05 2018

In het nu ... wat worden zal

Over toekomstig bestuursrecht

De vaksectie bestuursrecht van de Radboud Universiteit kent inmiddels een traditie om – samen met ‘wetenschappelijke vrienden’ – een thematische bundel uit te brengen. Zo verscheen in 2004 In beginsel, over de aard, inhoud en samenhang van rechtsbeginselen in het bestuursrecht. In 2007 zag de bundel In eenheid het licht, over rechtseenheid en uniforme rechtstoepassing. Vijf jaar later verscheen In de regel, die zag op algemene regelstelling in het bestuursrecht. Met een knipoog naar de bekende versregels van de dichter Bilderdijk (die tevens jurist was), te weten “In ’t voorleden ligt het heden; In het nu, wat worden zal”, is begin dit jaar een bundel verschenen in het nu, waarin tevens een blik naar de toekomst wordt gericht. Centraal staat de vraag welke bestuursrechtelijke gemoederen ons (gaan) bezighouden. De auteurs onderscheiden daarbij, in 25 bijdragen, drie belangrijke maatschappelijke ontwikkelingen: ontstatelijking, digitalisering en Europeanisering & internationalisering.

Om met het thema van de ontstatelijking te beginnen: hierbij gaat het om de groeiende invloed van private regulering en bestuur op de publiekrechtelijke structuur van het bestuur. Volgens de schrijvers trekt dit een wissel op publiekrechtelijke kernwaarden waarbij typische bestuursrechtelijke concepten dreigen te veranderen. Zo wordt aandacht besteed aan de vraag of het besluitbegrip nog wel voldoet en wat een verandering daarin voor consequenties zou hebben, bijvoorbeeld voor de rechtsbescherming. Ook wordt aandacht besteed aan het fenomeen dat toezicht steeds meer in particuliere handen dreigt te geraken. De vraag ‘wie bewaakt de bewakers’ dringt zich op met de rechtsstatelijke vragen die daarbij horen.

Het thema digitalisering is, ook binnen de Rechtspraak, genoegzaam bekend ...*1 Toegespitst op het bestuurs(proces)recht is dit thema zonder meer relevant en actueel. Per slot van rekening behoeft het geen toelichting dat digitale technieken steeds meer doorsijpelen binnen vele aspecten van ons dagelijks leven. Het (verzamel)begrip ‘artificiële of kunstmatige intelligentie’ (AI) zegt ons vaak nog wel wat (denk aan de computer met stemherkenning en robotica), maar wat te denken van de vraag wat wij als Rechtspraak kunnen hebben aan allerhande technische mogelijkheden. Zo zou een (expert)systeem, met bijvoorbeeld intelligente zoektechnieken, kunnen worden gebruikt dat de rechter werk uit handen gaat nemen bij het voorbereiden van de zitting of zelfs zijn beslissing, zeker in vrij standaardmatige zaken met weinig open normen (zoals op het gebied van sociale zekerheid, belastingrecht en studiefinanciering) waarbij bepaalde variabelen ‘in de computer worden gestopt’, zodat de rechter zich kan concentreren op het lastiger werk en het ware ambacht, namelijk de uiteindelijke beslissing die wordt neergelegd in de uitspraak. Met allerlei fundamentele vragen van dien, die in de kern neerkomen op het dilemma ‘mens versus machine’: rechtspraak per computer of de rechter van vlees en bloed.*2 Of kan het één wellicht samengaan met het ánder?

Ten slotte wordt het thema Europeanisering & internationalisering belicht. Dat een louter nationale rechtsorde niet meer bestaat, is al langer gemeengoed. Boven het recht van vaderlandse komaf bevinden zich het EVRM en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, waarbij zelfs bij wijze van ‘wedstrijdelement’ de vraag wordt opgeworpen welke van de twee qua invloedssfeer het grootst is. Vast staat wel dat de doorwerking van het EVRM en het Unierecht aanzienlijk is. Binnen dit thema is een apart hoofdstuk gewijd aan het vluchtelingenrecht als een voorbeeld van internationaal recht bij uitstek. En dynamisch bovendien: ‘wat gisteren recht was, is het vandaag niet meer en bij wat vandaag recht is, moet alweer rekening worden gehouden met de nieuwe ontwikkelingen die op stapel staan’. Bovendien vraagt een Europese rechtsorde naar zijn aard ook om Europese algemene rechtsbeginselen (denk bijvoorbeeld aan de concepten van good governance en good administration). Op deze wijze wordt ook de Unierechtelijke rechtsorde steeds volwassener.

R.J.N. Schlossels et al., In het nu ... wat worden zal. Over toekomstig bestuursrecht (Serie Staat en Recht, deel 41), Deventer: Wolters Kluwer 2018, ISBN 978 90 1314 888 6 

De weinig positieve berichten over de digitalisering van de rechtspraak en het ‘resetten’ van KEI laat ik hier (m.u.v. de verwijzing in de tweede noot) verder buiten beschouwing. Zie recentelijk de brief hierover van 10 april 2018 van de Voorzitter van de Raad voor de rechtspraak aan minister Dekker voor Rechtsbescherming, te vinden op www.rechtspraak.nl.

Graag verwijs ik nog naar de treffende bijdrage van Herman Tjeenk Willink in het Nederlands Juristenblad van 4 mei 2018 (p. 1274-1277) met de titel ‘De “verbestuurlijking” van de rechterlijke macht en het mislukken van het KEI-project’, waarin hij o.m. op het gebied van software en ICT ‘waarschuwt’ voor het uitsluiten van burgers die niet in algoritmen passen en het uithollen van de democratische rechtsstaat.

Top