05 2018

Uit de redactie Editie 2018-05

Ernstige verkeersongevallen en het moeilijke werk van de rechter

In alle mogelijke zaken op alle mogelijke vakgebieden staat iedere rechter soms voor een moeilijke afweging. Er zijn echter ook zaken die bijna altijd moeilijk zijn. Zo’n categorie van notoir moeilijke zaken vormen de vervolgingen van bestuurders die door gevaarlijk rijgedrag een ongeval met zeer ernstige gevolgen hebben veroorzaakt.

Op 15 oktober 2013 wees de Hoge Raad een drietal arresten waarin veroordelingen van bestuurders die zo’n ongeval met zeer ernstige gevolgen hadden veroorzaakt, werden vernietigd.*1 Voorafgaand aan en in de periode na die arresten vonden meer vernietigingen plaats. In veel van die zaken sneuvelde in cassatie het oordeel van het hof dat niet slechts sprake was van schuld (waardoor de maximale gevangenisstraf in geval van overlijden van het slachtoffer drie jaar zou bedragen), maar dat die schuld bestond in roekeloosheid (met een maximale gevangenisstraf van zes jaar).*2 Aan die strenge rechtspraak ligt de gedachte ten grondslag dat roekeloosheid als de zwaarste, aan opzet grenzende vorm van schuld ook volgens de wetgever bedoeld was voor echte uitzonderingsgevallen, waarbij gedacht werd aan rijgedrag als in de geruchtmakende ‘Porsche-zaak’.*3 Daarnaast is deze rechtspraak ingegeven door de gedachte dat de omstandigheden die in de wet al als aparte strafverzwarende omstandigheid werden genoemd*4 niet automatisch dubbel-strafverzwarend zouden moeten werken doordat ze daarnaast met roekeloosheid een tweede strafverzwarende omstandigheid in het leven riepen.

Hoe men ook denkt over deze motivering van de Hoge Raad, het zou getuigen van wereldvreemdheid te beweren dat deze rechtspraak slechts bijval heeft ontmoet. De kritiek, die ook naar voren komt in twee recente onderzoeken op het gebied van de strafrechtelijke aanpak van verkeersdelicten,*5 was voor de minister aanleiding een wetswijziging aan te kondigen. Dat wetsvoorstel is recent in consultatie gegaan.*6

Kern van het wetsvoorstel is de invoering van een nieuw artikel 5a in de Wegenverkeerswet 1994 (WVW), waarin twaalf verschillende – verboden – verkeersgedragingen worden opgesomd.*7 Wie opzettelijk de verkeersregels in ernstige mate schendt door één of meer van die gedragingen, kan bestraft worden met een gevangenisstraf van (maximaal) twee jaar indien van dit gedrag levensgevaar of gevaar voor lichamelijk letsel te duchten was. De bedoeling van dit voorstel is het verschil in strafbedreiging te verkleinen tussen het geval waarin het zeer gevaarlijke verkeersgedrag wel en het geval waarin dat niet tot een ongeval met ernstige gevolgen leidde. Volgens de onderzoekers wordt dat verschil nu als te groot ervaren.

De in art. 5a van het voorstel opgesomde gedragingen krijgen nog een belangrijke tweede functie, doordat aan art. 175 lid 2 WVW – dat is de strafbepaling voor gevallen waarin het ongeval wel tot letsel of overlijden leidde – wordt toegevoegd dat van roekeloosheid in elk geval sprake is als het gedrag tevens als een overtreding van art. 5a kan worden aangemerkt. Op die manier worden de thans in art. 175 lid 3 WVW genoemde gevaarlijke omstandigheden aangevuld. Zij gelden dan – met uitzondering van het rijden onder invloed – niet meer naast roekeloosheid als een aparte strafverzwarende categorie, maar tellen zwaar mee bij het beantwoorden van de vraag of sprake is van roekeloosheid. 

Het valt te prijzen dat de wetgever probeert mogelijke dubbeltelling van strafverzwarende omstandigheden te voorkomen en aanknopingspunten te bieden voor de rechter die houvast zoekt bij de vraag hoe zwaar hij de schuld moet wegen van een verkeersdeelnemer die door gevaarlijk gedrag ernstige risico’s voor andere weggebruikers in het leven heeft geroepen. Of de rechter geneigd zal zijn de ruimte voor hogere straffen die art. 5a wil bieden in gevallen zonder ongeluk te benutten, moeten we afwachten. De onderzoeksresultaten wekken niet de indruk dat de strafrechter in het verleden vaak geneigd was de grens van de – doorgaans beduidend lagere – strafmaxima van de in art. 5a genoemde gedragingen op te zoeken, terwijl de druk hoger te straffen zowel in het maatschappelijk debat als in individuele zaken toch vooral zichtbaar en voelbaar lijkt als het gaat om gevallen waarin het gevaarlijke gedrag wél tot een ernstig ongeval leidde. 

Dat de rechter in de zaken met ernstige ongevallen de vraag of sprake is van roekeloosheid veel eenvoudiger zal kunnen beantwoorden aan de hand van art. 5a, lijkt mij evenmin een gegeven.*8 Ook als sprake is van een of meer van de genoemde omstandigheden vergt art. 5a een lastige afweging, bijvoorbeeld waar het gaat om het vereiste opzet ten aanzien van de ernstige mate van schending van de verkeersregels. Verruiming van de strafmaxima in bepaalde situaties neemt voorts niet weg dat het antwoord op de vraag wat in een concreet geval de juiste straf is, meestal niet bepaald wordt door het toepasselijke strafmaximum. In dat verband valt op dat uit het WODC-onderzoek (p. 340) naar voren komt dat geen van de ondervraagde rechters aangeeft dat de strenge roekeloosheidsrechtspraak van de Hoge Raad eraan in de weg stond de straf op te leggen die de rechter passend vond. In voornoemde door de Hoge Raad gecasseerde gevallen zou de door de rechter opgelegde gevangenisstraf overigens ook steeds zonder de kwalificatie ‘roekeloosheid’ binnen het toepasselijke strafmaximum zijn gebleven. 

Daarbij komt een aantal factoren die wetgeving en rechtspraak in ieder geval niet kunnen wegnemen. In de eerste plaats weegt in iedere zaak mee de onomkeerbare ingrijpende ernst van het gebeurde voor slachtoffers en nabestaanden, die in een alledaagse situatie onverwacht geconfronteerd worden met de verwoestende gevolgen van een ongeval. Daartegenover is er de verdachte die – hoe ernstig zijn fouten ook zijn – die gevolgen ook niet heeft gewild, en die doorgaans niet als een geharde crimineel valt aan te merken. Verder genereren dergelijke gevallen vaak grote aandacht in de media, waarbij een rol speelt dat iedereen zelf ook deelnemer aan het verkeer is en ervaart welke fouten anderen daarin maken – maar misschien ook wel hoe moeilijk het is zelf altijd foutloos aan dat verkeer deel te nemen. Gevoegd bij de problemen waarvoor de rechter zich soms gesteld ziet om de precieze toedracht van een ongeval te achterhalen, zal ook de voorgestelde wetswijziging aan deze zaken hun notoir moeilijke karakter niet ontnemen. Moeilijk voor alle betrokken partijen en voor alle rechters die erover moeten oordelen.

HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:960, 962 en 964, NJ 2014/25, 26 en 28.

Vgl. art. 6 in verbinding met art. 175 lid 2 WVW.

HR 15 oktober 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0139, NJ 1997/199.

Vgl. art. 6 in verbinding met art. 175 lid 3 WVW. Kort gezegd gaat het om rijden onder invloed, ernstig overschrijden van de maximumsnelheid, bumperkleven, geen voorrang verlenen en gevaarlijk inhalen.

M.S. Groenhuijsen et al., Verkeersslachtoffers. Over de strafrechtelijke reactie op (ernstige) verkeersdelicten, Tilburg: Intervict 2016, p. 91 e.v.; H.D. Wolswijk, A. Postma & B.F. Keulen, Ernstige verkeersdelicten, Den Haag: WODC 2017, p. 125 e.v. Aanmerkelijk positiever: J. Bijlsma, E.M. van Poecke & N. Rozemond, ‘Verkeersslachtoffers: kan de punitiviteitskloof worden gedicht?’, DD 2018/2; N. Rozemond, annotatie bij HR 19 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2414, NJ 2017/426.

Conceptwetsvoorstel en MvT voor Wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 en het Wetboek van Strafrecht in verband met strafbaarstelling van zeer gevaarlijk rijgedrag zonder gevolgen en verhoging van de strafmaxima van enkele ernstige verkeersdelicten met het oog op versterking van de verkeershandhaving (aanscherping strafrechtelijke aansprakelijkheid ernstige verkeersdelicten).

Kort gezegd gaat het om onvoldoende rechts houden, gevaarlijk inhalen, negeren van een rood kruis, over een vluchtstrook rijden, inhalen bij een voetgangersoversteekplaats, geen voorrang verlenen, ernstig overschrijden van de maximumsnelheid, bumperkleven, door rood licht rijden, tegen de verkeersrichting inrijden, mobiel bellen en het niet opvolgen van aanwijzingen van bevoegde ambtenaren.

Op 16 mei jl. heeft de Raad voor de rechtspraak een kritisch advies (2018/11) uitgebracht over het voorstel, met o.m. de suggestie in art. 175 lid 2 WVW de term ‘roekeloosheid’ maar te schrappen, nu niet te verwachten valt dat het voorstel de daaromtrent heersende ‘verwarring’, ‘onbegrip’ en ‘onvrede’ zal wegnemen.

Top