06 2018

Artikel

Mondeling uitspraak: een onderschatte kans?

Wat is de meerwaarde van mondelinge uitspraak? Niemand zal ontkennen dat een mondelinge uitspraak als vanzelf een invoelender karakter lijkt te hebben. De mondelinge uitspraak van de rechter zou bijdragen aan het gevoel van acceptatie bij de ontvanger. De auteur schetst een beeld van de ontwikkelingen rond mondelinge uitspraak en geeft een inzicht in de meerwaarde die het heeft en potentieel zou kunnen hebben.

Inleiding

Het doen van mondelinge uitspraak staat in de belangstelling. Per september vorig jaar is artikel 30p Rv ingevoerd,*2 de SSR heeft een cursus mondeling vonnis ontwikkeld en de visitatiecommissie Rechtspraak 2018 heeft in haar enquête onder de medewerkers van de Rechtspraak enkele vragen gewijd aan de mondelinge uitspraak en de versnelling van procedures die hierdoor al dan niet mogelijk is.*3 Tevens heeft de Hoge Raad in april van dit jaar een interessant arrest gewezen over de uitleg van artikel 30p Rv.*4 De vraag is dan ook welke ontwikkelingen zich op het terrein van de mondelinge uitspraak voordoen. In het bijzonder: wat is de meerwaarde van de mondelinge uitspraak en wanneer kan die (ook in het civiele recht) worden ingezet? Hier zal op deze vragen worden ingegaan.*5 Daarbij zal ik ook ingaan op de vraag of de Hoge Raad de mogelijkheden van artikel 30p Rv niet te beperkt opvat.

Een civiele rechtspraak die beter aansluit bij de maatschappelijke behoefte om snel duidelijkheid te krijgen, doet hopelijk ook het aantal civiele zaken bij de Rechtspraak, na een aantal jaren van krimp, weer toenemen.

Mijn persoonlijke wens en hoop is dat door dergelijke moderniseringen de civiele rechter de maatschappelijke relevantie van de civiele rechtspraak zal weten te versterken. Een civiele rechtspraak die beter aansluit bij de maatschappelijke behoefte om snel duidelijkheid te krijgen, doet hopelijk ook het aantal civiele zaken bij de Rechtspraak, na een aantal jaren van krimp, weer toenemen.

Mondeling uitspraak: een onderschatte kans?

Foto: rechtbank te Almelo, bron: rechtbank Overrijssel.



Ontwikkelingen ten aanzien van de mondelinge uitspraak

In het strafrecht en het bestuursrecht bestaat de mogelijkheid om mondeling uitspraak te doen al lang. Bij strafzaken zijn bijvoorbeeld de politierechter en de kantonrechter op grond van artikel 378 Sv respectievelijk artikel 395 Sv bevoegd om mondeling vonnis te wijzen. In de praktijk wordt zowel door de politierechter als de kantonrechter in het merendeel van de strafzaken mondeling vonnis gewezen.

De bestuursrechter kan krachtens artikel 8:67 Awb na het sluiten van het onderzoek ter zitting gelijk mondeling uitspraak doen. In het bestuursrecht wordt deze bevoegdheid vooral gebruikt bij eenvoudige en/of spoedeisende zaken. Mede naar aanleiding van de hernieuwde aandacht voor het doen van mondelinge uitspraak zijn er in Trema van november 2017 tien aanbevelingen voor het doen van mondelinge uitspraak in het bestuursrecht gepubliceerd.*6 De aanbevelingen van deze Gelderse collega’s zijn nuttig en herkenbaar. Er zijn echter ook aanbevelingen die het doen van mondelinge uitspraak lijken te problematiseren. Natuurlijk moet de uitspraak voor partijen te volgen zijn, maar geldt dat niet voor de hele zitting? Ook lijkt er enige angst te bestaan voor escalatie op het moment dat er mondeling uitspraak wordt gedaan. Maar waarom zou een politierechter iemand die ervan wordt verdacht een medewerker van de sociale dienst te hebben mishandeld – zonder escalatie – mondeling kunnen veroordelen, en zou een uitspraak op een beroep tegen de korting op de uitkering wegens die mishandeling, tot escalatie leiden?

Het civiele recht kent van oudsher schriftelijke vonnissen. Bij de wet van 25 oktober 1989, Stb. 483, is destijds in artikel 46 Rv de mogelijkheid gecreëerd om een mondeling tussenvonnis te wijzen. Beoogd werd om de comparitierechter de mogelijkheid te geven om de procedure te versnellen.*7 Destijds was daarvoor de instemming van partijen nog vereist. Bij de herziening van het burgerlijk procesrecht in 2002 is die voorwaarde verdwenen. Blijkens de memorie van toelichting bij artikel 232 Rv ‘teneinde zo chicanes en onnodig oponthoud te voorkomen’.*8

In de praktijk doet de civiele rechter sinds jaar en dag ook mondelinge einduitspraken.

In de praktijk doet de civiele rechter sinds jaar en dag ook mondelinge einduitspraken. Niet in bodemzaken die bij dagvaarding zijn ingeleid, maar wel in spoedeisende zaken, zoals kortgedingen, jeugdzaken en zaken op basis van de Wet BOPZ. Alsdan wordt aan het einde van de mondelinge behandeling door de rechter medegedeeld wat zijn of haar beslissing is, zo nodig met afgifte van een grosse van het dictum dan wel een noodbeschikking. Uiterlijk enkele dagen later wordt een afschrift verstrekt van de uitgewerkte motivering in een vonnis of beschikking, gedateerd op de dag van de mondelinge uitspraak.

Mondeling uitspraak: een onderschatte kans?

Bron: rechtbank Overijssel.



Op 1 september 2017 is artikel 30p Rv ingevoerd. Daarbij is (overeenkomstig het bestuursprocesrecht) de wettelijke mogelijkheid gecreëerd om ook bij eindvonnissen en eindbeschikkingen aan het eind van de mondelinge behandeling de beslissing aan partijen mee te delen en vervolgens in een proces-verbaal vast te leggen. Daarmee is een al lang bestaande wens van een aantal rechters ingewilligd. De Commissie Verbetervoorstellen Civiel had immers in 2004 reeds voorgesteld om de civiele rechter de mogelijkheid te bieden om, evenals in het straf- en bestuursrecht het geval is, ter zitting onmiddellijk vonnis te wijzen, ook als deze uitspraak een eindoordeel inhoudt.*9

Dit voorjaar heeft de Hoge Raad zich in zijn arrest van 20 april 2018.*10 gebogen over artikel 30p Rv. In navolging van de conclusie van de AG, die aangeeft dat artikel 30p Rv ‘is bedoeld als een uitbreiding van de reeds bestaande mogelijkheden om mondeling vonnis te doen; niet als een beperking daarvan’, overweegt de Hoge Raad dat de rechter zowel overeenkomstig de hiervoor genoemde bestaande praktijk als op de voet van artikel 30p Rv uitspraak kan doen.*11 Daarbij leidt de Hoge Raad uit de toelichting op de wet af dat artikel 30p Rv kennelijk met name toeziet op eenvoudige zaken, waarin geen spoedeisend belang bij de uitspraak hoeft te bestaan.

Indachtig de aanbevelingen van de Commissie Verbetervoorstellen Civiel en de genoemde bedoeling van de wetgever lijkt het zinvol om nader te verkennen waarom het doen van een mondelinge uitspraak te verkiezen zou kunnen zijn boven een schriftelijke uitspraak. In dit artikel onderscheid ik drie redenen voor het doen van mondeling uitspraak. In willekeurige volgorde: a. voortvarende oplossing van geschillen; b. effectieve oplossing van geschillen en c. het gebruik van duidelijke taal.

Voortvarende oplossing van geschillen

‘Gerechtelijke procedures duren te lang, rechters zijn overbelast en de wachttijden eer een zaak behandeld wordt leiden tot grote onvrede bij de burgers.’.*12 Deze openingszin van het hoofdartikel van het Nederlands Juristenblad van begin februari 2018 illustreert de frustratie – in en buiten de rechtspraak – over de duur van (in ieder geval) civiele procedures. Om de relevantie van de (civiele) rechtspraak te behouden, is het noodzakelijk om een antwoord te geven op de genoemde onvrede en procedures sneller af te handelen. In een wereld waar iedereen eraan gewend is om binnen enkele muisklikken een vakantiereis naar Australië te boeken, kleding te bestellen of aangifte van een geboorte te doen, wordt er niet langer begrepen dat een juridische procedure bij de rechtbank maanden of zelfs jaren duurt.*13

Het belang om procedures te versnellen blijkt uit het Klantwaarderingsonderzoek dat in januari dit jaar verscheen.*14 De algemene waardering van rechtszoekenden en professionals voor de rechtspraak is hoog, maar als belangrijkste verbeterpunt wordt verbetering van de doorlooptijden genoemd. Verkorting van doorlooptijden is dan ook een van de belangrijkste doelstellingen van de agenda van de rechtspraak. Het programma KEI wilde hieraan bijdragen door middel van digitalisering en procesinnovatie. Helaas bleek begin dit jaar dat KEI en de daarin voorziene digitalisering langer zouden gaan duren, en inmiddels is bekend dat het KEI-systeem voor civiele handelsvorderingen niet ingevoerd zal worden bij andere rechtbanken dan Gelderland en Midden-Nederland.*15 Dat betekent echter niet dat andere middelen om procedures te versnellen, zoals regievoering en het doen van mondeling uitspraak, nu ook in de ijskast staan. Juist niet! Als rechter in onder meer familie- en jeugdzaken herken ik dat onzekerheid en onduidelijkheid voor betrokkenen heel belastend zijn. Vaders en moeders met onderlinge problemen of problemen met hun kinderen, hopen dat de rechtbank duidelijkheid zal creëren door een goede beslissing te nemen in hun zaak en zij leven toe naar de zitting. Hoewel vaak een van beide partijen belang heeft bij uitstel, is iedereen uiteindelijk gebaat bij het zo snel mogelijk beëindigen van de periode van onzekerheid. Een mondelinge uitspraak kan de noodzakelijke duidelijkheid creëren.

Mondeling uitspraak: een onderschatte kans?

Foto: rechtbank te Zwolle, bron: rechtbank Overijssel.



Hugo Pos, rechter in Zwolle met veel ervaring in het strafrecht, heeft – anticiperend op artikel 30p Rv – ook in familie- en jeugdzaken al veelvuldig mondeling uitspraak gedaan. Zijn ervaringen zijn positief in die zin dat hij bij ouders, maar ook bij kinderen, bespeurt dat onzekerheid erger is dan wellicht een nadelige beslissing. Hugo Pos: 

Je ziet soms letterlijk de spanning van de gezichten (gezichtjes) glijden bij het horen van de uitspraak, ook al kreeg men zijn of haar zin niet. Soms verschijnen [er] ook vraagtekens in de ogen. Dat biedt een mooie kans om uit te leggen wat er nu precies is besloten en waarom. Een uitdaging op zichzelf, want je uitspraak in hele eenvoudige bewoordingen doen, gaat niet vanzelf. Ik controleer wel of men mij heeft begrepen. Even schorsen voor het nadenken over de mondelinge uitspraak kan overigens op zijn tijd ook heel pedagogisch werken. Ik deed dat wel op een rijbewijszitting bij iemand die er voetstoots van uitging dat hij het rijbewijs wel zou terugkrijgen. Toen werd de zaal toch even een zweetkamertje.

Snelle duidelijkheid is ook in andere procedures van groot belang. Bijvoorbeeld in handelszaken kunnen de belangen (bijvoorbeeld voor het voortbestaan van een bepaald bedrijf) groot zijn bij het zo spoedig mogelijk verkrijgen van duidelijkheid over het al dan niet bestaan van een bepaalde aansprakelijkheid of vordering. Het succes van de kortgedingprocedure – met een lange traditie van kop-staartvonnissen – laat dat zien. 

Een mondelinge uitspraak betekent een tijdwinst van enkele weken tot enkele maanden.

De wens om sneller duidelijkheid voor partijen te creëren door mondeling uitspraak te doen, is terug te vinden in de memorie van toelichting bij het nieuwe artikel 30p Rv. De wetgever heeft daarover het volgende opgemerkt: ‘Partijen hoeven daardoor niet nog een aantal weken in onzekerheid te wachten op de uitspraak van de rechter, maar ontvangen zijn oordeel aan het einde van de mondelinge behandeling of, zo nodig, na een korte schorsing.’.*16

Een mondelinge uitspraak betekent een tijdwinst van enkele weken tot enkele maanden. De procedure wordt namelijk beëindigd op de datum van het uitspreken van de uitspraak. De weergave van de mondelinge uitspraak in het proces-verbaal (overeenkomstig artikel 30p Rv) of het uitwerken van de motivering in de uitspraak (overeenkomstig de bestendige praktijk bij spoedeisende situaties) verandert niets (aan de datum van) de gedane uitspraak.

De volledige afhandeling van de zaak kan na het mondelinge vonnis snel plaatsvinden. Een proces-verbaal van mondelinge uitspraak kan beknopter zijn dan een schriftelijk vonnis, omdat artikel 30p, tweede lid, Rv niet vereist dat in de mondelinge uitspraak het verloop van het geding wordt beschreven of dat de rechter de conclusies van partijen vermeldt. Daarmee zijn partijen, volgens de AG, aan het slot van de mondelinge behandeling immers reeds bekend.*17

De vraag is in hoeverre de vaststaande feiten moeten worden opgenomen. In afwijking van art. 230 Rv/287 Rv (voorschriften voor uitspraken) en artikel 8:77 Awb kan in het proces-verbaal immers worden volstaan met de beslissing en de gronden daarvan. In Tekst en Commentaar Burgerlijke Rechtsvordering.*18 wordt op basis daarvan aangegeven dat volstaan kan worden met de beslissing en de gronden van de beslissing en dat derhalve niet de feiten hoeven te worden vermeld waarvan de rechter bij zijn beslissing is uitgegaan.

Ik ben het daar niet volledig mee eens. Weliswaar hoeven de vaststaande feiten niet in een onderscheiden paragraaf in het proces-verbaal te worden opgesomd, maar de rechter zal bij zijn overwegingen wel inzichtelijk moeten maken van welke feiten hij of zij is uitgegaan bij de beslissing. Het proces-verbaal moet voldoende gegevens bevatten om de uitspraak in hoger beroep adequaat te kunnen toetsen.*19

In artikel 30p, lid 5 Rv wordt bepaald dat een afschrift van het proces-verbaal binnen twee weken na de mondelinge uitspraak aan partijen ter beschikking wordt gesteld. Hoewel dit agenda-technisch lastig kan zijn en het tijdsdruk kan opleveren voor griffiers en rechters, zou dit geen reden moeten zijn om af te zien van het doen van een mondelinge uitspraak. De werkwijze is immers, zoals al uit het voorgaande volgt, juist efficiënt en leidt uiteindelijk tot tijdswinst. Bovendien zit de zaak vlak na een zitting – en zeker vlak na het doen van mondelinge uitspraak – nog vers in het hoofd van de griffier en de rechter en kan een en ander relatief makkelijk worden opgeschreven zonder de zaak te hoeven herlezen. De werkwijze van artikel 30p Rv leidt ertoe dat hetgeen tijdens een schorsing is opgeschreven en vervolgens aan partijen is medegedeeld, ‘slechts’ in het proces-verbaal hoeft te worden opgeschreven. De AG zegt hierover in zijn conclusie onder 3.19 het volgende: ‘Is de beslissing ter zitting naar behoren mondeling gemotiveerd dan is het opmaken van het proces-verbaal van de zitting inclusief de daarin op te nemen gemotiveerde beslissing een sinecure. Het proces-verbaal bevat een zakelijke samenvatting van het verhandelde ter zitting (art. 30n Rv-KEI), met dien verstande dat de rechter altijd kan kiezen voor een letterlijke weergave van het besprokene.’.*20 Overigens beoogde de Commissie Verbetervoorstellen Civiel een verdergaande vereenvoudiging. De Commissie had voorgesteld om de rechter slechts een ‘schriftelijk vonnis’ te laten maken als één van partijen aangaf daaraan behoefte te hebben en als appel werd ingesteld het mondeling vonnis op te nemen in het proces-verbaal. Voor executie behoorde een aantekening van het mondeling vonnis beschikbaar te zijn. De wetgever is hierin bij de totstandkoming van het nieuwe civiele procesrecht niet meegegaan, maar heeft aansluiting gezocht bij de regeling in de Algemene wet bestuursrecht. Ik denk dat dat terecht is, omdat het doen van mondelinge uitspraak niet ten koste mag gaan van de aanvaardbaarheid van de beslissing voor partijen en de controleerbaarheid in een volgende instantie.*21

Mondeling uitspraak: een onderschatte kans?

Foto: kantongerecht te Enschede, bron: rechtbank Overijssel



Effectieve oplossing van geschillen

Tijdens een bijeenkomst in het kader van het reeds genoemde Klantwaarderingsonderzoek werden in het najaar van 2017 rechtszoekenden bevraagd naar hun ervaringen met de rechtspraak. Daarbij kwamen vooral frustraties naar boven over de duur van de procedure. Die frustraties bleken echter meer in te houden dan frustraties over wachttijden. Er waren ook verwachtingen ten aanzien van de zitting die niet werden waargemaakt. Rechtszoekenden verwachten, soms ondanks een andersluidende uitleg van hun advocaat, niet alleen dat hun zaak op zitting wordt besproken en dat de laatste punten worden opgehelderd, maar ze verwachten dat ze dan – eindelijk – duidelijkheid krijgen. Naar de zitting wordt toegeleefd en het was voor veel aanwezigen kennelijk een teleurstelling dat ze vervolgens nog enige tijd moesten wachten op de schriftelijke uitspraak.*22 Een mondelinge uitspraak kan hieraan tegemoetkomen.

Ook als er veel strijd is over de vraag of een jeugdbeschermingsmaatregel noodzakelijk is, ontstaat er vaak na het uitspreken van een dergelijke maatregel ruimte voor het maken van afspraken tussen de vertegenwoordiger van de jeugdbeschermingsorganisatie en de ouders.

Daarbij komt dat partijen na de mondelinge uitspraak gelijk samen nadere afspraken kunnen maken voor de toekomst. In BOPZ-zaken doet zich dat veelvuldig voor. Nadat de rechter uitspraak heeft gedaan, kunnen de patiënt en de behandelaar, die beiden op zitting aanwezig zijn, meteen afspraken maken over het vervolg van de behandeling. De rechter neemt een beslissing over de voortduring van de opname en trekt zich vervolgens terug. De aldus ontstane ruimte wordt veelvuldig benut voor een gesprek over de (voortgang van de) behandeling.

Bij civiele jeugdzaken gebeurt vaak iets vergelijkbaars. Ook als er veel strijd is over de vraag of een jeugdbeschermingsmaatregel noodzakelijk is, ontstaat er vaak na het uitspreken van een dergelijke maatregel ruimte voor het maken van afspraken tussen de vertegenwoordiger van de jeugdbeschermingsorganisatie en de ouders (en de minderjarige) over het vervolg van de begeleiding. Na de toewijzing van een eerste verzoek worden er vrijwel altijd telefoonnummers uitgewisseld en de eerste afspraken met de jeugdbeschermer gemaakt.

Bij de handelsrechter of kantonrechter zou je je kunnen voorstellen dat er direct na de uitspraak afspraken gemaakt kunnen worden over een betalingsregeling, nakoming van bijzondere verplichtingen bij een huurovereenkomst etc. etc. Dit kan partijen helpen om executiemaatregelen (met alle bijkomende kosten) te voorkomen en eventueel een achterliggend geschil op te lossen.

Gebruik van duidelijke taal

Het gebruik van taal staat binnen de Rechtspraak in de belangstelling, en terecht. Zo is er een klare taal-bokaal om het gebruik van duidelijke taal te bevorderen. Ook kreeg het gebruik van normatieve taal tijdens de oratie van Ruth de Bock veel aandacht. Zij geeft aan de het gebruik van normatieve taal in de samenleving van groot belang is. Het is volgens haar het dagelijks werk van de rechter om gedeelde morele waarden te expliciteren.*23

Naar mijn overtuiging kan door een uitspraak mondeling te doen ervoor worden gezorgd dat de uitspraak beter te volgen is door partijen en kunnen de in het geding zijnde morele waarden mondeling beter worden geëxpliciteerd en toegelicht. In de woorden van de AG: ‘Het ‘face-to-face-contact tussen rechter en partijen zou kunnen bijdragen aan de kwaliteit van de motivering en aan een beter begrip voor de benomen beslissing.’.*24

Meer dan bij een schriftelijke uitspraak, kan de rechter zijn of haar taalgebruik immers aanpassen aan (het niveau van) de ontvanger. Zoals Hugo Pos hiervoor uit eigen ervaring heeft aangegeven, ziet en ervaart de rechter het niveau van de partijen en, als vanzelf, wordt het taalgebruik daarop aangepast. Door het taalniveau aan te passen aan de geadresseerde, heeft een mondelinge uitspraak het voordeel dat een partij op zijn eigen niveau helderheid krijgt over zijn positie en dus weet waar hij aan toe is. Waar de rechter tegen de advocaat zegt dat een verzoek wordt afgewezen, kan hij of zij aan de betrokkene zelf zeggen, bijvoorbeeld bij een verzoek tot wijziging van de alimentatie, dat de alimentatie niet wordt gewijzigd en dat de verzoeker alimentatie moet blijven betalen. Vaak kun je als rechter aan de ogen en de verdere non-verbale reactie van een partij zien of diegene de uitspraak heeft begrepen. Als hij of zij de uitspraak niet direct begrepen lijkt te hebben, kan de rechter vervolgens een extra uitleg geven of expliciet checken of de uitleg is begrepen en op eventuele ter verduidelijking bedoelde vragen van partijen antwoord geven.

Persoonlijke uitleg door de rechter die de zaak behandelt kan bovendien bijdragen aan acceptatie. Een inlevende rechter die de partijen het vertrouwen geeft de zaak en het juridisch instrumentarium te kennen, kan dat bij een mondelinge uitspraak immers beter zichtbaar en ‘voelbaar’ maken dan via een schriftelijke uitspraak.

Mijn ervaring, bijvoorbeeld bij kortgedingen en jeugd- en BOPZ-zittingen, leert dat partijen zich vrijwel altijd schikken naar het mondeling gegeven oordeel van de rechter. Het komt bijvoorbeeld slechts zeer zelden voor dat de situatie uit de hand loopt als partijen de beslissing te horen krijgen, terwijl die beslissingen zeer ingrijpend kunnen zijn. Ik zou mij kunnen voorstellen dat de aanwezigheid van de rechter en de min of meer formele setting een matigend effect hebben, maar ook de mogelijkheid om nog een nadere toelichting te vragen, zou kunnen helpen bij de acceptatie.

Een interessante vraag kan zijn hoe het mondelinge vonnis zich verhoudt met het voorlopig oordeel in civiele zaken. Na het voorlopig oordeel krijgen partijen meestal de gelegenheid om hun geschil onderling te regelen. Als dat niet lukt – en partijen eventueel nog de kans hebben gehad op het voorlopig oordeel te reageren –, kan dit voorlopig oordeel worden omgezet in een mondelinge uitspraak. Wat nu als dat voorlopig oordeel – op basis van na dat voorlopig oordeel ter zitting verkregen informatie – toch anders luidt dan het gegeven voorlopig oordeel? Ik zou menen dat het in die situatie van belang is om niet direct mondeling uitspraak te doen en de tijd te nemen om alles nog eens goed af te wegen. Het mondeling vonnis leent zich niet voor situaties waarin de rechter het eigenlijk niet zeker weet, en de omstandigheid dat het voorlopig oordeel afwijkt van de definitieve beslissing lijkt een indicatie om het geheel nog eens goed te overdenken voordat er mondeling uitspraak wordt gedaan.

Mondeling uitspraak: een onderschatte kans?

Bron: rechtbank Overijssel.



Wanneer wel en wanneer niet?

Uit het arrest van de Hoge Raad volgt dat de mondelinge uitspraak zich vooral leent voor spoedeisende procedures en relatief eenvoudige procedures.*25 De Hoge Raad beschrijft, zoals hiervoor uiteengezet, dat er bij spoedeisende procedures sinds jaar en dag een praktische handelwijze is gevonden om mondeling uitspraak te doen. Ook na de invoering van artikel 30p Rv kan deze handelwijze worden gevolgd.

Met betrekking tot de mondelinge uitspraak volgens artikel 30p Rv overweegt de Hoge Raad onder 3.3.5 het volgende:

In het […] voorschrift dat de mondelinge uitspraak slechts kan worden uitgewerkt door vastlegging van de mondeling medegedeelde beslissing en de gronden daarvan in een proces-verbaal, beperkt de mogelijkheid tot het doen van een mondelinge uitspraak […] in beginsel tot eenvoudige zaken. In meer complexe zaken is het immers in de regel niet mogelijk om alle gronden voor de beslissing aanstonds tot in detail mondeling mede te delen. Aldus worden dergelijke zaken, ook indien daarin klemmende gronden bestaan voor een onmiddellijke uitspraak, in beginsel uitgesloten van de mogelijkheid om mondeling uitspraak te doen. Zou daarin toch voor de weg van artikel 30p Rv worden gekozen, dan zou de motivering van die uitspraak immers, in verband met de complexiteit van de zaak, al snel tekortschieten, hetgeen ten koste gaat van zowel de aanvaardbaarheid van de beslissing voor partijen, als de controleerbaarheid in een volgende instantie, wat beide niet aanvaardbaar is.*26

De beperking tot eenvoudige zaken kan ik deels volgen. In de rechtbank Overijssel experimenteert een aantal collega’s met het doen van mondelinge uitspraak. Daaruit komt het beeld naar voren dat artikel 30p Rv zich inderdaad leent voor (eenvoudige) (kanton)zaken. Anderzijds hoeven we ons daartoe niet te beperken. Met de aanvaardbaarheid voor partijen doelt de Hoge Raad, gelet op de verwijzing naar het arrest Vredo/Veenhuis, er slechts op dat een onderbouwing van een beslissing moet worden gegeven op een wijze die van een rechter mag worden verwacht.

Vindt de Hoge Raad het juridische systeem en traditionele vormen van controleerbaarheid door een hogere instantie van groter belang dan de voortvarende en effectieve geschilbeslechting in heldere taal?

Ward Messer, teamvoorzitter bij de rechtbank Midden-Nederland, waar ook wordt geëxperimenteerd met het doen van mondelinge uitspraak in civiele zaken, vertelde mij dat hij de focus op louter eenvoudige zaken betreurt. Ward Messer:

Een mondelinge uitspraak kan juist in juridisch ingewikkelde zaken een passend antwoord zijn op het steeds verder uitdijen van schriftelijke stukken van advocaten en het dientengevolge steeds langer worden van schriftelijke vonnissen. In Midden-Nederland is in een juridisch complexe zaak over een goederenrechtelijk vraagstuk, mede op basis van een goede voorbereiding van de juridisch medewerker, ter zitting de knoop doorgehakt en mondeling vonnis gewezen. De situatie was wel zo dat ter zitting geen nieuwe argumenten zijn gewisseld omdat partijen zich, op verzoek van de rechter, voor de zitting uitgebreid schriftelijk hadden uitgelaten over de juridische kwestie. Voordeel is dat de rechter gelijk kan inzoomen op het probleem.’ Het aandachtspunt van de Hoge Raad met betrekking tot de controleerbaarheid herkent hij niet. ‘Het geschil wordt teruggebracht tot de kern en op dat punt wordt gemotiveerd hoe de rechter tot zijn oordeel is gekomen. Daarmee wordt op een controleerbare wijze tot uitdrukking gebracht hoe hij of zij tot zijn oordeel is gekomen.

Gelet op de hiervoor geschetste voordelen van de mondelinge uitspraak in het civiele recht en deze hiervoor genoemde eerste ervaringen hiermee, vind ik de beperking tot eenvoudige zaken die de Hoge Raad aanbrengt, teleurstellend. Vindt de Hoge Raad het juridische systeem en traditionele vormen van controleerbaarheid door een hogere instantie van groter belang dan de voortvarende en effectieve geschilbeslechting in heldere taal? Ik denk dat in het huidige tijdsgewricht een snelle en duidelijke uitspraak zeer aanvaardbaar is voor partijen, als bedoeld in het arrest Vredo/Veenhuis. Ik moedig dan ook graag alle collega’s aan die de mogelijkheden van het nieuwe artikel 30p Rv breed verkennen om de voordelen optimaal te benutten.*27

Conclusie 

Uit het voorgaande volgt dat het doen van mondeling uitspraak ook in het civiele recht kan worden ingezet om sneller, beter en duidelijker recht te doen. In mijn rechtbank, de rechtbank Overijssel, wordt door een aantal rechters ervaring opgedaan met het doen van mondeling uitspraak. Ook bij andere rechtbanken, waaronder Midden-Nederland, wordt hiermee geëxperimenteerd. Dergelijke experimenten zijn van groot belang om de nieuwe mogelijkheden van artikel 30p Rv in de praktijk te verkennen en toe te passen.*28 Elke civiele rechter kan daarmee bijdragen aan voortvarende en effectieve rechtspraak in heldere taal. Juist dat is van belang om de maatschappelijke relevantie van onze civiele rechtspraak te versterken.

President van de rechtbank Overijssel. Met dank aan Hugo Pos, Kim van der Kraats en Lisette Goffin, collega’s in de rechtbank Overijssel, en Ward Messer, collega in de rechtbank Midden-Nederland, voor hun bijdragen en commentaar.

Zie over artikel 30p Rv onder meer het redactioneel commentaar in Trema van Friso Kleefmann (Trema 2017/9).

De visitatie is een onderzoek naar de stand van zaken van de kwaliteitszorg in de rechterlijke organisatie. De visitatiecommissie Rechtspraak 2018 stond onder voorzitterschap van oud-politica Femke Halsema. Wegens haar benoeming tot burgemeester van Amsterdam, heeft zij het voorzitterschap neergelegd. Zij is inmiddels opgevolgd door Joyce Sylvester, substituut ombudsman. Projectleider is Petra de Wolf, senior rechter in de rechtbank Noord-Holland. Ten tijde van het schrijven van dit artikel is de uitkomst van de gehouden enquête nog niet openbaar.

Hoge Raad 20 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:650, bevestigd in Hoge Raad 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:684.

Ik richt me in mijn bespreking vooral op de eerste lijn. In het hierna te bespreken arrest en de conclusie van de AG worden over hoger beroep en de termijn voor het indienen van rechtsmiddelen de nodige nuttige opmerkingen gemaakt. Ik volsta ermee om daarnaar te verwijzen.

Trema 2017/9.

Voor een uitgebreide beschrijving van de rechtsontwikkeling in het civiele recht verwijs ik naar de conclusie van AG Langemeijer van 16 maart 2018 (ECLI:NL:PHR:2018:301).

Kamerstukken II 1999/2000, 26 855, nr. 3, blz. 136.

ECLI:NL:HR:2018:650, onder meer gepubliceerd in NJB 2018 onder nummer 89

Zie onderdeel 3.7 van de hiervoor genoemde conclusie van AG Langemeijer van 16 maart 2018 (ECLI:NL:PHR:2018:301).

Openingszin van het artikel ‘De traagheid van het civiele geding, Over doorlooptijden en perverse prikkels’ van mr. dr. Th. Groenewald, NJB 2018/260, afl 5, pag 342.

Voor een nadere bespreking van de problemen die zich bij digitale aangifte van geboorte kunnen voordoen, verwijs ik naar de beschikking van 27 november 2017 van de rechtbank Overijssel, ECLI:NL:RBOVE:2017:4507.

Voortgangsrapportage programma kwaliteit en innovatie, december 2017, Raad voor de rechtspraak, door de minister op 30 januari 2018 aangeboden aan de Tweede Kamer, en de brief van de Raad voor de rechtspraak aan de Minister voor Rechtsbescherming van 27 juni 2018 over waarborgen digitalisering rechtspraak.

MvT bij de Wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Algemene wet bestuursrecht in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht (Kamerstukken 34 059) I.1.1 hfst 10 mondelinge uitspraak.

Overweging 3.21 van de conclusie van AG Langemeijer van 16 maart 2018 (ECLI:NL:PHR:2018:301).

Aantekening 2 bij artikel 30p.

Vgl. MvT, Parl. Gesch. Awb II, p. 462.

Wederom de conclusie van AG Langemeijer van 16 maart 2018 (ECLI:NL:PHR:2018:301).

Vergelijk onder meer HR 4 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0986.

Ronduit boos is men over het feit dat ter zitting toegezegde uitspraaktermijnen vervolgens niet worden gehaald. Dit werd omschreven als ‘arrogant’. Begin 2018 schreef ik hierover op de intro-pagina van de website van rechtbank Overijssel een blog.

De Toekomst van de civiele rechtspraak, een pleidooi om de civiele rechter niet te ontlasten, uitgesproken te Amsterdam op 22 juni 2017.

Onderdeel 3.10 van de conclusie van AG Langemeijer van 16 maart 2018 (ECLI:NL:PHR:2018:301).

Hoge Raad 20 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:650, bevestigd in Hoge Raad 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:684.

Vgl. onder meer HR 4 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0986, NJ 1993/659 (Vredo/Veenhuis).

In lijn hiermee moedig ik uiteraard graag ook rechters in het bestuursrecht of civiele rechters in kortgeding uit om de mogelijkheden van mondelinge uitspraak in hun werk nader te verkennen. Daar bestond die mogelijkheid al langer, maar hopelijk stimuleert de totstandkoming van artikel 30p Rv hen om die mogelijkheden intensiever te gebruiken. 

De ervaringen bij de verschillende rechtbanken worden verzameld en uitgeverij Boom Juridische Uitgevers zal binnenkort van start gaan met het publiceren van die ervaringen in KEI-Updates, die via Legal Intelligence beschikbaar zullen zijn binnen de gerechten.

Top