep, ‘Optimaliseren rechtseenheid tussen de hoogste bestuursrechters’, in: E.M.H. Hirsch Ballin, Rechtsontwikkeling door de bestuursrechter. VAR-reeks 154, Den Haag: BJu 2015, p. 59-160; R. Ortlep, ‘Tussen droom en daad: advies van de Commissie rechtseenheid bestuursrecht’, JBplus 2016/4, p. 3-24.

E. Bauw, ‘Rechtseenheid I: Bloggen over rechtseenheid? De aftrap’, raadpleegbaar via http://blog.montaignecentre.com/index.php/228/bloggen-over-rechtseenheid-de-aftrap-eddy-bauw.

Vergelijk G.C.C. Lewin, Het burgerlijk procesrecht is de pathologie van het recht, Deventer: Kluwer 2013, p. 18. Zo ook P.J.G. Kapteyn in: R.A. Lawson, ‘Mr. P.J.G. Kapteyn’, RMThemis 2018/3, p. 104-114, hier p. 112.

Zie hierover uitvoerig I. Giesen & R. Ortlep, ‘Een mogelijk succesverhaal? De prejudiciële vraagprocedure in het bestuursrecht’, Trema 2017/4, p. 135-145; I. Giesen et al., De Wet prejudiciële vragen aan de Hoge Raad, Den Haag: Boom Juridisch 2016, waar ook de vraag of de prejudiciële procedure heeft bijgedragen tot rechtseenheid wordt besproken.

Vergelijk de bronnen genoemd in voetnoot 9. Zie verder Van Erp et al., op. cit., p. 65.

Hier past ook klare taal bij. Vergelijk M. Malsch, ‘Vaktaal en incrowd. De stand van zaken met begrijpelijke rechtstaal anno 2017’, Trema 2018/1; D.A. Verburg, ‘De rechter tussen straattaal en jargon: op weg naar begrijpelijke uitspraken’, Ars Aequi 2018, p. 169-173.

Vergelijk S.G. Grimmelikhuijsen, ‘Van gegeven naar verdiend gezag. Hoe kan transparantere rechtspraak (blijvend) bijdragen aan legitimiteit?’, Rechtstreeks 2018/2, p. 13-35; J.E.J. Prins, H. Griffioen & D. Broeders, ‘Naar een transparante rechtspraak. Geen glans zonder wrijving’, in: D. Broeders e.a. (red.), Speelruimte voor transparantere rechtspraak, Den Haag: WRR 2013, p. 25-114. Zie M.R. van Tiel, Tussen openhartigheid en kwetsbaarheid. Over de rechterlijke motiveringskeuze bij rechtsvorming, Den Haag: Celsus juridische uitgeverij 2017.

Vergelijk – als gevolg van KEI – artikel 30p lid 1 Rv en zie hierover M.J.A.M. Ahsmann, ‘Motieven om te motiveren. Artikel 30p Ontwerp Rechtsvordering en motivering van het civiele vonnis in historisch perspectief’, Ars Aequi 2015, p. 939-945.

Vergelijk recent nog de bijdrage van C.H.W.M. Sterk in een deskundigendebat over de staat van de rechtsstaat in de Eerste Kamer (te vinden op https://www.rechtspraak.nl). Zie M.E.L. Fikkers, ‘Het Manifest van Leeuwarden: 5 jaar na dato’, Ars Aequi 2017, p. 1024-1027.

H.C.F. Schoordijk, Realistische en pragmatische rechtsvinding: taak en taakopvatting van de rechter in de westerse wereld, Oisterwijk: WLP 2014, p. 56-57.

Bijlage bij Kamerstukken II 2015/2016, 34389, 9 (hierna: Crb). Zie hierover P.J.J. van Buuren, ‘Rechtseenheidsvoorzieningen en de Afdeling bestuursrechtspraak’, in: M. Bosma e.a. (red.), Graag nog even bespreken. Liber amicorum Henk Lubberdink, Den Haag: Raad van State 2016, p. 63-74.

Crb 2016, p. 13 e.v. Zie tevens R.M. van Male, ‘Rechtseenheid en rechterlijke organisatie’, NTB 2015/15, p. 123-127; J. de Hullu, ‘Rechtseenheid op het kruispunt van bestuursrecht en strafrecht’, in: M. Bosma e.a. (red.), Graag nog even bespreken. Liber amicorum Henk Lubberdink, Den Haag: Raad van State 2016, p. 55-62.

Crb 2016, p. 13.

Ibid.

De onderzoekers danken de peers en collega’s van de Universiteit Utrecht voor hun opmerkingen en mr. A.M. Overheul voor haar medewerking en onderzoeksassistente bij dit onderzoek.

Bij aanvang van het onderzoek is ons gewezen op de Commissie Rechtseenheid strafrecht, bestaande uit een strafrechter van elk gerecht. Die Commissie Rechtseenheid doet – op verzoek van het LOVB – voorstellen aan het LOVS die strekken tot bevordering van rechtseenheid van de rechtspleging in strafzaken. Een resultaat van de werkzaamheden van de Commissie Rechtseenheid zijn o.a. de LOVS-oriëntatiepunten voor straftoemeting.

V. Braun & V. Clarke, ‘Using Thematic Analysis in Psychology’, Qualitative Research in Psychology3 (2), 2006, p. 77-101.

Aangezien wij de vragenlijst hebben laten verspreiden via de contactpersonen is het onduidelijk wat de respons-ratio was.

Zie ook Van Erp et al., op. cit., p. 15.

Enkel de rechtsgebieden civiel recht, strafrecht, bestuursrecht en belastingrecht zijn hierbij meegenomen. De categorie ‘overige’ die vooral de kantonrechter besloeg, was te klein om zinvol mee te nemen in de analyse.

Daarom worden in het navolgende de modus en mediaan gerapporteerd in plaats van het gemiddelde.

Hoogstens een zogenaamd marginaal significant verschil; - Welch’s F wordt gerapporteerd omdat de assumptie van gelijke variantie geschonden werd, zoals bleek uit een Levene’s test, F (3,137)7.30, p < .001.

Van Erp et al., p. 39-40 en p. 61.

J.R. Landis & G.G. Koch, ‘The Measurement of Observer Agreement for Categorical Data’, Biometrics 1977, p. 159-174.

Dit waren vooral rechters die aangaven dat er geen gebrek aan rechtseenheid was en dat nog eens uitten.

Zo ook reeds Van Erp et al., op. cit., p. 45 (‘jurisprudentie’ in plaats van ‘cassatie’).

Landis & Koch, op. cit.

Door een fout in programmering zijn de antwoorden van de eerste 88 respondenten voor deze vraag niet geregistreerd. Op 31 januari 2018 om ca. 18.00 uur is de programmering aangepast, waarna er nog 61 reacties op de vragenlijst zijn binnengekomen. Voor deze vraag (i.e. vraag 15 van de enquête) worden enkel deze reacties geanalyseerd.

Van Erp et al., op. cit., p. 12-13 en p. 58.

Top