05 2018

Rechtspraak onder de Wmo 2015

Bespreking van de stand van zaken

-*1
De Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) is alweer een tijdje van kracht. Tijd om de stand van zaken aan de hand van de inmiddels gevormde rechtspraak te bespreken.

Om de Wmo 2015 goed te kunnen plaatsen, besteden we eerst aandacht aan wat aan deze wet voorafging (paragraaf 1). Omdat uit het overgangsrecht van de Wmo 2015 volgt dat op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) verstrekte individuele voorzieningen ook na 2015 geruime tijd kunnen blijven bestaan, besteden we eerst aandacht aan het overgangsrecht (paragraaf 2). Vervolgens bespreken we de jurisprudentie waarbij we ons concentreren op de verstrekking van de maatwerkvoorziening. Hierbij gaan we in op het wettelijk kader, het onderzoek, de eigen kracht, de mantelzorg, de passende bijdrage en de objectieve criteria (paragraaf 3). Verder komen aan bod de essentialia-doctrine over wat de gemeente in haar verordening moet hebben geregeld (paragraaf 4) en de bijdrage die is verschuldigd in de kosten van de verstrekte maatwerkvoorziening (paragraaf 5). We sluiten deze bijdrage af met een korte conclusie (paragraaf 6).

1. Wat ging vooraf aan de Wmo 2015?

In 1994 kregen gemeenten met de invoering van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) voor het eerst de taak om aan gehandicapten voor de deelname aan het maatschappelijk verkeer rolstoelen en woon- en vervoersvoorzieningen te verlenen.*2 De Wvg werd met de inwerkingtreding van de Wmo per 1 januari 2007 ingetrokken.*3 De Wmo kende een ruimer bereik dan de Wvg. Onder de Wmo is de doelgroep: mensen met een beperking of een chronisch psychisch of psychosociaal probleem. Behalve deel kunnen nemen aan het maatschappelijk verkeer gaat het ook om het zelfstandig kunnen functioneren en werd de huishoudelijke voorziening in de Wmo opgenomen. De Wmo is weer komen te vervallen toen de Wmo 2015 werd ingevoerd.*4 Alhoewel de naam doet vermoeden dat de wetten erg op elkaar lijken, is de opdracht aan het gemeentebestuur in de Wmo 2015 toch zo anders inhoud gegeven dat wij in navolging van wat de Centrale Raad van Beroep (CRvB) in zijn uitspraken doet, het steeds over Wmo en Wmo 2015 zullen hebben.

De Wmo 2015 maakt deel uit van een grote wijziging van het zorgstelsel per 1 januari 2015.*5 Een deel van de zorg die tot het domein van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) behoorde, is tot het domein van de Wmo 2015 gaan behoren, waarmee het bereik van de Wmo 2015 ten opzichte van zijn voorgangers nog verder is uitgebreid (zie hiervoor verder paragraaf 3).

Rechtspraak onder de Wmo 2015

2. Overgangsrecht

Voor de Wmo 2015 is het overgangsrecht in hoofdstuk 8 te vinden. Daar is om te beginnen het lastig geformuleerde overgangsrecht te vinden dat te maken heeft met de intrekking van de AWBZ. Het gaat daarbij om overgangsrecht voor het deel uit de AWBZ dat tot het domein van de Wmo 2015 is gaan behoren.*6 Dit overgangsrecht is boeiend, maar valt buiten de bespreking van deze bijdrage. Wij beperken ons tot de bespreking van het overgangsrecht dat te maken heeft met de intrekking van de Wmo met ingang van 1 januari 2015. Het overgangsrecht hiervoor is opgenomen in art. 8.9 Wmo 2015. Op grond van deze bepaling blijven de rechten en plichten die aan een op grond van de Wmo toegekende individuele voorziening zijn verbonden na 31 december 2014 bestaan. Verder is geregeld dat het recht zoals dat gold voordat enig artikel van de Wmo 2015 in werking trad, van toepassing blijft op besluiten die op grond van de Wmo zijn genomen. De CRvB heeft in enkele uitspraken duidelijk gemaakt wat deze bepaling inhoud. Art. 8.9 dient, gelezen in samenhang met de wetsgeschiedenis, zo te worden begrepen dat onder de Wmo toegekende aanspraken en verplichtingen blijven gelden tot het moment waarop zij op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wmo 2015 worden gewijzigd of beëindigd. Voor lopende gedingen tegen besluiten genomen op grond van de Wmo geldt dat daarop het bepaalde bij en krachtens de Wmo onverkort van toepassing blijft.*7

We kunnen nog lang met de bepalingen van de Wmo te maken hebben.

Concreet betekent dit dat als vóór 1 januari 2015 een primair besluit op grond van de Wmo is genomen waarin een periodieke aanspraak, zoals huishoudelijke verzorging, wordt toegekend die vóór 1 januari 2015 ingaat en doorloopt na 31 december 2014, op die toekenning de Wmo van toepassing blijft totdat dat besluit wordt beëindigd of expireert. Een beëindiging van de individuele Wmo-voorziening na 31 december 2014, omdat deze niet langer als noodzakelijk wordt beoordeeld, kan niet worden gebaseerd op art. 2.3.10 Wmo 2015, omdat het niet om een op grond van de Wmo 2015 toegekende maatwerkvoorziening gaat. Beëindiging is mogelijk als de gemeentelijke Wmo 2015-verordening in een beëindigingsgrond voorziet voor onder de Wmo toegekende individuele voorzieningen.*8 Het overgangsrecht werkt ook door naar zoiets als de eigen bijdrage. Op een onder de Wmo toegekende individuele voorziening, zoals een traplift in bruikleen, kan geen eigen bijdrage op grond van de Wmo 2015 worden opgelegd. Eerst zal de Wmo-voorziening moeten worden beëindigd en zal een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 en de verordening moeten worden toegekend. Bij die toekenning kan dan de bijdrage in de kosten van de maatwerkvoorziening worden opgelegd.*9 In de Wmo 2015 is geen bepaling opgenomen op grond waarvan het college van de lopende Wmo-voorzieningen binnen een bepaalde periode moet beoordelen of zij als maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 gecontinueerd kunnen worden. Hierdoor kunnen we dus nog lang met de bepalingen van de Wmo te maken hebben.

3. Verstrekken van maatwerkvoorzieningen

3.1 Wettelijk kader
In art. 1.1.1 Wmo 2015 is gedefinieerd wat onder ‘maatwerkvoorziening’ wordt verstaan:

(...) een op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen:
1. ten behoeve van zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen,
2. ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere maatregelen,
3. ten behoeve van beschermd wonen en opvang.

Op grond van art. 2.3.5 lid 3 en 4 Wmo 2015 is het college pas verplicht een maatwerkvoorziening toe te kennen als de cliënt*10 niet in staat is zijn beperkingen op het gebied van zelfredzaamheid, participatie (lid 3), dan wel zijn problemen bij het zich handhaven in de samenleving (lid 4) op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen te verminderen of weg te nemen.

3.2 Onderzoek
Of dit het geval is, moet door het college worden onderzocht in het onderzoek bedoeld in art. 2.3.2 Wmo 2015, eventueel op basis van het door de cliënt in dit artikel genoemde persoonlijk plan. Dat onderzoek wordt in de praktijk het ‘keukentafelgesprek’ genoemd, maar hoeft niet per se bij de cliënt thuis te worden gedaan, tenzij dit in de Wmo-verordening is bepaald, zo overwoog de CRvB in zijn uitspraak van 27 december 2017.*11 Deze uitspraak heeft weliswaar betrekking op de Wmo, maar wij zien geen aanleiding ervan uit te gaan dat dit onder de Wmo 2015 anders zal zijn. Het onderzoek is bedoeld om de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning in kaart te brengen.*12 In zijn uitspraak van 21 maart 2018 geeft de CRvB een leidraad over de manier waarop het college moet handelen naar aanleiding van een melding voor maatschappelijke ondersteuning.*13 Eerst moet de hulpvraag worden vastgesteld en vervolgens moet worden onderzocht of, en zo ja, welke problemen betrokkene ondervindt bij zelfredzaamheid en/of participatie. Daarna zal moeten worden bezien of, en zo ja, in hoeverre deze problemen kunnen worden opgelost door middel van eigen kracht, door gebruik te maken van gebruikelijke hulp, mantelzorg en/of hulp vanuit het sociaal netwerk. Als die mogelijkheden er niet zijn of niet toereikend zijn, moet een maatwerkvoorziening worden getroffen. Indien noodzakelijk zal het college deskundig advies moeten inwinnen om te bepalen welke maatwerkvoorziening een passende bijdrage levert. Toekennen van een (standaard)voorziening door een indicatie vanuit de AWBZ over te nemen, zoals in de hiervoor vermelde uitspraak door het college was gedaan, is dus in strijd met de wet.*14 Deze uitspraak ligt in de lijn van de uitspraken van de CRvB van 18 mei 2016, waarin is geoordeeld dat bij toekenning van een maatwerkvoorziening niet kan worden volstaan met een standaardoplossing zoals een gefixeerd aantal uren voor huishoudelijke hulp.*15

Toekennen van een (standaard)voorziening door een indicatie vanuit de AWBZ over te nemen, is in strijd met de wet.

3.3 Eigen kracht
De vraag wat precies onder ‘eigen kracht’ moet worden verstaan, is tot op heden niet expliciet door de rechtspraak beantwoord. Wel valt uit de jurisprudentie af te leiden dat onder ‘eigen kracht’ wordt verstaan de situaties waarin de cliënt de voorziening zelf al heeft gerealiseerd of in staat is zelf maatregelen te treffen om zijn zelfredzaamheid en/of participatiemogelijkheden te vergroten. Aanknopingspunten hiervoor kunnen worden ontleend aan de jurisprudentie die is gevormd onder de Wmo en waarin de CRvB het standpunt huldigde dat het college niet verplicht was een (individuele) voorziening toe te kennen als de belanghebbende in staat was zelf (compenserende) maatregelen te treffen door bijvoorbeeld zijn woonomgeving zodanig in te richten dat geen voorziening hoefde te worden getroffen.*16 Verder kunnen volgens ons ook door de cliënt gemaakte keuzes worden gezien als eigen kracht. Onder de Wmo 2015 heeft de CRvB geoordeeld dat wanneer de cliënt ervoor kiest met een persoonsgebonden budget (pgb) een andere voorziening in te kopen dan is geïndiceerd, het zijn risico is wanneer deze voorziening binnen de looptijd van het pgb tenietgaat.*17 Hetzelfde geldt wanneer de cliënt verhuist naar een gezien zijn beperkingen ongeschikte woning en vervolgens een maatwerkvoorziening aanvraagt.*18

3.4 Mantelzorg
Wanneer de cliënt (een deel van) zijn problemen kan oplossen met behulp van mantelzorg, hoeft geen maatwerkvoorziening te worden getroffen. Mantelzorg is altijd vrijwillig en onbetaald. Dat betekent dat wanneer de mantelzorger te kennen geeft dat hij zonder betaling geen ondersteuning (meer) wil verlenen, een maatwerkvoorziening moet worden getroffen.*19 Dit geldt ook wanneer de mantelzorger noodgedwongen, in afwachting van de uitspraak van de rechter, de mantelzorg blijft verlenen.*20 Uit de uitspraak van de CRvB van 6 september 2017 volgt dat slechts wanneer de mantelzorger expliciet aangeeft dat hij mantelzorg zal blijven verlenen, er geen ruimte is voor een maatwerkvoorziening.*21 In deze zaak had de mantelzorger ter zitting van de CRvB duidelijk aangegeven niet te zullen stoppen met het verlenen van mantelzorg.

Wanneer de mantelzorger te kennen geeft dat hij zonder betaling geen ondersteuning (meer) wil verlenen, moet een maatwerkvoorziening worden getroffen.

3.5 Passende bijdrage
Een passende bijdrage aan de zelfredzaamheid en/of participatie is dus maatwerk. In de eerste volzin van art. 2.3.5 lid 3 Wmo 2015 is bepaald dat de maatwerkvoorziening strekt ter compensatie van de beperkingen die de cliënt ondervindt in zelfredzaamheid en participatie. Bij het vierde lid gaat het om de compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving. In de wetsgeschiedenis is op verschillende plaatsen te lezen waarom het compensatiebeginsel uit art. 4 Wmo niet in dezelfde vorm in de Wmo 2015 is teruggekeerd. De wetgever heeft toegelicht dat dit verband houdt met het feit dat de verplichting om maatwerk te leveren in de Wmo 2015 breder is geformuleerd dan in de Wmo het geval was met de vier resultaatsgebieden genoemd in art. 4. De eisen in de tweede volzin van het derde en vierde lid van art. 2.3.5 Wmo 2015 zien op alle gevallen waarin iemand problemen heeft met zijn zelfredzaamheid en participatie, of beschermd wonen of opvang nodig is. In verband daarmee heeft de wetgever het te bereiken resultaat in het wetsvoorstel op een wat andere wijze vastgelegd dan in de Wmo het geval was. Kort samengevat kunnen we concluderen dat de verplichtingen van de Wmo 2015 voor de gemeente zeker niet minder ver gaan dan de compensatieverplichting van art. 4 Wmo.*22

De verplichtingen van de Wmo 2015 gaan voor de gemeente zeker niet minder ver dan de compensatieverplichting van art. 4 Wmo.

In één van de genoemde uitspraken van 18 mei 2016 oordeelde de CRvB dat het aan het college is om met inachtneming van de redelijke wensen van de cliënt te bepalen op welke manier deze ondersteund gaat worden zodanig dat een passende bijdrage aan de zelfredzaamheid en/of participatie wordt geleverd. Over hoe dat bereikt wordt, heeft het college een aanzienlijke mate van beleidsvrijheid. Onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis wordt overwogen dat de verplichting om een maatwerkvoorziening te treffen niet zo ver gaat dat de aanvrager in exact dezelfde positie of een betere positie wordt gebracht dan waarin hij verkeerde voordat hij ondersteuning nodig had. De gevraagde voorziening moet in redelijke verhouding staan tot wat de situatie van de aanvrager was voor hij ondersteuning nodig had.*23 Het gaat erom dat een aanvaardbaar niveau van zelfredzaamheid en/of participatie wordt bereikt. Pas dan is er sprake van een passende bijdrage. Of dat het geval is, moet uiteindelijk door de rechter worden beoordeeld aan de hand van het beleid van het college enerzijds en de ondersteuningsbehoefte van de cliënt anderzijds. Over wat in het concrete geval aanvaardbaar is, kan natuurlijk worden getwist. Een oordeel over deze vraag krijgt daardoor vrijwel altijd een normatief karakter. Die normering wordt in beginsel vastgesteld in het beleid van het college.

3.6 Objectieve criteria
Om te kunnen toetsen of de door het college geboden ondersteuning een passende bijdrage vormt, moet de rechter kunnen vaststellen of de normen die zijn opgenomen in de beleidsregels berusten op objectieve criteria die steunen op deugdelijk onderzoek, zo oordeelde de CRvB ook op 18 mei 2016.*24 Dat betekent in ieder geval dat bij een onderzoek naar de ondersteuningsbehoefte niet de financiële mogelijkheden van de gemeente leidend mogen zijn; uitgangspunt blijft de ondersteuningsbehoefte van de cliënt. De discussie over wanneer nu wel en niet voldoende inzichtelijk is op basis waarvan de ondersteuningsbehoefte is vastgesteld, is na de uitspraken van 18 mei 2016 weer opgelaaid met betrekking tot de huishoudelijke hulp. De vraag hierbij is met name of het college resultaatsgericht mag indiceren (een schoon en leefbaar huis, schone en doelmatige kleding zonder dit uit te drukken in tijdseenheden) of dat het college moet indiceren in uren. In de tot dusverre gepubliceerde rechtspraak over dit onderwerp is niet bepaald dat indiceren in resultaten strijdig met de wet is. Criterium is of in het besluit waarbij de maatwerkvoorziening is toegekend de aanspraken van de cliënt voldoende geconcretiseerd worden. Met andere woorden, de cliënt moet weten hoeveel ondersteuning is toegekend en op basis waarvan. Als hij in de beleidsregels kan terugvinden wat onder ‘schoon en leefbaar’ moet worden verstaan en hoe dat bepaald wordt, lijkt aan deze eis te zijn voldaan. Uit de uitspraak van de CRvB van 11 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:17 kan worden afgeleid dat inzicht moet worden verschaft in de vraag welk niveau van schoon voor een huishouden verantwoord is, welke concrete activiteiten daarvoor verricht moeten worden, hoeveel tijd daarvoor nodig is en met welke frequentie deze activiteiten moeten worden verricht om te kunnen spreken van een schone en leefbare woning.*25 In zijn uitspraak van 18 oktober 2017 oordeelde de CRvB dat onvoldoende inzicht werd gegeven in wat onder ‘schoon en leefbaar’ moest worden verstaan. Het college had huishoudelijke hulp toegekend met als resultaat een schoon en leefbaar huis en had de concretisering van de ondersteuning aan de aanbieder overgelaten. Deze had kennelijk op basis van eigen inzichten de hulp vastgesteld op 3 uur per week.*26 Er was dus geen sprake van een voldoende concreet besluit en een deugdelijk onderzoek. Inmiddels is er de nodige rechtbankjurisprudentie over dit onderwerp verschenen, waarin verschillende opvattingen worden gehuldigd.*27 Verdere duidelijkheid hierover zal van de CRvB moeten komen.

Bij een onderzoek naar de ondersteuningsbehoefte mogen de financiële mogelijkheden van de gemeente niet leidend zijn; uitgangspunt blijft de ondersteuningsbehoefte van de cliënt.

De hiervoor genoemde uitspraken gaan over huishoudelijke hulp. Het wordt volgens ons lastiger als het gaat om de indicering van begeleiding aangezien de behoefte daaraan veel lastiger te kwantificeren is. De rechtbank Gelderland oordeelde op 27 september 2017 dat het niet in strijd met art. 2.3.5 lid 3 Wmo 2015 was dat de beleidsregels geen gefixeerde urenaantallen bevatten, aangezien verweerder blijkens de beleidsregels bij de vaststelling van de benodigde omvang van de voorziening rekening houdt met persoons- en situatieafhankelijke factoren. Overwogen is dat het bij begeleiding gaat om mensen met zeer diverse problematiek, waardoor de begeleidingsbehoefte eveneens zeer divers is. Voorts bevatte het beleid van het college voldoende objectieve criteria voor de vaststelling van de (omvang van de) benodigde begeleiding.*28

4. Essentialia opnemen in de verordening

De CRvB heeft zich op 17 mei 2017 uitgelaten over de zogenaamde essentialia-doctrine. Hierbij gaat het erom wat de gemeenteraad in zijn verordening moet hebben geregeld en wat zij niet kan (sub)delegeren aan het college.*29 De essentialia-doctrine kennen we al van de Wmo.*30 Deze rechtspraak blijkt nu dus ook voor de Wmo 2015 van belang te zijn. In de genoemde uitspraak gaat het om de toepassing van tariefdifferentiatie bij de verstrekking van een maatwerkvoorziening voor schoonmaakondersteuning in de vorm van een pgb. In Emmen, waar dit speelt, heeft het college schoonmaakondersteuning gecontracteerd voor een uurtarief van € 21,05. Voor betrokkene had het college het uurtarief, in overeenstemming met zijn Uitvoeringsbesluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Emmen 2015, vastgesteld op 50% hiervan, zijnde € 10,53 per uur. Dit omdat betrokkene van het pgb iemand uit haar sociale omgeving betaalt. Het Uitvoeringsbesluit Emmen 2015 is gebaseerd op de in de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Emmen 2015 (Verordening) opgenomen bevoegdheden voor het college om nadere regels te stellen. De Verordening zelf is op art. 2.1.3 lid 2 onder b en 2.3.6 lid 4 Wmo 2015 gebaseerd. De CRvB overweegt eerst in zijn algemeenheid dat delegatie door de gemeenteraad van regelgevende bevoegdheid aan het college ook in het geval van een medebewindswet in beginsel is toegestaan.*31 Dit kan echter anders zijn als de medebewindswet waarop de desbetreffende bevoegdheid berust zich tegen de delegatie van deze bevoegdheid verzet. Daar is volgens de CRvB bij de hier aan de orde zijnde tariefdifferentiatie sprake van. Uit art. 2.1.3 lid 2 onder b en 2.3.6 lid 4 Wmo 2015 volgt volgens de CRvB dat in de door de gemeenteraad vastgestelde verordening moet zijn bepaald onder welke voorwaarden uit het pgb diensten kunnen worden ingekocht bij personen die tot het sociale netwerk behoren en op welke wijze de hoogte van het pgb wordt vastgesteld. Dit betekent volgens de CRvB dat de essentialia van het voorzieningenpakket, waartoe de tariefdifferentiatie dient te worden gerekend, in de verordening moeten zijn vastgelegd. Met andere woorden, de burger die de verordening leest, moet daaruit kunnen opmaken volgens welke systematiek de hoogte van het pgb wordt vastgesteld. De CRvB vindt voor dit oordeel ook steun in de wetsgeschiedenis, waarin is te lezen dat gemeenteraden met het delegeren van bevoegdheden aan het college terughoudend dienen om te gaan.*32

De burger die de verordening leest, moet daaruit kunnen opmaken volgens welke systematiek de hoogte van het pgb wordt vastgesteld.

Wat tot de essentialia van het voorzieningenpakket gerekend moet worden, is niet op voorhand duidelijk. De bepaling over wat in de verordening over het pgb in ieder geval moet zijn opgenomen en waar de hiervoor genoemde uitspraak over gaat, is in art. 2.1.3 lid 2 onder b Wmo 2015 duidelijk neergelegd. Sub a van genoemde bepaling is veel minder concreet. Daarin staat dat in de verordening in ieder geval moet worden opgenomen op welke wijze en op basis van welke criteria wordt vastgesteld of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. Deze bepaling lijkt een college in ieder geval genoeg ruimte te bieden om in het individuele geval maatwerk te leveren. Rechtspraak waarin staat waaraan een verordening op grond van deze bepaling moet voldoen, is er (nog) niet.

Volgens de rechtbank Overijssel behoort tot de essentialia ook dat de gemeenteraad in zijn verordening de regels moet vastleggen waarmee de hoogte van de bijdrage kan worden berekend die een cliënt in de kosten van een maatwerkvoorziening verschuldigd is, onder de Wmo ‘eigen bijdrage’ geheten.*33 Dit lijkt ons niet juist. Uit art. 2.1.4 aanhef en onder b Wmo 2015 volgt dat bij verordening kan worden bepaald dat een cliënt een bijdrage in de kosten is verschuldigd. In het vierde lid staat dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld voor de bijdragen voor een maatwerkvoorziening of een pgb, waartoe ook de hoogte van de bijdrage voor een maatwerkvoorziening behoort. In hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 zijn de rekenregels om de hoogte van de bijdrage vast te kunnen stellen opgenomen. Deze hoogte kan alleen lager worden vastgesteld als een gemeenteraad in zijn verordening uitvoering heeft gegeven aan de in art. 3.8 Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 gegeven mogelijkheid om de bijdrage op nihil of lager vast te stellen. Hiermee komen de voorschriften voor het vaststellen van de bijdrage onder de Wmo 2015 op hoofdlijnen overeen met die van de Wmo. Onder de Wmo heeft de Raad geoordeeld dat de in de verordening aan het college gegeven opdracht over de hoogte van de eigen bijdrage niet in strijd is met de Wmo.*34 Volgens ons zal dit voor de Wmo 2015 ook opgaan. Deze zienswijze wordt gedeeld door de auteurs van het artikel in De Gemeentestem dat naar aanleiding van de hiervoor genoemde uitspraak van de CRvB van 17 mei 2017 is geschreven.*35

Onder de Wmo heeft de Raad geoordeeld dat de in de verordening aan het college gegeven opdracht over de hoogte van de eigen bijdrage niet in strijd is met de Wmo. Volgens ons zal dit voor de Wmo 2015 ook opgaan.

5. Bijdrage in de kosten van de maatwerkvoorziening

Inmiddels is ook al meer duidelijk geworden over hoe het zit met de bijdrage die verschuldigd kan zijn voor een maatwerkvoorziening.*36 In zijn uitspraak van 25 oktober 2017 heeft de CRvB daarover geoordeeld dat, net zoals dat bij de Wmo het geval was, uit de wettelijke systematiek volgt dat het college beslist of een bijdrage wordt opgelegd en dat het CAK de hoogte van de bijdrage vaststelt.*37 Het opleggen van de bijdrage is een besluit als bedoeld in art. 1:3 Awb omdat het rechtsgevolg is dat een bijdrage verschuldigd zal zijn voor de toegekende voorziening. Verder heeft de Raad in deze uitspraak geoordeeld, en dat is nieuw voor de Wmo 2015, dat uit de wettelijke systematiek volgt dat het besluit waarbij de maatwerkvoorziening wordt toegekend het laatste moment is waarop een betrokkene kennis kan nemen van de verschuldigdheid van een bijdrage. Ook moet dan bekend zijn wat de kostprijs is van de voorziening. Dit omdat een cliënt dan nog in staat is om te besluiten van de maatwerkvoorziening af te zien. De CRvB vindt steun in de wetsgeschiedenis, waarin is te lezen dat een cliënt op tijd de afweging moet kunnen maken of hij vanwege de verschuldigdheid van een bijdrage liever afziet van een maatwerkvoorziening. Anders dan Bruggeman in zijn noot onder deze uitspraak in AB 2017/396, lezen wij in de uitspraak niet dat de CRvB heeft geoordeeld dat het college de definitieve hoogte van de bijdrage moet opnemen. Wij zijn het eens met Bruggeman dat het vaststellen van de definitieve hoogte van de bijdrage aan het CAK is voorbehouden. Dit volgt uit de bevoegdheidsverdeling tussen het college en het CAK. Het CAK is in de Wmo 2015 aangewezen als het bestuursorgaan dat de bijdrage voor de maatwerkvoorziening, met uitzondering van die voor opvang, voor het college vaststelt en int.*38Rechtspraak zoals onder de Wmo, waarbij de CRvB uitvoerig ingaat op de bevoegdheidsverdeling tussen het college enerzijds en het CAK anderzijds, is er onder de Wmo 2015 (nog) niet.*39

6. Conclusie

De CRvB heeft inmiddels de nodige uitspraken gedaan waardoor er meer duidelijk is geworden over de Wmo 2015. Uit paragraaf 2 blijkt dat we door het overgangsrecht nog geruime tijd met de Wmo te maken zullen hebben. In paragraaf 3 zijn we tot de conclusie gekomen dat de verplichting voor de gemeente om een maatwerkvoorziening te verstrekken niet minder ver gaat dan bij de Wmo het geval was. Ondanks dat de Wmo 2015 een andere wet is dan de Wmo zagen we in de paragrafen 4 en 5 dat op onderdelen tussen beide wetten toch zo veel overeenkomsten zijn dat veel onder de Wmo ontwikkelde rechtspraak ook zijn toepassing heeft voor de Wmo 2015. Verder blijkt uit deze bijdrage dat er ook nog het nodige over de Wmo 2015 niet duidelijk is, maar daarvoor is het wachten op meer uitspraken van de CRvB.

Voor deze bijdrage is gebruikgemaakt van uitspraken die vóór 1 april 2018 op www.rechtspraak.nl zijn gepubliceerd.

Wet van 7 oktober 1993, houdende regels met betrekking tot de verlening van voorzieningen aan gehandicapten, Stb. 1993, 545.

Wet van 29 juni 2006, houdende nieuwe regels betreffende maatschappelijke ondersteuning, Stb. 2006, 351

Wet van 9 juli 2014, houdende regels inzake de gemeentelijke ondersteuning op het gebied van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen en opvang, Stb. 2014, 280.

M.i.v. 1 januari 2015 zijn de AWBZ, de Wet op de jeugdzorg en de Wmo ingetrokken en zijn de Wet langdurige zorg, de Jeugdwet en de Wmo 2015 ingevoerd. Ook is het Besluit zorgverzekering gewijzigd. Daarbij hebben domeinverschuivingen plaatsgevonden, waardoor m.n. gemeenten taken hebben gekregen die vóór 2015 door andere bestuursorganen werden uitgevoerd

Dit zijn art. 8.1 t/m 8.6 Wmo 2015. In de daar genoemde situaties kunnen de aanspraken die onder de AWBZ zijn ontstaan en zonder intrekking van de AWBZ na 31 december 2014 zouden doorlopen, onder de Wmo 2015 geldend worden gemaakt. In de genoemde bepalingen is ook geregeld tot wanneer die AWBZ-aanspraken uiterlijk blijven bestaan.

CRvB 18 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1402, ECLI:NL:CRVB:2016:1403 en ECLI:NL:CRVB:2016:1404; CRvB 29 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2445.

CRvB 7 februari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:398.

CRvB 25 oktober 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3759.

In art. 1.1.1 Wmo 2015 is bepaald dat de cliënt is: “persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening of aan wie een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget is verstrekt of door of namens wie een melding is gedaan als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid”.

CRvB 27 december 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4476.

Kamerstukken II 2013/14, 33841, 3, p. 150.

CRvB 21 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:819.

Het college had zonder nader onderzoek een indicatie voor beschermd wonen toegekend die lag besloten in het aan appellant onder de AWBZ toegekende ZZP 4C GGZ.

CRvB 18 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1402, ECLI:NL:CRVB:2016:1403 en ECLI:NL:CRVB:2016:1404.

Zie o.a. CRvB 15 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA0183 en CRvB 27 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:429.

CRvB 21 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:818.

CRvB 21 februari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:702.

CRvB 11 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:17.

CRvB 24 januari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:368.

CRvB 6 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3209.

Kamerstukken II 2013/14, 33841, 3, p. 150, Kamerstukken II 2013/14, 33841, 34, p. 43-46 en Kamerstukken II 2013/14, 33841, 64, p. 3-4 en 99-102.

CRvB 18 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1402.

CRvB 18 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1403.

Zie r.o. 5.7.2 van deze uitspraak.

CRvB 18 oktober 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3633. Zie ook CRvB 18 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1491.

Zie o.a. Rb. Noord-Holland 9 februari 2018, ECLI:NL:RBNHO:2018:1113; Rb. Overijssel 21 december 2017, ECLI:NL:RBOVE:2017:4731; Rb. Rotterdam 19 februari 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:1002; Rb. Gelderland 11 januari 2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:104 en ECLI:NL:RBGEL:2018:106; Rb. Overijssel 7 november 2017, ECLI:NL:RBOVE:2017:4172; Rb. Den Haag 8 november 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:13049; Rb. Limburg 8 december 2017, ECLI:NL:RBLIM:2017:12039.

Rb. Gelderland 27 september 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:4953.

CRvB 17 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1803. Gst. 2017, 144, met informatieve verhandeling van E.E. Schaake & D. Corver over ‘Delegatie van de verordende bevoegdheid. De Centrale Raad oordeelt dat de essentialia-doctrine ook onder de Wmo 2015 van toepassing blijft’.

CRvB 10 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO7133.

Dit is in overeenstemming met art. 147 lid 1 en 156 lid 1 Gemeentewet.

Voor de wetsgeschiedenis wordt verwezen naar de Nota naar aanleiding van het verslag, Kamerstukken II 2013/14, 33841, 34, p. 16.

Rb. Overijssel 21 oktober 2016, ECLI:NL:RBOVE:2016:429

CRvB 17 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO6880 en CRvB 22 december 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO9987.

Schaake & Corver, a.w.

Over de bijdrage voor de algemene voorziening, wat buiten de bespreking van deze bijdrage valt, heeft de CRvB in zijn uitspraak van 18 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1404, het nodige gezegd.

CRvB 25 oktober 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3358. [1] Zie art. 2.1.4 lid 6 Wmo 2015.

Zie art. 2.1.4 lid 6 Wmo 2015.

Zie bijv. CRvB 21 augustus 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1583.

Top