03 2018

Om des gewetenswille

Over het geweten, Recht met een Hoofdletter en de democratische rechtsstaat

Deze dag is gewijd aan het misschien wel beroemdste arrest van het hof Leeuwarden. Ik wil het aan de hand van dat arrest met u hebben over het geweten, over Recht met een Hoofdletter en over de democratische rechtsstaat.

Enerzijds noopt de uitnodiging tot grote bescheidenheid, niet alleen omdat ik zelf geen rechter ben, maar vooral omdat ik – zoals de meesten hier – de oorlog niet heb meegemaakt en ook niet anderszins heb hoeven ervaren wat het is om in extreme omstandigheden gewetensvol te handelen. Alleen al daarom voel ik me niet geroepen of zelfs maar in staat een oordeel te vellen over het arrest uit 1943. Evenmin acht ik het mijn taak of binnen mijn competentie een antwoord te geven op de vraag hoe een rechter nu of in de toekomst in zeer moeilijke omstandigheden mag of misschien zelfs moet handelen.

Anderzijds is het 75-jarig bestaan van het arrest een goed getimede en misschien zelfs dwingende aanleiding om toch over die lastige vraag na te denken. Ik wil echter eerst kort een blik werpen op de toestand in de wereld in 1993. 

De toestand in de wereld in 1993 en in 2018*1

Kort voor het 50-jarig bestaan van het Leeuwarder arrest in 1993 kon Francis Fukuyama nog zonder een spoor van ironie schrijven:*2

Waar we getuige van zijn, is niet slechts het einde van de Koude Oorlog, of het voorbijgaan van een bepaalde periode van de naoorlogse geschiedenis, maar het einde van de geschiedenis als zodanig: te weten, het eindpunt van de ideologische evolutie van de mensheid en de universalisering van de Westerse liberale democratie als de uiteindelijke vorm van menselijk bestuur.

Fukuyama verdedigde dit standpunt niet enkel vanwege het einde van de Koude Oorlog. Het lijkt echter wel dat de val van de Berlijnse muur en andere gebeurtenissen hem zo optimistisch hadden gestemd dat zij zijn blik kleurden toen hij stelde dat de liberale democratie – een begrip nauw verwant met dat van de democratische rechtsstaat – niet alleen normatief gezien de beste regeringsvorm is, maar ook feitelijk steeds wijder verbreid zal raken totdat uiteindelijk alle samenlevingen deze zullen omarmen.

Ik hoef u niet te vertellen dat dit vertrouwen, zelfs als we ons beperken tot Europa en tot Nederland, intussen een flinke knauw heeft gekregen. Dan heb ik het niet eens over de oorlog in Joegoslavië en de massamoord in Srebrenica in 1995, maar vooral over gebeurtenissen sinds het nieuwe millennium. Ik doel op de terroristische aanslagen sinds nine eleven (2001), de economische crisis van 2008, de vluchtelingencrisis van 2015, maar vooral op de groei van anti-Europese, nationalistische en populistische partijen. Daardoor kunnen we vraagtekens bij Fukuyama’s vooruitgangsgeloof zetten,*3 in elk geval bij het geloof dat de wereld zelfs maar zonder tijdelijke terugval steeds democratischer en rechtsstatelijker zal worden.*4

Anders dan Fukuyama wil ik vandaag geen toekomstvoorspellingen doen. Evenmin zal ik mij wagen aan historische beschouwingen. Ik ben geen futuroloog en geen historicus. Ik ben rechtsfilosoof en hoogleraar professie-ethiek. Dat betekent echter niet dat ik u ga vertellen wat u in moeilijke situaties behoort te doen. Ik ben een wetenschapper, geen moralist. Mijn bijdrage is meer bescheiden.

Ik wil enkele observaties met u delen over recht in het algemeen en de rechtspraak in het bijzonder. Het Leeuwarder arrest is daarbij mijn vertrekpunt. Ik zal onder andere een aantal recente rechterlijke oordelen bespreken en de motiveringen vergelijken met die uit het Leeuwarder arrest, meer in het bijzonder met dat deel van de motivering waardoor dit arrest beroemd is geworden:

(...) dat het Hof de mogelijkheid van deze [strafverzwarende] wijze van executie (...) in aanmerking nemend, er zich om des gewetenswille van zal onthouden de verd. te veroordelen tot een gevangenisstraf van zodanige duur als i.c. in evenredigheid zoude staan tot de ernst van het (...) misdrijf (...).

Rechtspositivisme en natuurrecht

Het perspectief dat ik bij deze vergelijking zal innemen, is rechtsfilosofisch van aard. Ik zal eerst twee visies op het recht introduceren die kort na de Tweede Wereldoorlog een belangrijke rol hebben gespeeld.

Een van de grote tegenstellingen in de rechtsfilosofie is die tussen rechtspositivisme en visies die – strikt genomen niet correct – vaak onder de noemer van het natuurrecht worden geschaard. Zij worden ook wel aangeduid als hoger recht of als Recht met een Hoofdletter. In het navolgende zal ik met name de termen ‘rechtspositivisme’ en ‘Recht met een Hoofdletter’ gebruiken.

De kern van het meningsverschil tussen beide visies betreft de vraag of alle recht en alleen recht dat uit een erkende rechtsbron voortvloeit recht is. Meer specifiek gaat het om de vraag of recht dat op correcte wijze tot stand is gekomen recht is, zelfs als het uitzonderlijk onrechtvaardig is. Met andere woorden, zijn recht en rechtvaardigheid te scheiden of is er een intrinsieke relatie tussen beide die maakt dat alleen recht dat in een minimale zin rechtvaardig is, recht is?

In het verlengde van deze vraag ligt de vraag of burgers de plicht hebben zeer onrechtvaardig recht te gehoorzamen en of rechters de plicht hebben dat recht toe te passen.

Volgens het rechtspositivisme sluit het bestaan van een rechtsplicht niet uit dat er een morele plicht is om zeer onrechtvaardig recht niet te gehoorzamen en niet toe te passen.


Rechtspositivisme

Een rechtspositivist verdedigt de opvatting dat alle recht en alleen recht dat uit een erkende rechtsbron voortvloeit, recht is. Daarmee heeft een rechtspositivist een formele rechtsopvatting: niet de inhoud, maar de bron bepaalt of iets recht is. Daaruit volgt dat onrechtvaardig en zelfs uitzonderlijk onrechtvaardig recht recht is en dat burgers een rechtsplicht hebben onrechtvaardig recht te gehoorzamen en rechters om het toe te passen.

Dat laat volgens rechtspositivisten – althans volgens Engelse rechtspositivisten – echter onverlet dat uit die rechtsplicht niet voortvloeit dat er ook een morele plicht bestaat onrechtvaardig recht te gehoorzamen of toe te passen. Sterker nog, volgens het rechtspositivisme sluit het bestaan van een rechtsplicht niet uit dat er een morele plicht is om zeer onrechtvaardig recht niet te gehoorzamen en niet toe te passen.


Recht met een Hoofdletter

Aanhangers van het natuurrecht of Recht met een Hoofdletter daarentegen stellen dat positief recht dat extreem onrechtvaardig is, de naam recht niet verdient en er dus niet alleen geen morele, maar ook geen juridische plicht tot gehoorzamen en toepassen bestaat. Misschien wel de bekendste formulering van dit standpunt is gegeven door de Duitse rechtsgeleerde Gustav Radbruch.

Kort na de oorlog formuleerde Radbruch zijn standpunt als volgt:*5

(...) waar niet eens naar gerechtigheid gestreefd wordt, waar de gelijkheid die de kern van de gerechtigheid uitmaakt, bij de uitvaardiging van het positieve recht bewust ontkend wordt, daar is de wet niet slechts ‘verkeerd recht’, maar ontbeert deze überhaupt het rechtskarakter. Want men kan recht, ook positief recht, niet anders definiëren dan een ordening en regeling die naar haar aard bestemd is de gerechtigheid te dienen.

De grote betekenis van naoorlogse mensenrechtenverdragen is dat daarin de fundamentele mensenrechten waaraan het Recht met een Hoofdletter refereert, gepositiveerd zijn.

Om des gewetenswille

Fotograaf: Janny Idsardi


Naoorlogse processen en mensenrechtenverdragen

Deze discussie tussen rechtspositivisme en natuurrecht mag op het eerste oog wellicht een vrij hoog studeerkamergehalte lijken te hebben, hoewel Radbruch bepaald geen studeerkamergeleerde was: tijdens de Weimarrepubliek was hij Minister van Justitie. Schijn bedriegt echter, want de discussie had wel degelijk grote praktische betekenis. Hij speelde met name een rol bij de naoorlogse processen tegen oorlogsmisdadigers.

Rechters hebben in naoorlogse processen hun uitspraken wel gemotiveerd met behulp van de stelling dat een onrechtvaardige wet geen rechtskracht heeft als hij strijdig is “met het gezonde geweten en het rechtvaardigheidsgevoel van alle fatsoenlijke mensen”. De Engelse rechtspositivist Herbert Hart heeft fel stelling genomen tegen Radbruchs standpunt en tegen deze stelling.

Hart brengt daartegen in dat er twee andere keuzen zijn:

De ene is om verdachten ongestraft te laten. De andere is onder ogen te zien dat bestraffing alleen kan op basis van een wet met terugwerkende kracht en in volle bewustzijn van wat wordt opgeofferd. Hoe afschuwelijk terugwerkende kracht in het strafrecht ook mag zijn, als het openlijk gebeurt dan zou het tenminste oprecht zijn. Het zou dan duidelijk zijn dat een keuze moest worden gemaakt uit twee kwaden: verdachten onbestraft laten of een zeer waardevol moreel beginsel opofferen dat door de meeste rechtssystemen onderschreven wordt.

En Hart voegt daaraan toe:*6

Als we iets uit de geschiedenis hebben geleerd, dan is het wel dat we een moreel dilemma niet moeten verstoppen.

Anders gezegd, Hart stelt dat het zuiverder is te erkennen dat het ‘nulla poena’-beginsel bij de bestraffing van extreem onrecht wordt ingeruild voor het ‘nulla crimen sine poena’-beginsel of in elk geval voor het beginsel dat zeer ernstige misdrijven niet onbestraft mogen blijven.

De grote betekenis van naoorlogse mensenrechtenverdragen is dat daarin de fundamentele mensenrechten waaraan het Recht met een Hoofdletter refereert, gepositiveerd zijn. Tot op zekere hoogte is de discussie tussen rechtspositivisme en natuurrecht, over het onderscheid tussen een formeel en een inhoudelijk rechtsbegrip, daardoor obsoleet geworden en dat geldt daarmee ook voor de discussie over de schending van het ‘nulla poena’-beginsel. Het ‘hogere’ recht is door die verdragen immers positief recht geworden, althans in landen die deze verdragen erkennen.


Hof Leeuwarden (1943) ‘Om des gewetenswille’

Deze eerste verkenning van de twee visies op de aard van het recht roept de vraag op of de frase ‘om des gewetenswille’ moet worden begrepen als een getuigenis voor Recht met een Hoofdletter, zoals onder andere Polak in zijn naoorlogse noot bij het arrest heeft gesteld. Is het beroep op het geweten hier een getuigenis voor of zelfs een beroep op hoger recht, of kan het ook anders worden begrepen?

Een argument om het niet als een beroep op hoger recht op te vatten, is dat uit de tekst van het arrest blijkt dat het hof zelf meent dat het Recht met een Hoofdletter niet nodig heeft, althans niet om tot een juridisch goed gemotiveerd oordeel te komen.

Ten eerste stelt het hof expliciet dat de tenuitvoerlegging van gevangenisstraffen in strijd is met het positieve recht. Het schrijft immers:

Dat het Hof wenst rekening te houden met de omstandigheid dat (...) opgelegde gevangenisstraffen, in strijd met de wettelijke voorschriften (...) worden ten uitvoer gelegd op zo strafverzwarende wijze als door de Rechter bij de bepaling van de strafmaat onmogelijk kon worden voorzien of zelfs maar verondersteld (...).

Ten tweede heeft de rechter bij uitstek bij de bepaling van de straf een grote discretionaire bevoegdheid. Ook daarom heeft het hof een beroep op Recht met een Hoofdletter niet nodig om tot een juridisch goed gemotiveerd oordeel te komen. Het heeft immers gesteld dat de straf die het oplegt te licht is, mede omdat het voorarrest niet lang genoeg heeft geduurd. Anderzijds meent het hof dat een gevangenisstraf die qua duur evenredig zou zijn, te zwaar zou zijn vanwege de wijze van tenuitvoerleggen.

Het hof legt uit dat het voor het dilemma wordt gesteld dat het onmogelijk is evenredigheid te vinden tussen misdrijf en straf. Het is een dilemma, omdat het hof moet kiezen uit twee kwaden. Het oordeelt dan dat een kortere strafduur de minste van beide kwaden is. Deze uitleg en afweging vinden echter plaats binnen de grenzen van het positieve recht.

Als het hof binnen de grenzen van het positieve recht blijft, dan rijst de vraag hoe we het beroep op het geweten dan wel zouden kunnen uitleggen. Men zou kunnen beargumenteren dat het hof een beroep op het geweten doet, omdat het hier niet alleen voor een juridisch, maar ook voor een moreel dilemma staat. Die uitleg is historisch onjuist in zoverre het beroep algemeen wordt gezien als daad van verzet, maar ligt ook los daarvan niet voor de hand. De rechter wordt immers wel vaker voor dilemma’s gesteld zonder dat dat noopt tot een beroep op het geweten.

Ik laat de vraag naar de betekenis van het beroep op het geweten nog even rusten. Ik zal eerst een aantal recente oordelen bespreken waarin de rechter, net als het hof Leeuwarden, de overheid, meer in het bijzonder de uitvoerende macht, op de vingers tikt. Ik beperk mij tot strafrechtelijke uitspraken waarin het – net als in het Leeuwarder arrest – gaat om de motivering van de op te leggen straf.

Het hof oordeelt dat de uitvoerende macht niet heeft gehandeld op een wijze die van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht. Dit is voor zover ik kan overzien een uitzonderlijk hard rechterlijk oordeel.


Hof ’s-Hertogenbosch (2018): ‘Zozeer indruist’

Ik begin echter met een uitspraak waar ik naar mijn gevoel niet omheen kan, al was het maar omdat de president van dit hof in deze complexe en langlopende zaak in november 2014 aangifte heeft gedaan tegen het ministerie van Financiën vanwege het geven van instructies aan getuigen. De president heeft zijn aangifte ruim een jaar later ingetrokken. Volgens een bericht op rechtspraak.nl bevat het arrest van de Hoge Raad van 18 december 2015 nieuw recht en biedt het daardoor een nieuw perspectief op de verdenking die destijds ontstond. Dat nieuwe perspectief heeft ertoe geleid dat de president het Openbaar Ministerie heeft laten weten dat hij niet langer prijs stelt op vervolging, aldus nog steeds het bericht op rechtspraak.nl.*7

Daarmee was de zaak echter bepaald niet ten einde, integendeel. Ik doel uiteraard op de uitspraak van het hof ’s-Hertogenbosch van 20 februari jl.*8 Deze uitspraak is de nieuwste loot aan een stam van rechterlijke uitspraken die in 2009 ontkiemt als een anonieme tipgever zich bij de FIOD meldt met informatie over belastingontduikers. De Belastingdienst heeft tot op de dag van vandaag de naam van deze tipgever niet bekend willen maken, niettegenstaande het feit dat de rechtbank Arnhem al in 2012 het verzoek om geheimhouding heeft afgewezen en de Belastingdienst zich destijds bij die beslissing heeft neergelegd en de beslissing onherroepelijk is geworden.*9

Daarmee draait het bij deze zaak en met name ook bij de aangifte niet om een inhoudelijk oordeel over de vraag of en wanneer tipgevers anoniem mogen blijven, maar om een formeel-juridische, maar ook principiële rechtsstatelijke kwestie, namelijk dat de uitvoerende macht gerechtelijke uitspraken niet zomaar naast zich neer mag leggen.

Anders dan de wetgevende en de uitvoerende macht heeft de rechterlijke macht echter, in de beroemde woorden van Hamilton in de Federalist Papers (nr. 78):

(...) neither force nor will, but merely judgment.

Dat betekent dat de rechter de Belastingdienst niet kan dwingen de naam te noemen. Maar met zijn ‘judgment’ kan hij wel iets anders, namelijk juridische gevolgen verbinden aan deze weigering. En precies dat gebeurt in de recente uitspraak van het hof ’s-Hertogenbosch.

In aansluiting op het zojuist genoemde arrest van de Hoge Raad uit 2015 stelt het hof ’s-Hertogenbosch eerst dat:

(...) het belang van een juiste belastingheffing en bestrijding van belastingontwijking (dient) te worden afgewogen tegen het belang van een zuiver rechtsstatelijk, normconform handelen van de Staat.

Ook stelt het hof dat:

(...) de rechter die belangenafweging terughoudend dient te toetsen, aangezien die belangenafweging plaatsvindt in het kader van de uitoefening van een discretionaire bevoegdheid.

Het hof oordeelt vervolgens echter dat de belastinginspecteur geen inzicht heeft gegeven in die belangenafweging en stelt dan:

Dat betekent dat in dit geval moet worden geoordeeld dat de belangenafweging zodanig tekortschiet dat is voldaan aan het ‘zozeer-indruist’-criterium. Dat brengt (...) met zich dat het bewijsmateriaal in de onderhavige zaak van gebruik moet worden uitgesloten.

Anders gezegd: het hof oordeelt dat de uitvoerende macht niet heeft gehandeld op een wijze die van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht. Dit is voor zover ik kan overzien een uitzonderlijk hard rechterlijk oordeel.*10  Maar tegelijk is het ook een strikt juridische uitspraak. Het hof doet geen beroep op het geweten of op Recht met een Hoofdletter.

Deze uitspraak van het hof ’s-Hertogenbosch is voor mij een opstap naar een tweede theoretisch kader naast het eerder besproken onderscheid tussen rechtspositivisme en Recht met een Hoofdletter. Dit kader heb ik nodig bij mijn bespreking van de andere rechterlijke oordelen.


Waartoe is recht op aarde?

Bij dit tweede kader draait het niet om de vraag wat recht is en wat de relatie is tussen recht en rechtvaardigheid, maar om de vraag welke functies recht heeft of – iets hoogdravender geformuleerd – waartoe recht op aarde is.

In het zojuist besproken arrest weegt het hof twee belangen tegen elkaar af: het belang van een juiste belastingheffing en bestrijding van belastingontwijking enerzijds en het belang van een zuiver rechtsstatelijk normconform handelen van de Staat anderzijds. Deze belangen kunnen ook worden begrepen in termen van functies van het recht. Naast de door het hof genoemde instrumentele en rechtsstatelijke functie onderscheid ik twee andere functies.

De tik die de rechtbank hier uitdeelt aan de uitvoerende macht vertoont grote gelijkenis met de tik van het hof Leeuwarden: beide oordelen immers dat de praktijk van de tenuitvoerlegging in strijd is, althans op gespannen voet staat, met het positieve recht.


Recht als waarborg: materieel-rechtsstatelijke visie

De eerste functie is de waarborgfunctie van het recht: recht heeft de functie de fundamentele rechten van burgers te bewaken en te beschermen tegenover andere burgers, en vooral tegenover de overheid. Daarmee ligt bij deze functie het accent op het materiële aspect van de rechtsstaat. Het door het hof genoemde formele aspect van de rechtsstaat – dat de overheid zuiver normconform handelt – is hier niet doel in zichzelf, maar een middel om rechtsgelijkheid, rechtszekerheid en de grondrechten te bewaken.


Recht als instrument 

De tweede functie is de zojuist genoemde instrumentele functie: recht is een middel om doelen te realiseren. Recht is uiteraard voor burgers een middel om hun doelen te realiseren. Zo is het voor degenen die vandaag met de auto naar Leeuwarden zijn gereden niet alleen buitengewoon nuttig dat er auto’s en autowegen zijn, maar evenzeer dat er verkeersregels zijn die eraan bijdragen dat zij hier tijdig en ongeschonden aankomen. 

Met de instrumentele functie wordt echter ook vaak gedoeld op recht als middel voor de overheid om op effectieve en efficiënte wijze overheidsdoelen te realiseren – zoals het innen van belasting om de realisering van verder gelegen overheidsdoelen mogelijk te maken.


Responsief recht 

Een derde visie op recht benoemt niet zozeer een functie van het recht – waarborg of instrument – maar stelt dat het recht – welke functies het verder ook vervult – moet aansluiten bij de opvattingen van burgers. Daarbij gaat het niet om de vraag of het recht een goed instrument is voor burgers, of zelfs dat burgers dat – al dan niet terecht – denken, maar veeleer om de vraag hoe burgers het recht ervaren.

Het gaat erom of burgers zich gehoord voelen door de overheid, vooral – maar niet uitsluitend – wanneer zij zelf direct contact hebben met de overheid, in het bijzonder met de uitvoerende of de rechterlijke macht. Om bij het voorbeeld van het autoverkeer te blijven, in deze visie moet het recht mensen niet alleen tijdig en effectief naar hun bestemming brengen, maar – en ik citeer hier uit het recente HiiL-rapport Menselijk en rechtvaardig. Is de rechtsstaat er voor de burger? – op de weg naar hun bestemming moeten zij zich ook gehoord voelen.*11 In navolging van Nonet en Selznick (1978) wordt wel over responsief recht gesproken.*12

Het gaat er bij deze visie meer specifiek om of burgers het recht – en met name ook de toepassing daarvan – als rechtvaardig ervaren. Het gaat hier bij rechtvaardigheid echter niet om de eerder besproken relatie tussen positief recht en Recht met een Hoofdletter, maar om de relatie tussen positief recht en positieve moraal, dat wil zeggen de morele opvattingen die op enig moment feitelijk in een samenleving heersen.


Autonoom recht: formeel-rechtsstatelijke visie

De vierde visie ten slotte houdt in dat het recht geen specifieke functie heeft. Recht is een semiautonoom systeem en dat houdt in dat het moet worden toegepast, niet alleen zonder aanzien des persoons,*13 maar vooral ook zonder aanzien van een doel. Hoewel ook deze visie wel ‘rechtsstatelijk’ wordt genoemd, ligt het accent niet – zoals bij de waarborgvisie – op het materiële aspect van de rechtsstaat, maar op het formele aspect. Recht is niet functioneel voor de bescherming van de mensenrechten, maar functieloos, louter gericht op de binding van de overheid aan het recht dat het uitvaardigt. Daarom wordt wel over een formele rechtsopvatting gesproken. Precies deze visie komt in de eerder geciteerde woorden van Hamilton tot uitdrukking. De rechter heeft: “neither force nor will, but merely judgment”.

In deze visie is het recht functieloos. Daarmee is het recht echter niet zinloos, waardeloos of nutteloos. In deze visie biedt het recht tegenwicht aan te functionalistische opvattingen van recht, dus niet alleen aan instrumentele en responsieve visies, maar evenzeer aan de waarborgvisie.

Zo dadelijk zal ik nog meer zeggen over de verhouding tussen deze vier visies, maar ik wil nu eerst enkele recente rechterlijke oordelen bespreken. Zoals gezegd, ik zal bij mijn voorbeelden dicht bij de Leeuwarder uitspraak blijven en me beperken tot het strafrecht en tot uitspraken over de op te leggen straf.


Rechtbank Assen (2015): geen levenslang

Ik begin met de bekende uitspraak van de rechtbank Assen uit november 2015 waarin zij motiveert waarom zij geen levenslange gevangenisstraf oplegt.*14 De rechtbank schrijft:

Uit de jurisprudentie van het EHRM volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat het opleggen van een levenslange gevangenisstraf in Nederland zonder meer in strijd komt met artikel 3 EVRM. Wel is de rechtbank van oordeel dat uit deze jurisprudentie volgt dat de praktijk van de levenslange gevangenisstraf in Nederland op gespannen voet staat met de eisen die uit het EVRM voortvloeien, omdat de facto nauwelijks perspectief bestaat op verkorting van de opgelegde levenslange gevangenisstraf. Dit is voor de rechtbank de reden om niet over te gaan tot het opleggen van een levenslange gevangenisstraf.

De tik die de rechtbank hier uitdeelt aan de uitvoerende macht vertoont grote gelijkenis met de tik van het hof Leeuwarden: beide oordelen immers dat de praktijk van de tenuitvoerlegging in strijd is, althans op gespannen voet staat, met het positieve recht.

De rechtbank staat – net als het hof – voor het dilemma dat zij niet de straf kan opleggen die zij qua duur passend acht; in dit geval niet omdat de omstandigheden te zwaar zijn, maar omdat niet is uitgesloten dat de strafduur uiteindelijk te lang zal zijn in relatie tot de ernst van het misdrijf. Net als het hof Leeuwarden maakt de rechtbank niet zonder nadere motivering gebruik van de rechterlijke vrijheid met betrekking tot het vaststellen van de straf. Zij motiveert haar keuze expliciet. Hoewel de rechtbank niet de woorden van het hof gebruikt, blijkt uit de motivering dat ook zij zich ervan zal onthouden:

(...) de verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van zodanige duur (...) als i.c. in evenredigheid zoude staan tot de ernst van het (...) misdrijf (...).

Anders dan het arrest van het hof is de motivering van de rechtbank echter strikt juridisch. De rechtbank doet geen beroep op het geweten of op Recht met een Hoofdletter.

Terzijde: de Hoge Raad heeft de zaak in 2016 aangehouden totdat de door de staatssecretaris voorgestelde wijzigingen in de kamer waren besproken en doorgevoerd. De Hoge Raad heeft in 2017 geoordeeld – niet naar ieders tevredenheid overigens – dat de gewijzigde tenuitvoerlegging aan de eisen van het EVRM voldoet.


Hoge Raad (2012): een virtueel amulet is een goed

Ik heb zojuist een voorbeeld gegeven van een uitspraak waarin de rechter – net als het hof Leeuwarden – ten gunste van de verdachte gebruikmaakt van de ruimte die hij heeft bij de bepaling van de straf en zijn keuze mede in termen van kritiek op de overheid rechtvaardigt. Nu wil ik een voorbeeld bespreken waarin de rechter een uitspraak doet die in het nadeel is van de verdachte.

Eerst stip ik echter kort een uitspraak van de Hoge Raad uit 2012 aan.*15 In het verlengde van het elektriciteitsarrest heeft de Hoge Raad in het virtuele amulet-arrest bepaald dat een virtueel amulet, hoewel niet stoffelijk van aard, toch een goed is en daarmee vatbaar voor diefstal. Hiermee zoekt de Hoge Raad naar mijn inzicht – net als destijds in het elektriciteitsarrest – de grenzen op van legitieme extensieve interpretatie in het strafrecht.

Deze benadering van de Hoge Raad past goed in een instrumentele, maar vooral ook in een responsieve visie op het recht. Ik heb deze casus een aantal keren aan een groep niet-rechten studenten voorgelegd en de meesten gaven aan dat ze het onrechtvaardig en onbevredigend zouden vinden als de verdachte niet voor diefstal veroordeeld zou kunnen worden.

Aan de andere kant pleiten zowel de formele als de materiële rechtsstaatvisie tegen een extensieve uitleg. Het verbaast mij daarom dat Geert Corstens in zijn overigens behartigenswaardige boekje De rechtsstaat moet je leren schrijft:

Een Hoge Raad die geconfronteerd met bijvoorbeeld nieuwe technische ontwikkelingen er stelselmatig het zwijgen toe zou doen en eenvoudigweg zou vaststellen dat bijvoorbeeld het stelen van elektriciteit en van virtuele objecten niet door de wetgever is voorzien en dus buiten het bereik van de strafwet valt, zou zijn opdracht miskennen.

Met name bevreemdt het mij dat hij stelt:*16

Misschien zou hij dan wel in strijd met de geest van art. 17 van de Grondwet handelen.

Ik onderschrijf de opvatting van Laurens Dragstra in zijn recensie van Corstens’ boek dat de verwijzing naar art. 17 Grondwet – “Niemand kan tegen zijn wil worden afgehouden van de rechter die de wet hem toekent” – gekunsteld is. Wat mij betreft is het zelfs een onhoudbare en niet-legitieme extensieve uitleg van het artikel. Dragstra schrijft terecht:*17

(...) een rechter die bepaalt dat een gedraging buiten de strafwet valt, houdt niemand van de rechter af (...) De bepaling schrijft immers niet voor dat de rechter tot een bepaald resultaat moet komen (...) en de verdachte is (...) gebaat bij een rechter die niet al te extensief (...) interpreteert en scherp het legaliteitsbeginsel en het verbod van analogie in het strafrecht bewaakt.

Ik merk daarbij op dat de rechter de verdachten in de virtuele amulet-zaak niet vrijuit hoefde te laten gaan. Zij hadden het slachtoffer, de ‘eigenaar’ van het amulet, namelijk bedreigd en mishandeld. Ook zonder veroordeling voor diefstal, hoefde er geen sprake te zijn van een straf die niet in evenredigheid kan staan tot de ernst van het ... misdrijf.

Ik meen dat Corstens’ verwijzing naar art. 17 Grondwet juist niet de manier is waarop ‘we de rechtsstaat moeten leren’. Daarmee bedoel ik niet dat de rechter nooit extensief mag interpreteren of dat hij zich altijd strikt formeel moet opstellen, maar wel dat rechters en wat mij betreft ook commentatoren eerlijk moeten zijn over wat zij doen. Nogmaals – en ik herhaal de woorden van Hart – “als we iets uit de geschiedenis hebben geleerd, dan is het wel dat we een moreel dilemma niet moeten verstoppen”. We moeten dus niet – zoals Corstens suggereert door art. 17 Grondwet aan te halen – doen alsof we rechtsstatelijk opereren. We moeten – integendeel – openlijk aangeven dat zo’n instrumentele en responsieve uitspraak ten koste gaat van de andere functies van het recht: in casu de materieel- en formeel-rechtsstatelijke.

De Hoge Raad legt in het virtuele amulet-arrest de wet extensief uit, maar acht zich wel gebonden aan de wet. Ik zal nu een vonnis bespreken waarin de rechter nog een stap verder gaat en zich niet gebonden acht aan een wettelijke bepaling. De rechtbank is in zoverre te prijzen dat zij dat met open vizier doet, dus zonder zich te verschuilen achter een gekunstelde juridische constructie. Laten we eerst onderzoeken of dat gebeurt met beroep op het geweten of op Recht met een Hoofdletter of dat een andere argumentatie wordt gekozen.

Hier kiest de rechtbank dus niet voor de lijn van het hof Leeuwarden. Zij berust immers niet in een straf die niet in evenredigheid staat tot de delicten.


Rechtbank Amsterdam (2011): ‘een straf die niet meer uit te leggen is aan de samenleving’

Ik wil het hebben over de bekende samenloopuitspraak van de rechtbank Amsterdam uit 2011.*18 Ook in deze uitspraak gaat het om het probleem dat geen evenredigheid kan worden gevonden tussen de straf en de ernst van de gepleegde misdrijven. Het gaat in deze zaak om vier cold cases die jaren later alsnog konden worden opgelost. De rechtbank wordt dan geconfronteerd met het feit dat de verdachte eerder veroordeeld is voor andere delicten en daarvoor in totaal al vijftien jaar en negen maanden gevangenisstraf heeft gekregen. De cold cases zijn ernstige zedendelicten waarop maximaal twintig jaar staat. Vanwege de samenloopregeling kan de rechtbank daarom maximaal vier jaar en drie maanden opleggen. De rechtbank oordeelt – begrijpelijk – dat de evenredigheid tussen delicten en strafduur hier zoek is. De rechtbank legt tien jaar op.

Zij motiveert deze beslissing als volgt:

Zoals artikel 63 thans is geredigeerd, wordt geen enkel onderscheid gemaakt ten aanzien van de redenen waarom geen gelijktijdige berechting heeft plaatsgevonden. Dat kan situaties opleveren waarmee naar het oordeel van de rechtbank, kijkend naar de wijze van totstandkoming van deze materie in de wet, nooit rekening lijkt te zijn gehouden en waarbij de eerder genoemde evenredigheid doorslaat in onevenredigheid en leidt tot een op te leggen straf die niet meer uit te leggen is aan de samenleving.

Hoewel dat in onderhavige zaak niet aan de orde was, merkt de rechtbank ook op:*19

Een strikte en onverkorte toepassing van artikel 63 zou er (...) zelfs toe kunnen leiden dat een verdachte tot geen enkele gevangenisstraf meer kan worden veroordeeld (...).

De rechtbank acht verder:

(...) bij de afweging dat in casu geen sprake is van ongerechtvaardigde cumulatie van straffen, de gewijzigde houding in het strafrecht ten aanzien van slachtoffers van belang. In de loop der tijd is de positie van het slachtoffer in het strafproces steeds meer versterkt. Dit is de weerslag van de huidige breed gedragen opvatting dat naast de dader tevens het slachtoffer een belangrijke positie dient te hebben in het strafproces. Onverkorte toepassing van artikel 63 valt in het onderhavige geval niet uit te leggen aan de samenleving in het algemeen en aan de slachtoffers in het bijzonder.

De rechtbank concludeert dan:

Gezien bovengenoemde in onderling verband en samenhang bezien acht de rechtbank zich in deze zaak niet gebonden aan artikel 63.

Hier kiest de rechtbank dus niet voor de lijn van het hof Leeuwarden. Zij berust immers niet in een straf die niet in evenredigheid staat tot de delicten. Zij kiest voor een strafduur die zij evenredig acht aan de gepleegde misdrijven en acht zich niet aan een democratisch tot stand gekomen wettelijke bepaling gebonden. Daarmee reduceert de rechtbank de wettelijke bepaling tot een richtlijn of vuistregel die daarmee een comply or explain-karakter krijgt.

De opvatting dat er meer aandacht moet zijn voor het gezonde rechtsgevoel en voor levend recht werd in aanloop naar de oorlog breed gedeeld, niet alleen door juristen die ‘fout’ waren in de oorlog, maar ook door ‘goede’ juristen. Dat ging echter ten koste van de formele en de waarborgvisie.


Responsieve visie

Dit vonnis is het meest vergaand van de hier besproken uitspraken en ook van andere rechterlijke uitspraken die ik in het kader van deze lezing heb bestudeerd. Ik zei het al, de rechtbank zoekt niet naar een formeel-juridische constructie om haar oordeel te motiveren. We zien ook – terwijl dat hier wellicht voor de hand had gelegen – dat zij geen beroep doet op het geweten en ook niet op Recht met een Hoofdletter. Nee, wat we hier zien, is een responsieve visie op het recht: toepassing van art. 63 Sr valt niet uit te leggen aan de samenleving in het algemeen en slachtoffers in het bijzonder. Het rechtvaardigheidsgevoel van de samenleving en slachtoffers moet volgens de rechtbank de doorslag geven.


Hoge Raad

De Hoge Raad heeft de uitspraak van de rechtbank – in cassatie in belang der wet – weliswaar vernietigd, maar deed dat zonder een woord te wijden aan de specifieke motivering van de rechtbank.*20

Het is waar dat Hoge Raad eerst een eerdere uitspraak samenvat waarin het heeft geoordeeld dat:

(...) de wettelijke regeling meebrengt dat (...) de rechter in geen geval hoger mag straffen dan tot het maximum van de vrijheidsstraf die is gesteld op het door hem te berechten feit.

Maar verder stelt de Hoge Raad alleen dat:

(...) de Minister van Veiligheid en Justitie [heeft] aangekondigd het thema van de meerdaadse samenloop en van art. 63 Sr te willen herzien, mede naar aanleiding van de onderhavige uitspraak van de Rechtbank.

En:

Nu daarbij verschillende legislatieve keuzes denkbaar zijn, ziet de Hoge Raad daarin aanleiding om thans bij zijn rechtspraak te blijven.

Daarmee laat de Hoge Raad in het midden of het de uitspraak van de rechtbank wel in stand had gelaten indien de minister deze plannen niet had aangekondigd. De Hoge Raad zegt dus ook niet expliciet dat het buiten toepassing laten van een bepaling uit het Wetboek van Strafrecht niet is toegestaan. 

Om des gewetenswille

Kamp Erica ten tijde van de bezetting. Bron: www.oudommen.nl


Van nulla poena naar nullum crimen?

Met het samenloopvonnis lijken we in één grote stap terug in de Tweede Wereldoorlog. Ik doel dan niet op het Leeuwarder arrest, maar op een gebeurtenis die enkele maanden na het arrest plaatsvond, om precies te zijn op 9 juni 1943. Toen werd art. 1 van het Wetboek van Strafrecht met de volgende bepaling aangevuld:

Valt een feit niet onder den tekst, doch wel onder de grondgedachte van eene wettelijke strafbepaling, zoo is de strafbepaling toepasselijk, indien het feit naar gezond rechtsgevoel strafwaardig is.

Daarmee werd het ‘nulla poena’-beginsel zodanig verruimd dat het feitelijk werd vervangen door het ‘nulla crimen’-beginsel. Aan het samenloopvonnis ligt dezelfde gedachte ten grondslag: een misdrijf mag niet onbestraft of te laag gestraft blijven als dat indruist tegen het rechtsgevoel in de samenleving.*21

De precaire balans tussen formele en materiële visies op het recht

Er is een andere overeenkomst tussen onze tijd en de periode in aanloop naar en tijdens de Tweede Wereldoorlog. De overeenkomst waar ik op doel is dat de balans tussen de vier visies op het recht zowel toen als nu lijkt door te slaan naar een instrumentele en een responsieve visie ten koste van de waarborgvisie en de formele rechtsopvatting.

Zoals onder andere Derk Venema in zijn proefschrift Rechters in oorlogstijd heeft laten zien, was de dominante visie onder rechtsgeleerden en rechtsfilosofen – anders dan na de oorlog wel werd betoogd – helemaal niet rechtspositivistisch en formeel, integendeel. Het reeds eerdergenoemde elektriciteitsarrest uit 1921 vormt samen met onder andere het Lindenbaum-Cohen-arrest uit 1919 de bekende omslag van de Hoge Raad van een formele naar een materiële rechtsopvatting. Net als bij het samenloopvonnis gaat het bij deze omslag echter niet om de in het begin besproken spanning tussen positief recht en Recht met een Hoofdletter, maar om de spanning tussen de responsieve visie – het feitelijk bestaande rechtsgevoel in de samenleving – aan de ene kant en de formele visie aan de andere kant.

De opvatting dat er meer aandacht moet zijn voor het gezonde rechtsgevoel en voor levend recht werd in aanloop naar de oorlog breed gedeeld, niet alleen door juristen die ‘fout’ waren in de oorlog, maar ook door ‘goede’ juristen. Dat ging echter ten koste van de formele en de waarborgvisie. Venema beschrijft onder meer dat velen in jaren dertig van de vorige eeuw vonden dat de strafwet een magna carta van de misdadiger was, dat het zwijgrecht van de verdachte niet in overeenstemming is met een gemeenschapsgericht strafrecht en dat de opvatting dat het beter is dat “tien misdadigers in vrijheid zijn dan een onschuldige in de gevangenis” belachelijk is.*22


De Bruikbare Rechtsorde (2004) en het spreekrecht van slachtoffers in het strafrecht (2005)

Als ik een jaar zou moeten noemen waarin de instrumentele en de responsieve rechtsopvatting in onze tijd weer boven aan de agenda zijn gekomen, dan kies ik denk ik 2004 en 2005.

Ik kies 2004 als het jaar van de nota De bruikbare rechtsorde en 2005 als het jaar waarin het spreekrecht voor slachtoffers is ingevoerd in het strafrecht. Er zijn natuurlijk andere ijkpunten. Zo past ook het programma ‘Prettig contact met de overheid’ uiteraard naadloos in een meer responsieve en instrumentele visie op het recht en 2010, het jaar waarin het ministerie van Justitie – weliswaar tijdelijk – werd omgedoopt tot het ministerie van Veiligheid en Justitie, is ook een memorabel moment of monument van de instrumentele visie.

Ik wil nogmaals benadrukken dat mijn stelling niet is dat aandacht voor de instrumentele en responsieve functies van recht verkeerd is. Zeker niet. Waar die benaderingen gevaarlijk worden, is wanneer ze gepaard gaan met een utopisch beeld van wat het recht vermag of wanneer ze gepaard gaan met doemdenken en angst zaaien. Ik geef van beide een voorbeeld.


Utopie

Dat utopische beeld doemde bijvoorbeeld op toen ik het reeds eerder aangehaalde Menselijk en rechtvaardig. Is de rechtsstaat er voor de burger? van Barendrecht, Van Beek en Muller doornam.

Zij schrijven:*23

Een rechtvaardige samenleving, waarin burgers zich werkelijk als mensen gehoord en verbonden voelen. Met name als het er echt om spant. Dat is de inzet.

Toen ik deze woorden las, moest ik denken aan de wetenschapsfilosoof Popper, de filosoof die een centrale rol speelde in het proefschrift dat Barendrecht in de jaren negentig van de vorige eeuw schreef.

Poppers wetenschapsfilosofische theorie houdt in dat wetenschappers niet moeten zoeken naar bevestiging van hun theorie, maar zich moeten beperken tot het stap voor stap toetsen en falsifiëren van hypothesen, zonder daarbij te pretenderen dat zij ooit ‘de ware theorie’ zullen bereiken.

Op analoge wijze beargumenteert Popper dat de politiek geen blauwdruk moet opstellen voor een rechtvaardige samenleving en dus ook niet moet streven naar het realiseren van die meest rechtvaardige samenleving. De overheid moet zich bescheiden opstellen en zich beperken tot het stap voor stap elimineren van de ergste onrechtvaardigheden, zonder daarbij te pretenderen dat zij ooit een waarlijk rechtvaardige samenleving zal realiseren. De inzet van het HiiL-rapport, “een rechtvaardige samenleving, waarin burgers zich werkelijk gehoord en verbonden voelen”, roept bij mij echter de associatie op met zo’n utopisch ideaal. 

Wat doemdenken en angstzaaien betreft, moest ik terugdenken, niet zozeer aan recente oneliners uit de politiek, maar aan een artikel van toenmalig minister van Justitie Donner dat in 2004 in Rechtsgeleerd Magazijn Themis verscheen. De titel van het artikel luidt: ‘Beter tien schuldigen vrijgesproken dan één onschuldige veroordeeld’. De titel wordt echter geschreven met een vraagteken op het eind.*24

Ik zal u bekennen dat ik destijds enerzijds schrok van het feit dat een Nederlandse Minister van Justitie een stuk met deze titel schreef, maar dat ik anderzijds ook dacht: leuk, dit maakt rechtsfilosofie en met name ook het rechtsfilosofieonderwijs weer maatschappelijk relevant, dit is een mooie tekst voor een college of een tentamen.

Intussen denk ik alleen nog maar het eerste en is mijn enthousiasme over geschikte teksten wat verflauwd. Ik zie inmiddels helaas bijna iedere dag wel een artikel dat ik in het rechtsfilosofie-onderwijs zou kunnen gebruiken.

Toen ik het stuk in het kader van de voorbereiding van deze lezing herlas, vond ik het vooral een giftig stuk. Het probleem is uiteraard niet dat Donner het adagium ter discussie stelt, integendeel. In het publieke en het politieke debat moeten dogma’s, die van de waarborgvisie net zo goed als van andere visies, ter discussie kunnen worden gesteld. Het probleem is het suggestieve karakter van de tekst. Zo krijgt het adagium in de titel openlijk een vraagteken, maar in de tekst wordt dat vraagteken half, maar zeker niet geheel, teruggenomen en wordt terughoudendheid en voorzichtigheid benadrukt. Had die terughoudendheid dan niet ook in de titel tot uitdrukking moeten komen?

Belangrijker is echter dat Donner louter suggestieve uitspraken doet over “sommige strafrechtjuristen” die vooral “tegengas” geven en daarmee “de eigen aard van terrorisme ontkennen en negeren” en “de complexiteit van de materie en de belangenafweging geen recht doen”. Donner schrijft dat, maar nergens legt hij uit waarin de ontkenning van die ‘tegengasjuristen’ precies bestaat. En belangrijker nog, nergens beargumenteert Donner waarin die ‘eigen aard van terrorisme’ bestaat en waarom die tot inperking van welke waarborgen noopt.

Kortom, de auteur doet niets anders dan suggereren dat er een groot gevaar is dat alleen maar door inperking van – ook niet nader gespecificeerde – waarborgen kan worden afgewend en dat al diegenen die bezwaar maken tegen die door Donner niet nader gespecificeerde inperkingen dit grote gevaar volledig ontkennen en negeren.

baart het beroep van de rechtbank op de samenleving en slachtoffers mij grote zorgen. Wat mij betreft is dit een doorgeslagen nadruk op of een verkeerde opvatting van responsief recht.


De waarde van een formele rechtsopvatting

De verschuiving naar een nadruk op de instrumentele en responsieve functies brengt mij terug bij de formele visie op het recht. De waarde van een formele rechtsopvatting, met name voor de rechtspraak, is naar mijn oordeel minimaal tweeërlei.

Ten eerste biedt zij de sterkste en meest duurzame legitimering van de bevoegdheden van de rechter. Mensen hebben verschillende belangen en doelen en ook hebben zij verschillende waarden. Die tegenstellingen worden in instrumentele en responsieve visies soms weggepoetst, maar het feit moet onder ogen worden gezien dat (ook) een instrumentele en responsieve uitleg onder omstandigheden voor de een de beste, maar voor de ander een nadelige, en ook als onrechtvaardig ervaren uitleg kan zijn.*25

De formele visie wordt – net als honderd jaar geleden – soms weggezet als (nodeloos) formalistisch, maar daarmee wordt zij tekortgedaan. Juist door haar functieloosheid is de formele benadering waardevol en zelfs nuttig, vooral in situaties waarin conflicterende belangen of waarden niet of niet meer verzoend kunnen worden en burgers zich ondanks pogingen daartoe niet gehoord en niet verbonden voelen.

De formele visie benadrukt bovendien dat rechtsregels geen vuistregels of richtlijnen zijn die kunnen worden uitgelegd in termen van hun doel of die zelfs via een comply or explain-constructie terzijde kunnen worden geschoven, zoals de rechtbank Amsterdam in de samenloopzaak deed. Rechters zijn echter geen ‘gewone’ professionals en kunnen niet, zoals artsen dat doen, richtlijnen volgen en deze interpreteren in termen van de beste behandeling voor de patiënt en ervan afwijken als dat voor de behandeling van de patiënt beter is.*26 Bepalingen uit het Wetboek van Strafrecht zijn geen comply or explain-regels. Ik kom hierop straks nog terug.

Ten tweede, en voor de rechtspraak het belangrijkste, de meest fundamentele legitimering van de rechter ligt in zijn binding aan democratisch tot stand gekomen wetten. Die legitimering is des te belangrijker nu rechters de laatste jaren vaak wordt verweten dat zij een democratische legitimatie ontberen. Ze worden immers niet gekozen en ze kunnen niet worden weggestemd. Daarom, zo wordt wel gezegd, moeten ze beter naar de wetgever en naar de samenleving luisteren. Maar de rechter is helemaal niet aan de wetgever gebonden, maar aan wetgeving. Juist door die binding aan de wet en vooral ook naar de mate dat de rechtspraak zich expliciet gebonden toont én verklaart aan de wet, heeft rechtspraak de meest democratische legitimatie.


Een straf die de rechter kan uitleggen

Ik keer terug naar de samenloopuitspraak van de rechtbank Amsterdam. Zonder iets af te doen aan de inhoudelijke opvatting van de rechtbank dat zij de maximaal op te leggen straf niet evenredig vond met de delicten, baart het beroep van de rechtbank op de samenleving en slachtoffers mij grote zorgen. Wat mij betreft is dit een doorgeslagen nadruk op of een verkeerde opvatting van responsief recht.

De rechtbank heeft naar mijn inzicht bovendien ongelijk dat zij het niet aan de samenleving en aan de slachtoffers kan uitleggen waarom zij maar vier jaar en drie maanden oplegt.

Ten eerste is de samenleving niet homogeen. Niemeijer en Van Wijck bijvoorbeeld onderscheiden vier categorieën burgers: de zelfverzekerde burger, de sociale burger, de zakelijke burger en de strikte burger.*27 De sociale burger heeft weinig vertrouwen in de Rechtspraak, omdat hij vooral denkt aan strafrecht en zich verplaatst in de positie van slachtoffers en onschuldige verdachten. De rechtbank heeft gelijk dat de sociale burger haar uitspraak wellicht als een rechtvaardig vonnis ervaart en een lagere straf zijn vertrouwen in de Rechtspraak misschien had ondermijnd. Het is echter onduidelijk of dat ook voor de zelfverzekerde en de zakelijke burger geldt. Wie de uitspraak in elk geval niet als rechtvaardig ervaart, is de strikte burger voor wie de scheiding van machten en de binding van de Rechtspraak aan het positieve recht centraal staat.

Ten tweede, en belangrijker, de rechtbank had wel degelijk aan de samenleving, aan de slachtoffers en ook aan de ‘sociale burger’ kunnen uitleggen waarom zij niet meer dan vier jaar en drie maanden oplegt. Deze zaak was juist een goede aanleiding om de essentie van de democratische rechtsstaat uit te leggen. De rechtbank had de uitspraak kunnen aangrijpen om verantwoording af te leggen over het feit dat zij niet bevoegd is een straf op te leggen die wel evenredig is met het misdrijf. Zij zou in één alinea, hetzij in het vonnis zelf, hetzij in een publiekstoelichting, kunnen uiteenzetten dat een rechtsstaat impliceert dat de overheid gebonden is aan het recht dat zij uitvaardigt, en dat dat niet alleen geldt voor de wetgevende en uitvoerende macht, maar eerst en vooral voor de Rechtspraak.

Ik meen dat de rechtbank de verantwoordelijkheid voor een als onrechtvaardig ervaren, maar juridisch juist oordeel bij de wetgever had kunnen en moeten leggen. Het is immers de wetgever en niet de rechter die heeft stilgezeten en de samenloopregeling niet heeft aangepast aan nieuwe technieken waardoor cold cases vaker kunnen worden opgelost.

Ik kijk nog een keer terug naar de uitspraak van Geert Corstens over het virtuele amulet-arrest. Hoe zou hij over de samenloopuitspraak oordelen? Ik kan me niet voorstellen dat hij naar aanleiding van deze zaak zou schrijven:

Een Hoge Raad die geconfronteerd met (...) nieuwe technische ontwikkelingen [waardoor cold cases kunnen worden opgelost] er stelselmatig het zwijgen toe zou doen en eenvoudigweg zou vaststellen dat (...) [het ongewenste gevolg van de samenloopregeling in cold cases] niet door de wetgever is voorzien en dus buiten het bereik van de strafwet valt, zou zijn opdracht miskennen.

‘We the so-called judges of the Netherlands’

Vooral in een tijd waarin rechters in de media of door leden van de wetgevende of uitvoerende macht worden weggezet als ‘vijanden van het volk’, ‘knettergek’ of ‘neprechter’*28 moeten rechters hun democratische legitimering niet loslaten ten gunste van een responsieve of instrumentele legitimering.

Daarbij moet de rechterlijke macht vooral ook niet meegaan in het taalgebruik van hun criticasters. Daarom meen ik dat de steunbetuiging van de NVvR in februari 2017 aan hun Amerikaanse collega’s een misstap was. Uiteraard is het geen misstap om rechters in landen waarin de Rechtspraak onder druk staat openlijk te steunen, integendeel. Een probleem met de steunbetuiging van de NVvR is dat die begon met: “We, the ‘so-called’ judges and public prosecutors, from the Netherlands ...” Daarmee kiest de NVvR hetzelfde ‘frame’ als de president van de Verenigde Staten. Natuurlijk was de zinsnede van de NVvR ironisch bedoeld, maar de vraag is of voor leden van de rechterlijke macht ironisch of formeel taalgebruik de beste aanpak is.

Het grootste probleem dat ik met de actie van de NVvR heb, is dat het manifest van de NVvR een petitie was die rechters en officieren konden ondertekenen. Dit gebeurde massaal: ik begrijp dat meer dan duizend rechters en officieren hem hebben getekend. Op de website van de NVvR was echter niet zichtbaar wie de petitie ondertekend hadden. Rosa Jansen, toenmalig voorzitter van de NVvR,*29 verdedigde die anonimiteit als volgt:*30

Voor een magistraat betekent het ondertekenen van een petitie al heel wat, hij blijft ver weg van het politieke domein. En toch kunnen we zo de gezamenlijkheid van de magistraten benadrukken.

Mijn collega Jeroen ten Voorde heeft er echter terecht op gewezen dat die anonimiteit discutabel is, al was het maar omdat die de associatie met anonieme reaguurders op het internet kan oproepen.*31 Ik vraag me af hoeveel rechters zouden hebben getekend als zij wel met naam genoemd zouden zijn. Zou dat tot nadere reflectie op de rol van de rechter hebben geleid? Ik kan het u niet vertellen. Ik heb de petitie namelijk niet meer kunnen terugvinden op de website van de NVvR en ook niet elders op internet. Kennelijk was de petitie net zo vluchtig als de gewraakte uitspraak van de president van de Verenigde Staten.

Terughoudendheid in het publieke debat en een scherp bewustzijn van het feit dat de rechter zijn legitimatie ontleent aan zijn binding aan het recht – daaronder begrepen democratisch tot stand gekomen wetgeving – zijn juist in roerige tijden waarin leden van de uitvoerende en de wetgevende macht soms de grenzen van het recht opzoeken van groot belang voor de Rechtspraak, en dat geldt zeker als in die roerige tijden de nadruk op responsief en instrumenteel recht ligt.


Samenvattend

Ik vat het voorgaande samen. In deze voordracht heb ik beargumenteerd dat de discussie tussen rechtspositivisten en aanhangers van Recht met een Hoofdletter dankzij de naoorlogse mensenrechtenverdragen grotendeels obsoleet is geworden, althans in landen zoals Nederland die deze verdragen geratificeerd hebben en waarin de democratische rechtsstaat wel bekritiseerd, maar niet werkelijk bedreigd wordt. In Nederland hoeft geen beroep te worden gedaan op Recht met een Hoofdletter, maar kan worden volstaan met een beroep op positief recht, waaronder genoemde mensenrechtenverdragen. De in de Grondwet en in mensenrechtenverdragen vastgelegde eisen van de materiële rechtsstaat drukken de kern van het Recht met een Hoofdletter uit, de kern die ook, juist, de rechter moet bewaken. Dat wil niet zeggen dat daarmee alle rechtsregels en alle toepassingen rechtvaardig zijn. Zeker niet. Het betekent wel dat de kans dat de overheid extreem onrechtvaardig recht maakt en toepast zeer klein is, al was het maar omdat de rechter dergelijke misstappen kan ‘afstraffen’. In die gevallen waarin het recht ‘gewoon’ onrechtvaardig is, of als ‘gewoon’ onrechtvaardig wordt ervaren, zal de rechter kunnen en moeten uitleggen waarom hij dat onrechtvaardige recht niet terzijde schuift en evenmin zeer extensief interpreteert.

Ik heb ook betoogd dat op dit moment een grote nadruk ligt op instrumenteel en responsief recht. Ik heb gesteld dat verwaarlozing van en kritiek op het formele en doelloze aspect van het recht een bedreiging van de democratische rechtsstaat vormt. Ik heb erop gewezen dat ook in de aanloop naar en tijdens de Tweede Wereldoorlog de nadruk op instrumentele en responsieve visies kwam te liggen en dat ook toen de formele en de waarborgvisie onder vuur lagen. Die verschuiving zie ik nu niet alleen in de politiek, maar ook in de Rechtspraak, bijvoorbeeld in de uitspraak van de rechtbank Amsterdam die een wettelijke bepaling terzijde schuift om te voldoen aan het rechtvaardigheidsgevoel van de samenleving.


Gedragscodes en professionele standaarden

Ik zie dat gevaar echter ook bij schijnbaar onschuldige en zelfs positieve gebeurtenissen zoals de invoering van gedragscodes en professionele standaarden in de Rechtspraak. Ik heb daarover eerder al uitvoerig gesproken en geschreven, dus ik wil er nu niet diep op ingaan. Zonder al te zeer in herhaling te vervallen, wil ik een punt belichten.

Rechters hebben het idee van gedragscodes en professionele standaarden van andere professies overgenomen, echter – zo heb ik althans betoogd – zonder zich daarbij expliciet rekenschap te geven van het feit dat rechters geen ‘gewone’ professionals zijn en dat gedragscodes en professionele standaarden de rechter daarom niet kunnen binden, zelfs niet op een comply or explain-wijze.

De voorzitter van de Raad voor de rechtspraak, Frits Bakker, liet mij in reactie op mijn recente artikel over professionele standaarden weten:*33

Kennelijk – althans zo ervaar ik dat – is voor ons veel vanzelfsprekender dan voor waarnemers ‘van buiten’ dat standaarden in de rechterlijke organisatie nooit de individuele rechter kunnen binden en dus altijd de status van ‘richtsnoer’ of ‘oriëntatiepunt’ zullen hebben. Zo vanzelfsprekend dat wij daaraan niet eens woorden wijden, terwijl standaarden in andere beroepsgroepen veel verdergaande consequenties kunnen hebben.

Mijn ervaring is echter dat niet alle rechters dit fundamentele verschil tussen rechters en andere professionals scherp voor ogen hebben en in elk geval – dat is een van mijn kritiekpunten – staat het niet met zoveel woorden in de codes en de standaarden.*32

Het begint er al mee dat het Research Memorandum van de Raad voor de rechtspraak uit 2014, dat aan professionele standaarden gewijd was,*34 de te ontwikkelen professionele standaarden weliswaar in een bredere context van ‘organisatie en beleid’ plaatst – en onder beleid valt dan ook wetgeving, wat op zijn zachtst gezegd merkwaardig is, zeker waar het gaat om de Grondwet*35 en de daarin vervatte grondrechten – en alleen terloops en pas tegen het eind rechterlijke onafhankelijkheid als ‘constitutioneel basisbeginsel’ aanstipt. De opstellers van het Research Memorandum lijken zich niet te realiseren dat dit zogeheten constitutionele basisbeginsel het opleggen van professionele standaarden problematisch of eigenlijk domweg onmogelijk maakt.

Dit probleem keert terug in de professionele standaarden zelf. Zij noemen naast kwaliteitsverbetering nadrukkelijk ook verantwoording: de rechter is verantwoordelijkheid voor en aanspreekbaar op naleving van de professionele standaarden. Maar zij doen dat zonder duidelijk te maken op welke wijze de rechter nu eigenlijk aan wie verantwoording moet afleggen, wat de status van die verantwoording is en wat de gevolgen van al dan niet adequaat verantwoorden kunnen zijn.

Nu gedragscodes en standaarden niet helder zijn over hun bindende kracht is te verwachten dat burgers zich – bijvoorbeeld in klachtzaken – op gedragscodes en standaarden zullen beroepen. Het enige voorbeeld dat ik ken, is een zaak tegen een advocaat-generaal bij het parket van de Hoge Raad die op persoonlijke titel een column had geschreven over een lopende rechtszaak. Bij zijn klacht tegen de advocaat-generaal beriep de klager zich op de gedragscodes van de Raad voor de rechtspraak en van de NVvR. De interne adviescommissie die de klacht in eerste instantie behandelde, stelde dat de advocaat-generaal zich aan de regels van de codes moest houden, maar de Hoge Raad oordeelde expliciet – en ik voeg daaraan toe: gekunsteld, maar wel terecht – dat de regels van de codes niet binden, maar slechts illustratief zijn voor normen die wel binden.*36

Welnu, het lijkt me niet bevorderlijk voor het vertrouwen in de Rechtspraak als een klager te verstaan wordt gegeven dat hij zich niet op gedragscodes en standaarden kan beroepen, terwijl die codes en standaarden gepubliceerd zijn en de standaarden expliciet stellen dat rechters verantwoordelijk zijn voor en aanspreekbaar zijn op naleving.

Het feit dat zij zich tot het positieve recht hebben beperkt, is voor mij een teken dat de Surinaamse rechtspraak – ondanks alle problemen en kwetsbaarheden – daadwerkelijk weer een Rechterlijke Macht met een Hoofdletter is en dat Suriname weer een democratische rechtsstaat is.


Ten slotte, over het geweten

Tot zover over Recht met een Hoofdletter en over de spanning tussen de verschillende visies op het recht. Maar hoe zit het nu met het geweten en het beroep dat het hof Leeuwarden daarop deed? Ik heb betoogd dat het hof Leeuwarden het beroep op het geweten niet nodig had om tot een juridisch goed gemotiveerd oordeel te komen. Ik stelde daarbij ook dat het beroep op het geweten meer was dan het uitdrukken van het morele dilemma waarvoor het hof gesteld werd: dat het moest kiezen tussen twee straffen die beide niet evenredig waren aan het delict. Ik beloofde u terug te komen op de vraag welke functie een beroep op het geweten dan wel kan hebben.

We zagen dat Polak in zijn naoorlogse noot onder het arrest het beroep op het geweten ‘een getuigenis voor Recht met een Hoofdletter’ heeft genoemd. Als iemand een oordeel van de rechter waarin deze motiveert dat sprake is van een grove schending van een fundamentele wettelijke of verdragsbepaling een getuigenis voor Recht met een Hoofdletter wil noemen, dan heb ik daar geen problemen mee. Ik zou er echter wel problemen mee hebben als de rechter zich daarbij expliciet op dat Recht met een Hoofdletter of op zijn geweten zou beroepen.

Ik geef een laatste voorbeeld. Ik heb in Suriname als docent en als adviseur van de Rechterlijke Macht gezien wat het inhoudt om in moeilijke omstandigheden te moeten opereren. Daarom had ik het Decembermoordenproces in mijn lezing willen bespreken, vooral ook omdat we daarbij getuige zijn van een indrukwekkende juridische machtsstrijd tussen de wetgever (en daarbij doel ik met name op de wijziging van de Amnestiewet in 2012 die tot doel had de decembermoorden onder de Amnestiewet te laten vallen), de uitvoerende macht (in het bijzonder het feit dat de president van Suriname in 2016 de aanwijzingsbevoegdheid uit art. 148 van de Surinaamse Grondwet*37 heeft ingezet om vervolging door het OM en daarmee ook het proces te beëindigen) en de rechterlijke macht, meer in het bijzonder de rechtsprekende macht, die in verschillende uitspraken deze pogingen op juridische gronden onderuit heeft gehaald.

Ik had het proces met name ook willen bespreken, omdat het beroep op art. 148 van de Surinaamse Grondwet laat zien dat zo’n aanwijzingsbevoegdheid, die Nederland ook en zelfs met ruimere bevoegdheden kent, bepaald niet onproblematisch is.*38 Maar de zaak bleek juridisch te complex om in enkele minuten te bespreken. Bovendien is mijn tijd om.

Wie meer wil lezen over en leren van eigentijdse moedige rechters, beveel ik de voordracht Decembermoordenproces: een bastion voor de Surinaamse rechtsstaat van Gerard Spong en de uitspraken van het Surinaamse Hof van Justitie en de Krijgsraad aan.*39

Interessant is dat Spong in zijn artikel het Leeuwarder arrest expliciet noemt en een overeenkomst ziet tussen de Leeuwarder raadsheren en de Surinaamse rechters, onder andere de rechters die in het jaar 2000 via een vervolgingsbeschikking de verjaring van de decembermoorden voorkomen hebben. Met zijn vergelijking ben ik het echter maar ten dele eens. Ik ben het niet oneens met zijn stelling dat de Leeuwarder raadsheren en Surinaamse rechters moedig waren. Een belangrijk verschil is echter dat Surinaamse rechters hun beslissingen juridisch motiveren en zich niet beroepen op Recht met een Hoofdletter of op hun geweten.

Precies dat feit stemt mij hoopvol. Het feit dat zij zich tot het positieve recht hebben beperkt, is voor mij een teken dat de Surinaamse rechtspraak – ondanks alle problemen en kwetsbaarheden – daadwerkelijk weer een Rechterlijke Macht met een Hoofdletter is en dat Suriname weer een democratische rechtsstaat is. Waarom?

Een beroep op het geweten kan in uitzonderlijke omstandigheden, zoals in de oorlog, een daad van verzet en een teken van moed zijn. In dat geval is een beroep op het geweten echter ook altijd een teken van zwakte. Daarmee bedoel ik niet dat het een teken van lafheid is, integendeel. Het is een teken van zwakte, omdat een rechterlijke macht die werkelijk een macht is, helemaal niet in verzet hoeft te komen. Een rechterlijke macht kan immers door zijn oordeel degenen die het recht schenden stoppen en corrigeren. Een rechter die een beroep op het geweten doet, geeft daarmee aan dat hij – net als het hof Leeuwarden – die macht niet of niet meer heeft. Dat de rechterlijke macht in de oorlog geen macht was, bleek uiteraard maar al te duidelijk uit het ontslag van de raadsheren dat op het arrest volgde.

Daarom lijkt een beroep op het geweten door een rechter die wel de macht heeft, mij eerder te getuigen van gebrek aan argumenten, denkluiheid of koketterie dan van moedig verzet. Ik concludeer dat Nederland zich gelukkig mag prijzen dat het een Rechterlijke Macht met een Hoofdletter heeft en dat de rechter geen beroep op hoger recht en op zijn geweten hoeft te doen, maar zich tot een beroep op het positieve recht kan beperken.

Naar de titel van het radioprogramma van G.B.J. Hiltermann dat van 1956 tot 1999 werd uitgezonden. De laatste column sloot hij af met: “De tijd van eeuwige vrede is nog niet aangebroken, en dat zijn mijn laatste woorden over de toestand in de wereld” (https://wiki.beeldengeluid.nl/index.php/G.B.J._Hiltermann).

F. Fukuyama, ‘The end of history and the last man’, The National Interest 1989, nr. 16, p. 3-18. In 1992 verscheen zijn bekende boek met dezelfde titel. Fukuyama zwakt zijn stelling aansluitend enigszins af als hij schrijft: “Daarmee zeg ik niet dat er geen gebeurtenissen zullen zijn die de pagina’s van Foreign Affairs’ jaarlijkse samenvattingen vullen ... Maar er zijn krachtige redenen om te geloven dat het het ideaal is dat de materiële wereld op de lange termijn zal leiden.”

Zie bijv. het 104de advies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken dat de omineuze titel De wil van het volk? Erosie van de democratische rechtsstaat in Europa draagt. Het advies geeft in een notendop weer welke economische, sociaal-culturele en politieke – m.n. populistische – factoren de rechtsstaat bedreigen (https://aiv-advies.nl/9dq/publ... (laatst geraadpleegd 5 maart 2018)).

Overigens heeft ook Fukuyama zelf zijn vooruitgangsgeloof in 2002 naar beneden bijgesteld; F. Fukuyama, Our posthuman future. Consequences of the biotechnology revolution, New York: Farrar, Straus and Giroux 2002.

G. Radbruch, ‘Gesetzliches Unrecht und übergesetzliches Recht’, Süddeutsche Juristenzeitung 1946, p. 107.

H.L.A. Hart, ‘Positivism and the separation of law and morals’, Harvard Law Review 1958, p. 619. Dit is geen letterlijke vertaling maar een parafrasering van Harts tekst.

Bericht van 29 januari 2016, www.rechtspraak.nl/Organisatie... (laatst geraadpleegd 5 maart 2018). De belangrijkste passage in het arrest van de Hoge Raad luidt: “Het Hof is er bij deze oordelen kennelijk van uitgegaan dat een inspecteur die na afwijzing van zijn beroep op art. 8:29 Awb volhardt in zijn weigering een bepaald op de zaak betrekking hebbend stuk (ongeschoond) over te leggen, steeds de rechtsorde in ernstige mate schendt, en dat deze handelwijze op zichzelf reeds voldoende aanleiding kan zijn de in geschil zijnde belastingaanslag(en) te vernietigen. Daarmee heeft het Hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Het Hof heeft aldus miskend dat bij toepassing van art. 8:31 Awb alle omstandigheden van het geval moeten worden meegewogen, waaronder het belang van de niet overgelegde stukken voor de waarheidsvinding. In zoverre treft het middel doel.” (HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3600.)

Hof ’s-Hertogenbosch 20 februari 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:515.

Rb. Arnhem (Geheimhoudingskamer) 7 februari 2012, ECLI:NL:RBARN:2012:BV2902.

Zo bijv. Bovend’Eert in de uitzending van ‘Nieuwsuur’ van 20 februari 2018.

M. Barendrecht, K. van Beek & S. Muller, Menselijk en rechtvaardig. Is de rechtsstaat er voor de burger?, Den Haag: Hague Institute for Innovation of Law 2017, p. 4.

Ph. Nonet & Ph. Selznick, Law and society in transition. Towards responsive law, New York: Harper and Row 1978.

Romeinen 2:11.

Rb. Noord-Nederland 24 november 2015, ECLI:NL:RBNNE:2015:5389.

HR 31 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BQ9251.

G. Corstens, De rechtsstaat moet je leren, Amsterdam: Prometheus/Bert Bakker 2014, p. 62.

www.publiekrechtenpolitiek.nl/... (laatst geraadpleegd 5 maart 2018).

Rb. Amsterdam 14 oktober 2011, ECLI:NL:RBAMS:2011:BT7651.

Vervolgens volgt een overweging waaruit blijkt dat de wetgever niet in alle situaties het toepassen van art. 63 Sr gewenst acht, namelijk bij samenloop van buitenlandse en Nederlandse straffen.

HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX9407.

Venema schrijft in zijn proefschrift dat deze aanvulling ook gebruikt kon worden als het misdrijf onder een strafbepaling viel, maar niet streng genoeg kan worden gestraft; D. Venema, Rechters in oorlogstijd. De confrontatie van de Nederlandse rechterlijke macht met nationaal-socialisme en bezetting, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2007, p. 121

Venema, a.w., p. 122-123.

Barendrecht, Van Beek & Muller, a.w., p. 5.

J.P.H. Donner, ‘Beter tien schuldigen vrijgesproken dan één onschuldige veroordeeld?’, RM Themis 2004, p. 14-15.

Een instrumentele of responsieve uitleg kan in een formeel-juridisch jasje worden gehesen. Daarom vind ik het te prijzen dat de rechtbank Amsterdam dat niet heeft gedaan.

Zie verder A.R. Mackor, ‘Rechtsregels en medische richtlijnen. Een rechtsfilosofisch perspectief op de aard en functie van regels’, in: S. Heiman, E.C. Huijsmans & R. van den Munckhof (red.), Medische aansprakelijkheid (Kennisdocument), Oisterwijk: Wolf Legal Publisher 2016, p. 19-40.

B. Niemeijer & P. van Wijck, ‘Verschillen tussen burgers in vertrouwen in de rechtspraak’, Recht der Werkelijkheid 2013, p. 61-75.

Kop op de voorpagina van de krant de Daily Mail van 4 november 2016; Twitter-bericht van Geert Wilders op 9 december 2016; Twitter-bericht van Donald Trump 4 februari 2017.

Zij was tot 1 september 2017 voorzitter van de NVvR.

In Mr. Online van 21 februari 21, www.mr-online.nl/rechterlijke-... (laatst geraadpleegd 6 maart 2018).

In Mr. Online van 21 februari 21, www.mr-online.nl/rechterlijke-... (laatst geraadpleegd 6 maart 2018).

A.R. Mackor, ‘“Gevaarlijke” zinsneden en autonomie. Drie stellingen naar aanleiding van de NVvR Rechterscode’, Trema 2013, p. 61-65; A.R. Mackor, ‘Rechterlijke macht: geschraagd of ondermijnd door kernwaarden?’, RM Themis 2014, p. 6-9; A.R. Mackor, ‘Rechterlijke gedragscodes: over hun juridische status en het vertrouwen in de rechtspraak’, in: H.D. Tolsma & P. de Winter (red.), De wisselwerking tussen recht en vertrouwen bij toezicht en handhaving (serie Governance & Recht, nr. 15), Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2017, p. 87-110; A.R. Mackor, ‘Professionele standaarden: hun legitimatie en implementatie’, Trema, januari 2018; A.R. Mackor, ‘What is legal validity and is it important? Some critical remarks about the legal status of soft law’, in: P. Westerman et al. (red.), Legal validity and soft law, Springer forthcoming 2018.

Persoonlijke correspondentie.

M. Noordegraaf et al., Professionele standaarden: een vergelijkend perspectief. Ontwikkeling, implementatie en onderhoud van professionele standaarden in verschillende beroepsgroepen (Research Memorandum, nr. 3), Den Haag: Raad voor de rechtspraak 2014.

Op p. 59.

HR 7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:510. Zie verder over deze zaak Mackor, a.w. (2017), p. 87-110.

Art. 148 van de Surinaamse Grondwet luidt: De Regering bepaalt het algemeen vervolgingsbeleid. In het belang van de staatsveiligheid kan de Regering in concrete gevallen aan de Procureur-Generaal bevelen geven met betrekking tot de vervolging.”

Lezing van 31 oktober 2017. De lezing kan worden gedownload via www.starnieuws.com/index.php/w... (laatst geraadpleegd 5 maart 2018).

Art. 125 RO. Voor een kritische beschouwing over deze aanwijzingsbevoegdheid zie de aanbeveling van de Raad van Europa Rec 2000(19) onder 13 aanhef en sub f en m.n. de Explanatory Memorandum dat in voetnoot 9 afzonderlijk aandacht besteedt aan de Nederlandse wetgeving op dit punt. Zie verder B.E.P. Myjer, ‘De aanbeveling van de Raad van Europa over “the role of the Public Prosecution in the Criminal Justice System” en de Nederlandse OM-gedragscode’, Trema 2002, p. 295-298 en J.H. Wesselink, ‘De magistratelijkheid van het Openbaar Ministerie’, RM Themis 2011, p. 179-184.

Top