04 2018

Uit de redactie Editie 2018 - 04

Onafhankelijke rechtspraak

Het wordt in brede kring beschouwd als een elementair onderdeel van een rechtsstaat.*1 Het behoort letterlijk en figuurlijk tot het basisverhaal van de rechtspraak: de onafhankelijke rechter en onafhankelijke rechtspraak als staatsmacht. Want “waar geen onafhankelijke rechtspraak bestaat, komen burgerrechten in het gedrang en ligt machtsmisbruik op de loer”.*2

Maar waar is onafhankelijke rechtspraak van afhankelijk?

Bij wijze van redactioneel wil ik op enkele recente ontwikkelingen ingaan, die met de beantwoording van die vraag samenhangen. Daarbij waarschuw ik u nu reeds dat het redactioneel daardoor in lengte wat uitgeschoten is – het is meer een internet longread geworden – hetgeen een rechtvaardiging vindt in het belang van de materie én ook gewoon omdat het kan in het digitale Trema-era.*3

Een wetsvoorstel voor aparte begroting

Onafhankelijke rechtspraak is natuurlijk van verschillende factoren afhankelijk, waaronder de wijze waarop de rechtspraak in een staat wordt gefinancierd. In verband met dit laatste facet ging in de Nederlandse context de afgelopen periode bijzondere aandacht uit naar de behandeling én verwerping door de Tweede Kamer van het initiatiefwetsvoorstel van het Tweede Kamerlid Van Nispen dat – kort gezegd – een scheiding tussen de begroting van het ministerie van Justitie en Veiligheid en die van de Raad voor de rechtspraak beoogde.*4 Anders dan bijvoorbeeld de Nederlandse Hoge Colleges van Staat – de Staten-Generaal, de Raad van State, de Algemene Rekenkamer en de Nationale ombudsman – heeft de rechtspraak geen aparte, niet-departementale begroting. De rechtspraak is een hoofdstuk op de begroting van het ministerie van Justitie en Veiligheid.

Volgens de initiatiefnemer van het wetsvoorstel – tijdens een van de sessies van de plenaire behandeling van het wetsvoorstel – deed de wijze waarop de begroting van de rechtspraak deel uitmaakt van de begroting van het ministerie van Justitie en Veiligheid onvoldoende recht aan het principe van de onafhankelijke positie van de rechtspraak, zodat een aparte begroting zuiverder zou zijn. Begrotingsproblemen bij het ministerie kunnen in de huidige situatie namelijk leidend zijn bij de financiering van de rechtspraak. Als de begrotingsregels niet worden nageleefd – gedurende een periode sinds 2010 – levert dat vervolgens concrete financieringsproblemen voor de rechtspraak op. Taakstellingen voor het gehele ministerie slaan bij een aparte begroting niet automatisch neer op de rechtspraak en vereisen in dat geval eigen rechtvaardiging. Het wetsvoorstel zou hiermee een weeffout van de wetgever uit 2001 herstellen, aldus de initiatiefnemer.

Tegenstanders van het initiatiefwetsvoorstel, onder wie de minister als adviseur van de Kamer en de coalitiepartijen van het huidige kabinet, vonden de onafhankelijkheid van de rechtspraak niet werkelijk in het geding. Nut en noodzaak ervan waren niet aangetoond. Het wetsvoorstel was vooral symbolisch, terwijl het maar weinig zou veranderen, ook voor de door rechters gesignaleerde problemen van werk- en productiedruk. Onafhankelijkheid zat volgens een van deze woordvoerders vooral in de onafhankelijkheid van het inhoudelijke oordeel van het vonnis, niet zozeer in de beheersmatige aspecten daaromheen.

Rechtspraak mag niet afhankelijk zijn van politieke voorkeuren of departementale bezuinigingen, maar moet ook daarin onafhankelijk zijn.

Weggestemd, weggestorven?

Wat eigenlijk al viel af te leiden uit het (ongecorrigeerde) verslag van het debat tijdens de plenaire behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer op 24 januari 2018 en 27 maart 2018 werd bewaarheid. Tijdens de stemmingen op 3 april 2018 werd het wetsvoorstel verworpen via hoofdelijke stemming, met 51 stemmen voor.*5 In een interview op rechtspraak.nl reageert voorzitter van de Raad voor de rechtspraak Frits Bakker teleurgesteld:*6

Een aparte begroting past veel beter bij de positie die de Rechtspraak heeft als onafhankelijke staatsmacht. Het kan niet zo zijn dat als de minister krap bij kas zit, de financiering van rechtspraak in de knel komt. Dit wetsvoorstel was een kans om de rechtstatelijke waarborgen in ons land verder te verbeteren. Het is jammer dat een Kamermeerderheid die visie niet deelt.

Eerder had Bakker onder meer in een opiniebijdrage ‘Geef de Rechtspraak een aparte begroting’, gepubliceerd op 12 maart 2018 in SC Online, uitdrukkelijk gepleit ten faveure van dit wetsvoorstel.
Weliswaar leven we in een prachtig land met een van de beste rechtssystemen ter wereld, maar als er een moment komt waarop de samenleving onder grote druk komt te staan, kunnen waarborgen op basis van vertrouwen niet voldoende blijken te zijn, aldus Bakker. Tegen de achtergrond van gebeurtenissen in Polen, Hongarije en Turkije, die ons wel degelijk een spiegel voorhouden, verdienen de waarborgen voor eerlijke en onafhankelijke rechtspraak volgens hem in beton gegoten te zijn. Dat is nu niet het geval voor wat betreft de rechtspraakfinanciering. Rechtspraak mag niet afhankelijk zijn van politieke voorkeuren of departementale bezuinigingen, maar moet ook daarin onafhankelijk zijn. Bakker schrijft:

Voor die financiering zou enkel en alleen de vraag leidend moeten zijn wat nodig is om rechtszaken goed en tijdig te kunnen behandelen, nu en in de toekomst. Toch werkt dat in ons land niet zo. De begroting van de Rechtspraak is nu een onderdeel van de begroting van het ministerie van Justitie en Veiligheid. Hierdoor is de financiering van rechtspraak onderdeel van beleidskeuzes van de minister: wordt er geïnvesteerd in nieuwe politieauto’s of zorgen we dat er voldoende geld is om jaarlijks alle 1,7 miljoen rechtszaken te behandelen? En wat is voldoende geld?

En:*7

De wetgevende en uitvoerende macht kunnen de Rechtspraak nu beïnvloeden via de portemonnee. Dat hoort niet in een rechtsstaat, waarin de staatsmachten onafhankelijk van elkaar moeten zijn. Daarnaast strookt het niet met de Wet op de rechterlijke organisatie (Wro). Hierin staat dat de financiering van rechtspraak altijd op objectieve gronden moet plaatsvinden, onafhankelijk en politiek neutraal. 

Om in de Hollandse geest van Amy Groskamp-ten Have te spreken: het hoort eigenlijk niet zo. Omdat de rechtspraak een kerntaak van de staat betreft, is er volgens Bakker een financieringsmodel nodig dat daarbij past, zoals een aparte begroting, net als de Hoge Colleges van Staat. 

Het opiniestuk heeft, vooralsnog althans, niet het gewenste effect gesorteerd. 

Dat laatste heeft evenzeer te gelden voor de opiniebijdrage gepubliceerd door negen rechters in de Volkskrant in de ochtend van de voortgezette behandeling van het voormelde initiatiefwetsvoorstel. Ook deze Groep Tegenlicht ondersteunde het wetsvoorstel onverkort, als versterking van de rechtsstaat, met als oproep aan de leden van de Tweede Kamer: ‘Geef rechtspraak eigen begroting’.*8 Zij schrijven daarin onder meer dat het financieringsuitgangspunt en prijsafspraken van een bedrag per zaak op basis van objectieve factoren sinds 2010 niet goed worden nageleefd en dat daarmee rechtspraak in wezen ten prooi is gevallen aan beleidskeuzes van de minister: feitelijk beheerst volgens hen de uitvoerende macht het budget van de rechtspraak. Dat brengt in de visie van Groep Tegenlicht de volgende situatie met zich mee:

Omdat de rechtspraak vanaf 2010 te weinig geld krijgt, zijn bij de afdoening van zaken de kwaliteit en snelheid steeds meer onder druk komen te staan. Door voortdurende financiële krapte ligt de nadruk te sterk op efficiency. Met maar 10.000 mensen, onder wie 2.400 rechters, worden jaarlijks bijna 1,7 miljoen zaken afgedaan. De werkdruk is hoog en de geplande tijd voor zaken is vaak te kort. Zo is 20 minuten voor behandeling van de uithuisplaatsing van een kind geen uitzondering. Is goede controle van bewindvoerders noodzakelijk, maar ontbreekt de tijd. En is ook een half uur zittingstijd voor een ernstige mishandeling, waarbij ook aandacht nodig is voor het slachtoffer, echt te weinig. Vanwege een structureel gebrek aan mensen en tijd komen, hoe hard iedereen ook werkt, zaken vaak onaanvaardbaar laat op zitting.

Hoewel deze inbreng – “rechters die zelfs brieven in de krant schrijven” en rechters “die uitgaan van een onjuiste voorstelling van zaken” – ook in het Kamerdebat enige aandacht verkreeg, heeft het niet mogen baten.

Afhankelijk van Europeesrechtelijke onafhankelijkheid?

Typerend – of juist niet? – is dat tijdens de behandeling van het wetsvoorstel het woord ‘Europese Unie’, ‘Europa’, ‘Hof van Justitie’ in het geheel niet aan de orde kwam.*9 Terwijl juist op dat front, vanuit het oogpunt van waarborging van onafhankelijke rechtspraak binnen de Europese Unie (EU), betekenisvolle ontwikkelingen gaande zijn. In het bijzonder valt in dit verband te wijzen op het arrest van de Grote Kamer van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie of hof) in de zaak Associação Sindical dos Juízes Portugueses.*10 Dit is een principieel arrest, waarvan de waarde maar moeilijk overschat kan worden.

Waarom? Omdat het Hof van Justitie het belang van onafhankelijke rechtspraak binnen de EU onderstreept en de principiële lidstatelijke verantwoordelijkheid voor het waarborgen van effectieve rechtsbescherming door nationale rechters verder activeert en Europeaniseert. Eén van de waarden waarop de EU berust, betreft de eerbiediging van de rechtsstaat (art. 2 Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU)). De uitleg in dit arrest leert ons wat onafhankelijkheid in Europees verband concreet met zich brengt.

De zaak betreft een uitspraak in een verzoek om een prejudiciële beslissing van de Portugese Supremo Tribunal Administrativo. Aanleiding is een procedure waarin de Associação Sindical dos Juízes Portugueses (ASJP), de Portugese zustervereniging van de NVvR, opkomt tegen de besluiten tot een tijdelijke salarisverlaging van de rechters van de Tribunal de Contas vanaf oktober 2014. De ASJP voert onder meer aan dat de salarisverlaging inbreuk maakt op het “beginsel van de onafhankelijkheid van de rechters”, dat niet alleen is opgenomen in de Portugese grondwet, maar ook moet worden gelezen in art. 19 lid 1 tweede alinea VEU en in art. 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest).

Cruciale vraag van deze zaak komt op het volgende neer: verzet het EU-recht, in het bijzonder voornoemd art. 19 VEU en het beginsel van de onafhankelijkheid van de rechters, zich tegen de toepassing van algemene maatregelen tot salarisverlaging op leden van de rechterlijke macht van een lidstaat? Antwoord van het hof: niet in de specifieke omstandigheden van dit geval. Hier ging het om een specifieke Portugese context met algemene verplichtingen om een buitensporig begrotingstekort weg te werken, en een programma dat Portugal in dit verband voor financiële bijstand van de EU genoot.

Maar de overwegingen van het Hof van Justitie ten gronde zijn wel dusdanig van aard dat zij het belang van deze zaak overstijgen en precedentwaarde zullen hebben voor de toekomst. Graag daarom uw aandacht voor die overwegingen.

Principiële punten

Het Hof van Justitie opent de overwegingen ten gronde met een nadere uitleg van art. 19 lid 1 tweede alinea VEU, waarin het volgende is bepaald:*11

De lidstaten voorzien in de nodige rechtsmiddelen om daadwerkelijke rechtsbescherming op de onder het recht van de Unie vallende gebieden te verzekeren.

Volgens het Hof van Justitie is deze bepaling van toepassing op de domeinen die vallen onder de toepassing van het Unierecht, onafhankelijk van de situatie of lidstaten het Unierecht, in de zin van art. 51 lid 1 Handvest, ten uitvoer brengen (punt 29). Daarmee geeft het hof expliciet te kennen dat waarborgen voor onafhankelijkheid, voor daadwerkelijke rechtsbescherming op het niveau van de lidstaten, voorafgaan aan het ten uitvoer brengen van het Unierecht. Anders gezegd: dit is een dermate wezenlijke kwestie, die altijd aan de orde is als basisvoorwaarde binnen de invloedssfeer van het Unierecht. Het hof wil zich daar te allen tijde kunnen uitspreken over de onafhankelijkheid van rechtspraak binnen de EU op het niveau van haar lidstaten.
Volgens het Hof van Justitie is het inherent aan het bestaan van een rechtsstaat dat er effectieve rechterlijke toetsing bestaat, alleen al om de naleving van het Unierecht te verzekeren (punt 36). Het hof bevestigt eerdere rechtspraak waaruit volgt dat het begrip ‘rechterlijke instantie’ een Unierechtelijke betekenis heeft, waarmee (punt 38):

(...) onder meer rekening dient te worden gehouden met de wettelijke grondslag van het orgaan, het permanente karakter, de verplichte rechtsmacht, de procedure op tegenspraak, de toepassing door het orgaan van de regels van het recht en de onafhankelijkheid van het orgaan.

Instandhouding van de onafhankelijkheid van de rechtspraak is volgens het Hof van Justitie ‘primordiaal’ en het vindt daarvoor steun in art. 47 lid 2 Handvest, dat de toegang tot een ‘onafhankelijk’ gerecht vermeldt als een van de vereisten voor effectieve rechtsbescherming. Vervolgens geeft het Hof van Justitie zijn visie op de betekenis van onafhankelijke rechtspraak:*12

42. De waarborg van onafhankelijkheid, die onlosmakelijk verbonden is met de rechterlijke opdracht (...), is niet alleen geboden op het niveau van de Unie – met betrekking tot de rechters en de advocaten-generaal van het Hof zoals artikel 19, lid 2, derde alinea, VEU bepaalt – maar ook op het niveau van de lidstaten, met betrekking tot de nationale rechterlijke instanties.
43. De onafhankelijkheid van de nationale rechterlijke instanties is in het bijzonder essentieel voor de goede werking van het stelsel van rechterlijke samenwerking die gestalte krijgt in het in artikel 267 VWEU neergelegde mechanisme van de prejudiciële verwijzing, doordat dit mechanisme, overeenkomstig de in punt 38 van onderhavig arrest in herinnering gebrachte vaste rechtspraak, slechts in werking kan worden gesteld door een instantie die tot taak heeft om het Unierecht toe te passen en die met name voldoet aan dat criterium van onafhankelijkheid.
44. Het begrip onafhankelijkheid veronderstelt met name dat de instantie haar rechtsprekende taken volledig autonoom uitoefent, zonder enig hiërarchisch verband en zonder aan wie dan ook ondergeschikt te zijn of van waar dan ook bevelen of instructies te ontvangen, en aldus beschermd is tegen tussenkomsten of druk van buitenaf die de onafhankelijkheid van de oordeelsvorming van haar leden in aan hen voorgelegde geschillen in gevaar zouden kunnen brengen (...).
45. Net zoals de onafzetbaarheid van de leden van de betrokken instantie (...), is de ontvangst door deze leden van een bezoldiging die qua omvang evenredig is aan het belang van de functies die zij uitoefenen, een aan de rechterlijke onafhankelijkheid inherente waarborg.

Daarop gaat het Hof van Justitie in het arrest over tot toetsing van de door de ASJP bestreden Portugese tijdelijke salarisverlaging voor rechters in het licht van deze maatstaf. Tegen de achtergrond van de omstandigheden van het geval sauveert het hof deze tijdelijke maatregel alsnog. Dat laatste maakt het principiële karakter van de voorgaande overwegingen niet minder groot.

Zoals hiervoor opgemerkt, gaat van deze overwegingen van het Hof van Justitie een bredere zeggingskracht uit. Zij kunnen in ieder geval van betekenis zijn voor, wellicht, komende zaken waarin de onafhankelijkheid van rechtspraak op het niveau van individuele lidstaten van de EU in het geding is. Niet ondenkbaar zijn immers (potentiële) zaken over kwesties in relatie tot rechtspraakontwikkelingen in bijvoorbeeld Hongarije of Polen. Concreet valt te denken aan de prejudiciële verwijzingsbeslissing van het Ierse High Court van 23 maart 2018, waarin – in relatie tot de uitvoering van drie door Polen uitgebrachte Europees arrestatiebevelen voor de overlevering van een persoon voor strafrechtelijke vervolging in Polen – stevig gemotiveerd wordt getwijfeld aan de huidige rechtsstatelijkheid in Polen en de volgende prejudiciële vragen worden opgeworpen:*13

a.  Notwithstanding the conclusions of the Court of Justice in Aranyosi and Caldararu, where a national court determines there is cogent evidence that conditions in the issuing Member State are incompatible with the fundamental right to a fair trial because the system of justice itself in the issuing Member State is no longer operating under the rule of law, is it necessary for the executing judicial authority to make any further assessment, specific and precise, as to the exposure of the individual concerned to the risk of unfair trial where his trial will take place within a system no longer operating within the rule of law?
b.  If the test to be applied requires a specific assessment of the requested person’s real risk of a flagrant denial of justice and where the national court has concluded that there is a systemic breach of the rule of law, is the national court as executing judicial authority obliged to revert to the issuing judicial authority for any further necessary information that could enable the national court discount the existence of the risk to an unfair trial and if so, what guarantees as to fair trial would be required? 

Het Hof van Justitie ontkomt er niet aan zich hierover in de komende periode uit te spreken.*14 Zeker van andere orde, maar ook dichter bij huis valt ontwikkeling niet uit te sluiten, want: hoe zou een toetsing uitvallen als we de citaten uit de opiniebijdrages van Bakker en van de Groep Tegenlicht afzetten tegen de bovenvermelde Europeesrechtelijke onafhankelijkheid uit punt 44, die immers veronderstelt dat de rechterlijke instantie:

(...) rechtsprekende taken volledig autonoom uitoefent, zonder enig hiërarchisch verband en zonder aan wie dan ook ondergeschikt te zijn of van waar dan ook bevelen of instructies te ontvangen, en aldus beschermd is tegen tussenkomsten of druk van buitenaf die de onafhankelijkheid van de oordeelsvorming van haar leden in aan hen voorgelegde geschillen in gevaar zouden kunnen brengen. 

Of: voldoet de huidige wijze van financiering van rechtspraak in Nederland eigenlijk aan deze maatstaf van onafhankelijkheid?

Onder rechter binnen de Europese rechtsorde moet volgens Lenaerts altijd een onafhankelijke rechter worden begrepen.

Onafhankelijke rechtspraak

Rechter = onafhankelijke rechter

Verschillende leden van het Hof van Justitie hebben inmiddels in lezingen gewezen op het belang van het arrest van 27 februari 2018. President van het Hof van Justitie Koen Lenaerts sprak op 19 maart jl. op een conferentie van de Poolse hoogste bestuursrechter onder de titel ‘The Court of Justice and national courts. A dialogue based on mutual trust and judicial independence’.*15


President van het Hof van Justitie Koen Lenaerts



In een boeiende lezing waarin hij de relatie tussen rechterlijke dialoog, wederzijds vertrouwen en onafhankelijkheid binnen de Europese rechtsorde wil verkennen, onderstreept hij het belang van rechterlijke onafhankelijkheid. Daarbij gaat het volgens hem om:*16

(...) not only a defining feature of the judicial function, but (...) also an essential component of the rule of law, one of the key values on which the EU is founded. 

Onafhankelijke rechtspraak is wezenlijk:*17

(...) since it ensures that judges remain faithful to the law and only to the law. Judicial independence is the bedrock of our democracies, be it at national or European level. I would go as far as to say that judicial independence is part of both our common heritage and of our very identity as Europeans.

In navolging van het eerdere arrest Wilson*18 onderscheidt Lenaerts in het concept van rechterlijke onafhankelijkheid een interne en externe dimensie, waarbij de interne dimensie vooral ziet op rechterlijke onpartijdigheid ten aanzien van partijen en het gelijke speelveld in het proces. Externe onafhankelijkheid:*19

(...) establishes the dividing line between the political process and the courts. Courts must be shielded from any external influence or pressure that might jeopardise the independent judgement of their members as regards proceedings before them. (...) Furthermore, the external aspect of judicial independence also requires the absence of any ‘hierarchical constraint or subordination to any other body that could give (...) orders or instructions’ to the body making the reference.

Hij wijst erop dat het arrest Associação Sindical dos Juízes Portugueses bevestigt dat het Europees recht in uitgangspunt de onafhankelijkheid van rechtspraak op het niveau van de lidstaten beschermt. Lenaerts ziet het arrest als een positieve ontwikkeling in rechtsbeschermingsland: het bevestigt de wezenlijke rol voor nationale rechters in het stelsel van Europese rechtspleging en laat zien dat het Hof van Justitie zich committeert om de rechtsstaat binnen de EU te verzekeren.*20 Onder rechter binnen de Europese rechtsorde moet volgens Lenaerts altijd een onafhankelijke rechter worden begrepen. Met andere woorden, het behoort tot het basisverhaal van de rechtspraak, ook om in dialoog te kunnen gaan met het Hof van Justitie en rechtscolleges in andere lidstaten van de EU. Dat heeft concrete consequenties. Lenaerts komt tot de volgende veelzeggende conclusie:*21

Since the enforcement of EU law is decentralised, the entire EU system of judicial protection is thus predicated on the premise that the Member States enjoy and cherish an independent judiciary that is capable of providing effective judicial protection of EU rights. However, where that premise no longer holds true, i.e. where judicial independence is lacking, the preliminary reference procedure becomes devoid of purpose, and the principle of mutual trust no more than an empty promise. Should that happen, then a link in the chain of European justice would be broken and the rule of law within Europe as a whole would inevitably be weakened as a result.That is the reason why, in the fields covered by EU law, the second subparagraph of Article 19(1) TEU imposes on the Member States the obligation to refrain from adopting any measures that may threaten the independence of their own judiciaries. Any such measures are repugnant to the values on which the EU is founded and must be set aside.

Onafhankelijke rechtspraak beperkt zich niet tot symboliek, maar ligt aan de basis van onze beschaving en identiteit, van wie wij zijn en hoe het hier eigenlijk hoort. Het is een waarde die ook in Europees verband als te koesteren premisse voor de rechtspraak heeft te gelden en concrete verplichtingen met zich brengt om de bescherming van het recht te verzekeren.

Voorstel van wet van het lid Van Nispen tot wijziging van de Comptabiliteitswet 2016 en de Wet op de rechterlijke organisatie teneinde een heldere scheiding aan te brengen tussen de begroting van het ministerie van Veiligheid en Justitie en die van de Raad voor de rechtspraak (Kamerstukken II 2016/17, 34618, 1).

O.m. het (ongecorrigeerde) verslag van de plenaire behandeling van het Tweede Kamerdebat en het overzicht van de hoofdelijke stemming is hier te raadplegen: www.tweedekamer.nl/kamerstukken/wetsvoorstellen/detail?cfg=wetsvoorsteldetails&qry=wetsvoorstel%3A34618.

F. Bakker, ‘Geef de Rechtspraak een aparte begroting’, opiniebijdrage van 12 maart 2018, www.sconline.nl/opinie/geef-de-rechtspraak-een-aparte-begroting.

Groep Tegenlicht (R.M. Berendsen, A.R. Creutzberg, A. van Holen, S.M. van Lieshout, H. Phaff, J.A. Schuman, M.J. Slootweg, H.M.M. Steenberghe), ‘Geef rechtspraak eigen begroting. Maak de rechtspraak financieel onafhankelijk van het ministerie van Justitie & Veiligheid’, opiniebijdrage de Volkskrant 26 maart 2018, www.volkskrant.nl/opinie/opinie-geef-rechtspraak-eigen-begroting~a4583928/.

Arrest van 27 februari 2018, zaak C-64/16, ECLI:EU:C:2018:117 (Associação Sindical dos Juízes Portugueses), http://curia.europa.eu/juris/document/document_print.jsf?doclang=NL&text=&pageIndex=0&part=1&mode=lst&docid=199682&occ=first&dir=&cid=187760.

Zie hierover de eerdere arresten van 3 oktober 2013, zaak C-583/11 P, ECLI:EU:C:2013:625, punt 90 (Inuit Tapiriit Kanatami e.a./Parlement en Raad) en 28 april 2015, zaak C-456/13 P, ECLI:EU:C:2015:284, punt 45 (T & L Sugars en Sidul Açúcares/Commissie).

Verwijzingen naar eerdere jurisprudentie ontbreken hier. De integrale tekst van het vonnis is via de volgende URL raadpleegbaar: http://curia.europa.eu/juris/document/document_print.jsf?doclang=NL&text=&pageIndex=0&part=1&mode=lst&docid=199682&occ=first&dir=&cid=187760.

De zaak is op 27 maart 2018 geregistreerd bij het Hof van Justitie als zaak C-216/18 PPU (Celmer) en aangemerkt om volgens het regime van de prejudiciële spoedprocedure te worden behandeld.

K. Lenaerts, The Court of Justice and national courts. A dialogue based on mutual trust and judicial independence (lezing van 19 maart 2018). Deze lezing is inmiddels integraal beschikbaar – zowel in de oorspronkelijke Engelse versie als in een niet-officiële Nederlandse vertaling – op de website van het onvolprezen Expertise Centrum Europees Recht van ministerie van Buitenlandse Zaken: www.minbuza.nl/ecer/bijlagen/actueel/nieuwsberichten/2018/lezing-koen-lenaerts-warschau-polen.html.

Lenaerts, a.w., p. 1.

Lenaerts, a.w., p. 2.

Arrest van 19 september 2006, zaak C-506/04, ECLI:EU:C:2006:587 (Wilson). Zie over dit arrest J.H. Jans & H.J. van Harten, ‘Offiziell Sprooch’, Ars Aequi 2007, p. 78-85, tevens beschikbaar op www.rug.nl/research/portal/files/2771115/Wilson_AAe_annotatie.pdf.

Lenaerts, a.w., p. 5.

Lenaerts, a.w., p. 8.

Lenaerts, a.w., p. 17.

Top