03 2018

BOEKBESPREKING

Tussen openhartigheid en kwetsbaarheid

Tussen openhartigheid en kwetsbaarheid

Het boek Tussen openhartigheid en kwetsbaarheid. Over de rechterlijke motiveringskeuze bij rechtsvorming is de publicatie van de masterscriptie in de studie rechtsgeleerdheid van Max van Tiel. De vraag die Van Tiel centraal stelt, is hoe de civiele feitenrechter zijn rechtsvormende beslissing moet motiveren. De doelstelling van het boek is om inzicht te verkrijgen in de problematiek van rechterlijke motivering bij rechtsvormende beslissingen en manieren te presenteren hoe de rechter met die motivering kan omgaan. Dit gebeurt, zoals Van Tiel dat beschrijft, tegen de achtergrond van het spanningsveld tussen openhartigheid en kwetsbaarheid: een uitgebreide(re) motivering kan de aanvaardbaarheid van een beslissing vergroten en de rechtsontwikkeling bespoedigen, maar maakt de beslissing tegelijkertijd meer vatbaar voor aantasting in hoger beroep en kritiek vanuit de wetenschap.

M.R. van Tiel, Tussen openhartigheid en kwetsbaarheid. Over de rechterlijke motiveringskeuze bij rechtsvorming, Tilburg: Celsus Juridische Uitgeverij 2017, ISBN 978 90 8863 218 1


Na de inleiding van hoofdstuk 1 stelt Van Tiel in hoofdstuk 2 vast aan welke minimumeisen de motivering van een beslissing moet voldoen: wanneer is deze ‘appelproof’, of, in de woorden van Van Tiel, wanneer is voldaan aan ‘het mindere’? Daarbij gaat hij in op de verschillende functies van motiveren, waaronder de uitlegfunctie, de legitimatiefunctie en de beschermingsfunctie, en worden de motiveringseisen beschreven zoals die volgen uit de Grondwet, de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en de rechtspraak van de Hoge Raad. De motivering moet volgens de Hoge Raad in elk geval een zodanig inzicht geven in de gedachtegang van de rechter dat de beslissing voor partijen en derden controleerbaar en aanvaardbaar is.*1 Hoe ver de motiveringsplicht in een individuele zaak reikt, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Van Tiel presenteert drie invalshoeken – de procesrechtelijke, de argumentatieleer en de logica – waarmee de reikwijdte van de motiveringsplicht in een voorliggend geval kan worden vastgesteld. Hij gaat hierbij ook uitgebreid in op de betekenis van de overweging ten overvloede.

In hoofdstuk 3 presenteert Van Tiel de beroepsethiek als bron waaruit kan worden geput voor een uitgebreidere motivering bij rechtsvormende beslissingen: de beroepsethiek als ‘het meerdere’. Het doel van het hoofdstuk is om de rechter die zijn beslissing appelproof heeft gemotiveerd handvatten te geven om uitgebreider te motiveren dan noodzakelijk volgens het in hoofdstuk 2 beschreven ‘mindere’. In dit verband bespreekt Van Tiel de betekenis van judicial candor, rechterlijke openhartigheid, een waarde die wordt beschreven in de literatuur over de motivering van de beslissingen van de Amerikaanse rechter. Van Tiel bespreekt twee uitwerkingen van de rechterlijke openhartigheid, te weten de rechterlijke oprechtheid, waaruit volgt dat de rechter in elk geval zo moet motiveren dat iedere vorm van misleiding wordt voorkomen – waaronder verhullend motiveren – en de rechterlijke beslissing die, kort gezegd, alleen legitiem is als de rechter gelooft dat de gegeven redenen voldoende zijn om de beslissing te kunnen rechtvaardigen en hij die redenen ook deelt. De andere variant is de prudentiële openhartigheid, die minder hoge eisen aan de motivering stelt, en waarbij de rechter de voor- en nadelen van een openhartige motivering tegen elkaar mag afwegen.

Hoofdstuk 3 wordt afgesloten met een verwijzing naar drie ideaaltypen, profielen van rechters, die onder meer uitdrukking geven aan verschillende opvattingen over de verhouding tussen wetgever en rechter.*2 Het betreft de op de wet en andere formele kaders georiënteerde ‘rechter als ambtsdrager’, de op idealen en beginselen georiënteerde ‘strijdvaardige rechter’ en de op de gemeenschap en herstel van conflicten georiënteerde ‘gemeenschapsrechter’. Van Tiel werkt deze rechtersbeelden uit ten aanzien van de motiveringskeuze bij rechtsvormende beslissingen: een zuinige motivering, beperkt tot het concrete geval voor de rechter als ambtsdrager; een uitvoerige, openhartige motivering voor de strijdvaardige rechter; en een doelgerichte op partijen gerichte motivering voor de gemeenschapsrechter. Bij de keuze om uitgebreider te motiveren dan volgens ‘het mindere’ kan de rechter, aldus Van Tiel, aansluiting bij deze rechtersbeelden zoeken.

In hoofdstuk 4 wordt het mindere en meerdere in de praktijk gebracht. Hij analyseert hier acht rechtsvormende uitspraken wat betreft hun motiveringskeuze. De analyse leidt Van Tiel tot het formuleren van zeven aandachtspunten aan de hand waarvan het antwoord op de vraag hoe de rechter zijn rechtsvormende beslissing moet motiveren, kan worden benaderd. Uit de uitgevoerde analyse blijkt dat het motiveren van rechtsvormende beslissingen niet eenvoudig is. Er worden verschillende zwakke punten en inconsistenties in de motiveringen blootgelegd, zoals het wel formuleren van een rechtsvraag, maar het vervolgens niet beantwoorden daarvan, of een motivering waarin het – ogenschijnlijk – meest trefzekere argument niet wordt genoemd.

In hoofdstuk 5 trekt Van Tiel conclusies. Hij komt daarbij tot vier kwaliteitseisen die de rechter dwingen om bij rechtsvorming uitgebreider te motiveren dan volgens ‘het mindere’. De rechter moet:

  • een indicatie geven van het rechtsvormende karakter;
  • de relevante rechtsvraag helder formuleren en duidelijk beantwoorden;
  • aansluiten bij rechtspraak en literatuur;
  • evident trefzekere argumenten aanhalen.

De rechter moet, aldus Van Tiel, echter meer doen dan alleen uitgebreider motiveren. Volgens Van Tiel kan de rechter pas echt een goede motiveringskeuze maken als hij ook heeft nagedacht over zichzelf als rechter en over zijn visie op zijn rechtsvormende taak. De drie rechtersbeelden kunnen hem hierbij helpen: daarmee kunnen de kwaliteitseisen verder worden ingevuld. Van Tiel constateert hierbij dat er niet één goede manier bestaat om een rechtsvormende beslissing goed te motiveren, en formuleert aan de hand van de rechtersbeelden drie motiveringskeuzes.

De eerste drie hoofdstukken van het boek lezen als een trein. Hoofdstuk 4, waarin de rechterlijke uitspraken worden geanalyseerd, roept vragen op. Het is niet steeds duidelijk op grond van welke in hoofdstuk 2 en 3 beschreven criteria of invalshoeken de rechterlijke uitspraken worden geanalyseerd. Ook raakt het onderscheid tussen norm en feit bij de beschrijving van de aandachtspunten in dit hoofdstuk wat verloren. Sommige aandachtspunten worden als een norm voor de rechter beschreven, bijvoorbeeld dat de rechter ervoor moet waken geen half werk te verrichten door een rechtsvraag niet helder te formuleren. Andere aandachtspunten lijken een feitelijke beschrijving van de in de uitspraken aangetroffen motiveringskeuzes, zoals het zesde aandachtspunt: ‘de rechter lijkt doorgaans niet het rechtsvormende karakter van zijn uitspraak te legitimeren’. De vraag dringt zich op wat de precieze betekenis van de aandachtspunten is, en, daarmee, wat de betekenis van hoofdstuk 4 in het totaal is, terwijl tegelijkertijd ook moet worden gezegd dat de bespreking van de uitspraken bijdraagt aan een beter begrip van het onderwerp.

De toon van het concluderende hoofdstuk 5 is daarnaast enigszins dissonant met de eerste drie hoofdstukken, die worden gekenmerkt door een uiterst genuanceerde benadering: de bespreking van de normen van ‘het mindere’ en ‘het meerdere’, waarbij inspiratie wordt gezocht in de judicial candor, en de aanvulling met de rechtersbeelden vormen samen een verfijnd kader. In hoofdstuk 5 doet Van Tiel hier en daar ook minder genuanceerde of logische uitspraken. Zo wordt aan het feit dat de rechter meer kan zeggen door meer argumenten te noemen, het rechtsvormende karakter van de uitspraak te duiden en de betekenis van de rechtsvormende beslissing uit te leggen, de conclusie verbonden dat hij zich bij zijn motiveringskeuze sterk moet laten leiden door het belang van de rechtsontwikkeling en de oprechtheid van de motivering. Het een volgt, zonder nadere toelichting die niet is gegeven, echter niet uit het ander.

De kanttekeningen die ik hier maak, nemen niet weg dat Van Tiel een knap overzicht geeft van bestaande ideeën en eigen inzichten over het motiveren van rechtsvormende beslissingen, waarmee de civiele rechter zijn voordeel kan doen. Met de keuze om aansluiting te zoeken bij het Amerikaanse judicial candor zoekt hij inspiratie bij een traditie waarin rechterlijke uitspraken veel uitgebreider en persoonlijker, opiniërender, kunnen zijn gemotiveerd. Een logisch keuze en tegelijkertijd origineel. Een grote verdienste is daarnaast dat Van Tiel in staat is om bij de vraag wat een motivering vereist tot uitdrukking te brengen dat het civiele recht en de civiele rechter niet één, maar vele gezichten hebben, iets waar vaak aan voorbij wordt gegaan: de kantonrechter, de voorzieningenrechter, de bodemrechter in handelszaken en de familierechter kunnen en hebben ook vaak verschillende taakopvattingen, ingegeven door hun positie binnen het civiele recht, soms door persoonlijke voorkeur, en door de omstandigheden van dat ene geval waarover moet worden geoordeeld. Dat, zo laat Van Tiel overtuigend zien, wordt weerspiegeld in de keuzes die (moeten) worden gemaakt als het gaat om de motivering van rechtsvormende beslissingen.

HR 4 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0986, NJB 1993/659 (Vredo/Veenhuis).

De rechtersbeelden zijn ontleend aan S. Dijkstra, De rechter als evenwichtskunstenaar. De vrijheid van de rechter om zijn persoonlijke meningen en overtuigingen te uiten, Den Haag: Sdu Uitgevers 2016.

Top