03 2018

Enkelvoudig behandelen, meervoudig beslissen?

In Van Dun c.s./Staat*1 en mr. Muetstege/Gemeente Amsterdam*2 heeft de Hoge Raad een stelsel ontwikkeld voor de rechterswisseling na een mondelinge behandeling. Dit stelsel berust op de regel dat een rechterlijke beslissing die mede wordt genomen op de grondslag van een voorafgaande mondelinge behandeling, behoudens bijzondere omstandigheden, behoort te worden gegeven door de rechter(s) ten overstaan van wie die mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden. Er moet dus personele eenheid van behandeling en uitspraak zijn. Vandaar dat ik dit de personele eenheidsregel noem.*3

Met de in dit artikel te bespreken beschikkingen van de Hoge Raad van 22 december 2017*4 zijn er in het kader van dit stelsel regels bijgekomen. Aan de orde was daarin de vraag of in een meervoudig te beslissen zaak een mondelinge behandeling kan plaatsvinden ten overstaan van één van de drie rechters of raadsheren. Bij de bespreking van de onderhavige beschikkingen ligt in het navolgende de nadruk op kwesties die in dit verband in de praktijk spelen.

1. De nieuwe regels

Bij de beschikkingen van de Hoge Raad van 22 december 2017 ging het in beide gevallen om een ontslagzaak op grond van de Wet werk en zekerheid (Wwz). De mondelinge behandeling in hoger beroep had plaatsgevonden ten overstaan van een raadsheer-commissaris, waarbij partijen de zaak hadden doen bepleiten, waarna het hof – in meervoudige samenstelling – besliste.*5

In cassatie was in beide zaken de klacht aangevoerd dat de beslissing van het hof om de mondelinge behandeling ten overstaan van een raadsheer-commissaris te laten plaatsvinden, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel onvoldoende is gemotiveerd. Daartoe werd aangevoerd dat een rechterlijke beslissing die mede wordt genomen op de grondslag van een (direct) voorafgaande mondelinge behandeling, behoudens bijzondere omstandigheden, behoort te worden gegeven door de rechter(s) ten overstaan van wie die mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden. Met andere woorden, er werd een beroep gedaan op schending van de personele eenheidsregel.

De advocaat-generaal meende inderdaad, verwijzend naar de door de Hoge Raad in Van Dun c.s./Staat en mr. Muetstege/Gemeente Amsterdam genoemde argumenten, dat het hof in deze zaken bij de wijze van behandeling en beslissing van de zaak is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de reikwijdte van het recht van partijen om hun standpunten mondeling ten overstaan van de rechter uiteen te zetten.*6 De Hoge Raad ziet dit evenwel anders.

De Hoge Raad stelt vast dat de meervoudige kamer de bevoegdheid heeft om te bepalen dat een zaak geheel of gedeeltelijk wordt behandeld ten overstaan van een raadsheer-commissaris.

Enkelvoudig behandelen, meervoudig beslissen?

In de beschikkingen van de Hoge Raad van 22 december 2017 heeft de Hoge Raad allereerst overwogen dat in hoger beroep wettelijk de hoofdregel is dat zaken door een meervoudige kamer worden behandeld en beslist. Deze hoofdregel is in lijn met het feit dat de meervoudige behandeling en beslissing in de appelrechtspraak een goede rechtsbedeling bevordert, aldus de Hoge Raad. De Hoge Raad stelt echter ook vast dat uit de wet en de wetsgeschiedenis volgt dat de meervoudige kamer de bevoegdheid heeft om te bepalen dat een zaak geheel of gedeeltelijk wordt behandeld ten overstaan van een raadsheer-commissaris. Enkelvoudig behandelen en meervoudig beslissen kan op zichzelf dus wel. Wanneer dit kan, dient volgens de Hoge Raad nader te worden bepaald met inachtneming van hetgeen is geoordeeld in Van Dun c.s./Staat en mr. Muetstege/Gemeente Amsterdam.

De beschikkingen van de Hoge Raad van 22 december 2017 hebben niet alleen betekenis voor mondelinge behandelingen in Wwz-zaken in hoger beroep. Zij zien op zowel verzoekschriftzaken als dagvaardingszaken bij het gerechtshof. Ook neemt de Hoge Raad de mogelijke situaties in eerste aanleg mee. Verder betrekt de Hoge Raad de toekomstige KEI-wetgeving bij zijn overwegingen.

De Hoge Raad beantwoordt eerst de vraag wanneer de hiervoor genoemde hoofdregel niet van toepassing is. Daarvoor maakt hij een onderscheid tussen mondelinge behandelingen die mede tot doel hebben dat de rechter partijen (en belanghebbenden) in de gelegenheid stelt hun stellingen toe te lichten enerzijds, en ‘andersoortige’ mondelinge behandelingen*7 anderzijds. De strekking van de personele eenheidsregel – te weten, te waarborgen dat het verhandelde ter zitting daadwerkelijk wordt meegewogen bij de totstandkoming van de beslissing van de rechter – brengt mee dat eerstgenoemde mondelinge behandelingen onder de hoofdregel vallen. Een voorbeeld daarvan is de mondelinge behandeling in hoger beroep in een Wwz-zaak. Andersoortige mondelinge behandelingen vallen niet onder de hoofdregel. In paragraaf 2 ga ik nader op dit onderscheid in.

Vervolgens beantwoordt de Hoge Raad de vraag wanneer afwijking van de hoofdregel kan plaatsvinden. De Hoge Raad geeft hiervoor de volgende regels. Ten eerste geldt een mededelingsplicht voorafgaand aan de mondelinge behandeling. Uiterlijk bij de oproeping van partijen voor de mondelinge behandeling zal (schriftelijk of elektronisch) aan hen moeten worden meegedeeld dat is bepaald dat de mondelinge behandeling zal worden gehouden ten overstaan van een rechter-commissaris of raadsheer-commissaris. Voorts dient aan partijen gelegenheid te worden gegeven om te verzoeken dat de mondelinge behandeling zal worden gehouden ten overstaan van de meervoudige kamer die de beslissing zal nemen, voor het doen van welk verzoek een termijn kan worden gesteld. Een dergelijk verzoek zal in beginsel moeten worden ingewilligd, dat wil zeggen dat dit alleen kan worden afgewezen op zwaarwegende gronden, die in de uitspraak moeten worden vermeld.

Ten tweede geldt een mededelingsplicht na een mondelinge behandeling, indien op de voet van art. 15 lid 2 Rv of art. 16 lid 3 Rv verwijzing van een zaak van de enkelvoudige kamer naar de meervoudige kamer plaatsvindt na een mondelinge behandeling waarin partijen in de gelegenheid zijn gesteld hun stellingen toe te lichten en die voorafgaat aan de eerstvolgende uitspraak. Van deze verwijzing dient mededeling aan partijen te worden gedaan. Voorts dient aan partijen gelegenheid te worden gegeven om te verzoeken dat een mondelinge behandeling zal worden gehouden ten overstaan van de meervoudige kamer die de beslissing zal nemen, voor het doen van welk verzoek een termijn kan worden gesteld. Voor afwijzing van dit verzoek geldt op overeenkomstige wijze hetgeen in rov. 3.4.4 van Van Dun c.s./Staat is overwogen.*8

De Hoge Raad merkt voorts op dat van een mondelinge behandeling die mede tot doel heeft dat de rechter partijen in de gelegenheid stelt hun stellingen toe te lichten en die plaatsvindt in een meervoudig te beslissen zaak ten overstaan van een rechter-commissaris of raadsheer-commissaris, een proces-verbaal dient te worden opgemaakt. Dat proces-verbaal dient voorafgaand aan de uitspraak te worden gezonden aan partijen en ter beschikking te worden gesteld van de meervoudige kamer.

In de onderhavige zaken heeft de Hoge Raad de beschikkingen van het hof Den Haag vernietigd omdat het hof – in deze zaken waarin de mondelinge behandeling werd gehouden in een meervoudig te beslissen zaak en die mede ten doel heeft dat de rechter partijen in de gelegenheid stelt hun stellingen toe te lichten, waarvoor de door de Hoge Raad geformuleerde hoofdregel geldt – de als eerste genoemde mededelingsplicht heeft geschonden en niet uiterlijk bij de oproeping heeft meegedeeld dat de mondelinge behandeling zou plaatsvinden ten overstaan een raadsheer-commissaris.

De nieuwe regels gelden ook voor mondelinge behandelingen die hebben plaatsgevonden vóór 22 december 2017. Bijgevolg zijn de desbetreffende uitspraken reeds wegens schending van de mededelingsplicht cassabel.

In Van Dun c.s./Staat heeft de Hoge Raad overwogen dat aangezien de gerechten met de in dat arrest gegeven regels nog geen rekening hebben kunnen houden, aan schending daarvan pas rechtsgevolg zal kunnen worden verbonden in procedures waarin na de datum van dat arrest (31 oktober 2014) een mondelinge behandeling plaatsvindt (rov. 3.4.6, eerste zin). De beschikkingen van 22 december 2017 bevatten echter geen overgangsrecht. Dit betekent dat de nieuwe regels ook gelden voor mondelinge behandelingen die hebben plaatsgevonden vóór 22 december 2017. Bijgevolg zijn de desbetreffende uitspraken reeds wegens schending van de mededelingsplicht cassabel.*9


2. Vragen van uitleg

In de praktijk is de vraag gerezen welke mondelinge behandelingen onder de hoofdregel vallen. Deze vraag moet worden beantwoord aan de hand van het door de Hoge Raad gemaakte onderscheid tussen mondelinge behandelingen die mede tot doel hebben dat de rechter partijen in de gelegenheid stelt hun stellingen toe te lichten en ‘andersoortige’ mondelinge behandelingen. Aan dit onderscheid ligt mijns inziens ten grondslag dat bij eerstgenoemde mondelinge behandelingen partijen hun recht op oral hearing, dat voortvloeit uit art. 6 EVRM, uitoefenen. Indien meervoudig wordt beslist, dient dan ook meervoudig te worden behandeld.

Meer specifiek bestaat er onduidelijkheid over of de nieuwe regels gelden voor een comparitie van partijen ex art. 88 Rv. Er kan volgens mij geen twijfel over bestaan dat de comparitie na antwoord in eerste aanleg (art. 131 Rv) onder de hoofdregel valt. Dit staat met zoveel woorden in de beschikkingen van 22 december 2017 (rov. 3.3.1, eerste alinea). Ik zie dan ook geen ruimte voor de opvatting dat als bijvoorbeeld*10 in de uitnodigingsbrief van de rechtbank na de conclusie van antwoord staat dat een comparitie wordt bevolen om de rechter inlichtingen te geven (en een schikking te beproeven) – en niet mede het doel is partijen in de gelegenheid te stellen hun stellingen toe te lichten – de comparitie door een unus gedaan kan worden, waarna zonder meer meervoudig kan worden beslist. Dat kan niet zonder meer, omdat dan namelijk de in paragraaf 1 als tweede behandelde mededelingsplicht (van rov. 3.6.5) geldt.

De nieuwe regels gelden in beginsel niet voor de inlichtingencomparitie na een tussenuitspraak.

Voorts wordt in Van Dun c.s./Staat erop gewezen dat de personele eenheidsregel in de afgelopen decennia aan betekenis heeft gewonnen door het toegenomen gewicht van de mondelinge behandeling in de civiele procedure, waarbij onder meer vermeld wordt dat in dagvaardingsprocedures in eerste aanleg de comparitie na antwoord hoofdregel is geworden (rov. 3.4.2). De Hoge Raad herhaalt dat het gewicht van de mondelinge behandeling is toegenomen in rov. 3.4.5 van de onderhavige beschikkingen. Tegen deze achtergrond geldt het door de Hoge Raad in Van Dun c.s./Staat en mr. Muetstege/Gemeente Amsterdam ontwikkelde stelsel voor de rechterswisseling na een mondelinge behandeling volgens mij zeker voor pleidooien en daarmee gelijk te stellen zittingen.

De nieuwe regels gelden in beginsel niet voor de inlichtingencomparitie na een tussenuitspraak. Indien een zaak meervoudig wordt beslist en een mondelinge behandeling niet mede tot doel heeft dat de rechter partijen in de gelegenheid stelt hun stellingen toe te lichten, belet de personele eenheidsregel niet dat de mondelinge behandeling plaatsvindt ten overstaan van een rechter-commissaris respectievelijk raadsheer-commissaris, in plaats van ten overstaan van de drie rechters of raadsheren door wie de beslissing zal worden genomen. De Hoge Raad verwijst hiervoor ter vergelijking naar onder meer de inlichtingencomparitie na een tussenuitspraak (rov. 3.5.2 in verbinding met rov. 3.3.2 van de onderhavige beschikkingen).*11

Hierbij dient echter bedacht te worden dat het niet goed mogelijk is scherp te onderscheiden tussen mondelinge behandelingen. Ook een comparitie na een tussenuitspraak kan mede tot doel hebben dat de rechter partijen in de gelegenheid stelt hun stellingen toe te lichten. Ten eerste denk ik aan een comparitie die op verzoek van een partij wordt gehouden. Ook dan oefent een partij haar recht op oral hearing uit. Naar ik meen, geldt ook dan de in paragraaf 1 genoemde mededelingsplicht voorafgaand aan de mondelinge behandeling. Ten tweede valt, dunk mij, ook onder de hoofdregel een comparitie die plaatsvindt in aansluiting op de eerste schriftelijke uitwisseling van partijstandpunten ambtshalve bevolen, bijvoorbeeld door een gerechtshof met een kaal comparitiearrest, mede gericht op een algemene toelichting door partijen.*12 Ten derde is denkbaar dat tijdens een ambtshalve bevolen inlichtingencomparitie partijen zich niet beperken tot het verschaffen van de door rechter verlangde inlichtingen. Het kan zijn dat zij de comparitie gebruiken om over de aspecten van het geschil ten aanzien waarvan de rechter de comparitie heeft bevolen hun standpunten nader uiteen te zetten. Ook is het mogelijk dat de rechter partijen toestaat over andere aspecten het debat te voeren. Als dan enkelvoudig wordt behandeld, zal de behandelend rechter moeten onderkennen dat de zitting van karakter is veranderd en partijen moeten meedelen dat zij recht hebben op een meervoudige behandeling. Ik meen dat partijen van dit recht afstand kunnen doen tijdens de comparitie, zoals dat volgens de regels van de Hoge Raad ook kan voorafgaand aan de mondelinge behandeling.

Dat de inlichtingencomparitie na een tussenuitspraak (niet zijnde comparitie na antwoord in eerste aanleg) in beginsel is uitgezonderd van de werking van de nieuwe regels van de Hoge Raad betekent niet dat deze ook niet (meer) valt onder het stelsel van de Hoge Raad voor de rechterswisseling na een mondelinge behandeling. De rechter-commissaris of raadsheer-commissaris die de zaak heeft behandeld, dient in beginsel deel uit te maken van de meervoudige kamer die de zaak beslist. Dit is af te leiden uit de onderhavige beschikkingen, gezien de verwijzing in rov. 3.6.5 en rov. 3.7 naar rov. 3.4.4 van Van Dun c.s./Staat. Ik zie ook overigens geen aanknopingspunten voor het standpunt dat de Hoge Raad in deze beschikkingen de reikwijdte van het stelsel voor de rechterswisseling na een mondelinge behandeling verder heeft ingeperkt. Integendeel, zoals we in paragraaf 1 hebben gezien, dient volgens de Hoge Raad nader te worden bepaald met inachtneming van hetgeen is geoordeeld in Van Dun c.s./Staat en mr. Muetstege/Gemeente Amsterdam wanneer een enkelvoudige behandeling kan plaatsvinden.


3. Context

Het stelsel voor de rechterswisseling na een mondelinge behandeling is primair opgebouwd vanuit het recht op oral hearing.*13 Dit geldt ook voor de nieuwe regels voor enkelvoudig behandelen en meervoudig beslissen. In paragraaf 2 bleek al dat bepalend voor het antwoord op de vraag of een mondelinge behandeling onder de hoofdregel valt, is of het recht op oral hearing van partijen in het geding is. Ook de genoemde mededelingsplichten voor de gerechten zijn te verklaren door het gegeven dat partijen in de gelegenheid dienen te worden gesteld hun recht op oral hearing uit te oefenen.*14

Naar mijn idee verdwijnt in de onderhavige beschikkingen het belang van waarheidsvinding meer naar de achtergrond.

Daarnaast kan de personele eenheidsregel worden geplaatst in het kader van waarheidsvinding als beginsel van burgerlijk procesrecht.*15 De ratio van de in Van Dun c.s./Staat gegeven regels is dat hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is verhandeld, daadwerkelijk wordt meegewogen in de vervolgens te nemen beslissing, aldus de Hoge Raad in mr. Muetstege/Gemeente Amsterdam (rov. 3.7.1). Daarmee is ook het belang van waarheidsvinding gediend. Dit met name omdat mondelinge interactie tussen partijen en de rechter ter zitting van wezenlijke invloed kan zijn op de oordeelsvorming van de rechter, en niet altijd volledig in een proces-verbaal kan worden weergegeven, zoals de Hoge Raad heeft overwogen in Van Dun c.s./Staat, rov. 3.4.2.

Naar mijn idee verdwijnt in de onderhavige beschikkingen het belang van waarheidsvinding meer naar de achtergrond. De bevoegdheid om een inlichtingencomparitie te bevelen, moet immers worden gezien tegen de achtergrond van het grote belang van waarheidsvinding en de actieve rol die de rechter daarbij dient te spelen.*16 Juist de inlichtingencomparitie noemt de Hoge Raad echter als voorbeeld van een mondelinge behandeling waarop de hoofdregel niet van toepassing is.

De nieuwe regels voor enkelvoudig behandelen en meervoudig beslissen zijn behoorlijk complex.

Een ander belang dat de Hoge Raad in zijn overwegingen heeft betrokken, is dat de rechtspraktijk – in het bijzonder de administratie van de gerechten – is gediend met een eenvoudig werkbaar stelsel. In verband hiermee heeft de Hoge Raad in mr. Muetstege/Gemeente Amsterdam bepaald dat de mededelingsplicht van een rechterswisseling vervalt na de eerste uitspraak die op de mondelinge behandeling volgt (rov. 3.7.3). Als dit een tussenuitspraak is, is (de administratie van) een gerecht in het vervolg van de procedure dus niet verplicht partijen mededeling te doen dat er sprake is van een rechterswisseling.

In de onderhavige beschikkingen worden evenwel nieuwe mededelingsplichten geïntroduceerd. Voorts zijn, zoals we hebben gezien in paragraaf 1 en 2, de nieuwe regels voor enkelvoudig behandelen en meervoudig beslissen zelf behoorlijk complex. De complexiteit wordt vergroot doordat deze regels moeten worden ingepast in het reeds ontwikkelde stelsel voor de rechterswisseling na een mondelinge behandeling. Een en ander maakt het stelsel minder eenvoudig werkbaar.

Ten slotte lijkt relevant dat de huidige ontwikkelingen plaatsvinden in een context van capaciteitsgebrek binnen de Rechtspraak. Een reden voor een gerecht om mondelinge behandelingen enkelvoudig te laten plaatsvinden, kan zijn dat er onvoldoende rechters zijn om dat (op een voor partijen aanvaardbare termijn) meervoudig te laten doen. Hierbij speelt het belang van een voortvarende procesvoering een rol. Zo moet in Wwz-zaken het hof zo spoedig mogelijk na de ontvangst van het beroepschrift de datum van een mondelinge behandeling bepalen.*17

Terzijde merk ik op dat onlangs het wetsvoorstel voor de enkelvoudige afdoening (behandeling én beslissing) van kantonzaken in hoger beroep is ingetrokken.*18 Als de Hoge Raad zou hebben beslist dat alle mondelinge behandelingen meervoudig dienen plaats te vinden, zou dit verreikende organisatorische en financiële consequenties hebben gehad. Dan zou dat aanleiding kunnen zijn geweest voor een nieuw wetsvoorstel.


4. Enkelvoudig of meervoudig behandelen?

De vraag is hoe (civiele) rechters aan het stelsel van de Hoge Raad voor de rechterswisseling na een mondelinge behandeling, waaronder de nieuwe regels voor enkelvoudig behandelen en meervoudig beslissen, in de praktijk nader invulling moeten geven. Welke mondelinge behandelingen enkelvoudig te doen en welke meervoudig?

De Hoge Raad heeft met de onderhavige beschikkingen een deel van het antwoord gegeven. Deze beschikkingen geven namelijk antwoord op de vraag welke regels gelden wanneer is beslist een mondelinge behandeling enkelvoudig te doen. De beschikkingen zelf geven strikt genomen geen maatstaf om te beslissen wanneer enkelvoudig te behandelen en wanneer meervoudig. Wel bieden deze ruimte om mondelinge behandelingen, óók die welke plaatsvinden in aansluiting op de eerste schriftelijke uitwisseling van partijstandpunten, in hoger beroep enkelvoudig te doen plaatsvinden.

Het lijkt mij niet bezwaarlijk dat zaken die eenvoudig zijn en waarvan het belang beperkt is, enkelvoudig worden behandeld.

Het is mijns inziens niet wenselijk een bepaald soort zaken standaard enkelvoudig te behandelen, bijvoorbeeld Wwz-zaken. Ook in Wwz-zaken kunnen grote belangen op het spel staan en deze zaken kunnen eveneens juridisch en feitelijk gecompliceerd zijn. De beslissing of een mondelinge behandeling enkelvoudig kan plaatsvinden, vergt denk ik – mede in het licht van de overwegingen van de Hoge Raad over de mededelingsplichten aan partijen – een zaakspecifieke beoordeling. Het lijkt mij niet bezwaarlijk dat zaken die eenvoudig zijn en waarvan het belang beperkt is, enkelvoudig worden behandeld.

De goede selectie van zaken behoort tot de regiefunctie van de rechter.*19 Het bepalen van de juiste mondelinge behandeling (of dat geen mondelinge behandeling wordt gehouden) is daarom een taak van de rechter. Hierbij past niet dat de keuze tussen een enkelvoudige en meervoudige behandeling in eerste instantie wordt overgelaten aan partijen.

Verder stel ik voor dat bij de selectie van zaken en de keuze voor een enkelvoudige of een meervoudige behandeling door de rechter de ‘pas toe of leg uit’-aanpak wordt gehanteerd, dat wil zeggen dat de hoofdregel van meervoudig behandelen wordt toegepast en dat als daarvan met een enkelvoudige behandeling wordt afweken daarvoor een motivering aanwezig is.

Bij de toepassing van de door de Hoge Raad in de onderhavige beschikkingen gegeven regels kunnen verschillen in behandeling optreden tussen de hoven. Het is zaak dit landelijk af te stemmen. Genoemde ‘pas toe of leg uit’-aanpak kan er hopelijk een bijdrage aan leveren dat er een zekere uniformiteit bestaat.

Voor de nadere invulling van het door de Hoge Raad ontwikkelde stelsel voor de rechterswisseling na een mondelinge behandeling is voorts van betekenis dat, zoals gezegd in paragraaf 1, de Hoge Raad in de beschikkingen van 22 december 2017 de toekomstige KEI-wetgeving erbij heeft betrokken. Dit ligt ook voor de hand aangezien het stelsel van de Hoge Raad (één vaste zaaksrechter, het belang van oral hearing) op meerdere plaatsen aansluit bij de parlementaire geschiedenis van de KEI-wetgeving. Onder de KEI-wetgeving krijgt de rechter meer ruimte om regie te voeren ten aanzien van het verloop van de procedure (art. 30o Rv).*20 Den Tonkelaar heeft erop gewezen dat daarbij in de memorie van toelichting niet een rechter, maar steeds de behandelend zaaksrechter – steeds dezelfde persoon dus – wordt bedoeld.*21

Ook sluit de overweging van de Hoge Raad over het toegenomen gewicht van de mondelinge behandeling de afgelopen decennia aan bij de bedoeling van de KEI-wetgever dat de mondelinge behandeling het ‘hart’ van de basisprocedure (bestaande uit één schriftelijke ronde, de mondelinge behandeling en de uitspraak) vormt.*22 Het belang van oral hearing komt tot uitdrukking in art. 30k lid 1 Rv. Dit bepaalt dat de rechter partijen tijdens de mondelinge behandeling in de gelegenheid stelt (en niet: kan stellen) hun stellingen toe te lichten.*23


5. Slot

De ultieme consequentie van de personele eenheidsregel zou zijn dat het stelsel geldt voor alle (soorten) mondelinge behandelingen, dat de behandelende rechter steeds de beslissende rechter is en dat als meervoudig wordt beslist steeds ook meervoudig wordt behandeld. Daarmee wordt immers optimaal gewaarborgd dat het verhandelde ter zitting daadwerkelijk wordt meegewogen bij de totstandkoming van de beslissing van de rechter. Dan wordt niet alleen aan het recht op oral hearing, maar ook aan het belang van waarheidsvinding volledig tegemoetgekomen.

De Hoge Raad gaat evenwel niet zo ver. Zoals in paragraaf 3 bleek, zijn er meer waarden en belangen waarmee rekening dient te worden gehouden. Het ligt ook niet in de rede om een bestaande praktijk ingrijpend te wijzigen zonder dat daartoe een duidelijke noodzaak bestaat. Bovendien legt de Hoge Raad de wet(sgeschiedenis) zo uit dat enkelvoudig behandelen en meervoudig beslissen op zichzelf kan. De Hoge Raad voegt hier met de onderhavige beschikkingen slechts regels aan toe over de voorwaarden waaronder dit kan.

Hoofdregel blijft echter dat in hoger beroep zaken door een meervoudige kamer worden behandeld en beslist. Richtinggevend dient naar mijn idee te zijn de vaststelling van de Hoge Raad dat het een feit is dat de meervoudige behandeling en beslissing in de appelrechtspraak een goede rechtsbedeling bevordert. In paragraaf 4 heb ik een aanzet tot een voorstel gegeven voor hoe we in de praktijk nader invulling kunnen geven aan het door de Hoge Raad ontwikkelde stelsel.

HR 31 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3076.

HR 15 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:662.

Zie over het door de Hoge Raad ontwikkelde stelsel voor de rechterswisseling na een mondelinge behandeling verder J.P. de Haan & M.R.T. Pauwels, ‘Personele eenheid van behandeling en uitspraak. Over HR 31 oktober 2014 (ECLI:NL:HR:2014:3076)’, TCR 2016 afl. 1, p. 1-7 en J.P. de Haan, ‘Recente ontwikkelingen rond de rechterswisseling na een mondelinge behandeling’, TvPP 2017, p. 217-223 en de aldaar genoemde literatuur.

HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3259 en HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3264.

Hof Den Haag 29 november 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:3520 en hof Den Haag 6 september 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:2590.

Concl. A-G mr. E.M. Wesseling-van Gent bij HR 6 oktober 2017, ECLI:NL:PHR:2017:1092, onder 2.23 en bij HR 6 oktober 2017, ECLI:NL:PHR:2017:1093, onder 2.22.

Deze term is ontleend aan het Cassatieblog: https://cassatieblog.nl/proces-en-beslagrecht/enkelvoudige-mondelinge-behandeling-versus-meervoudige-uitspraak/.

Dit is het zgn. stappenplan. Zie voor een uiteenzetting daarvan De Haan & Pauwels, a.w., p. 5-6.

Zie concl. A-G mr. R.H. de Bock bij HR 12 januari 2018, ECLI:NL:PHR:2018:46, onder 3.2. Hof Den Haag lost dit op door partijen alsnog te vragen of zij bezwaar hebben tegen de enkelvoudige mondelinge behandeling, bijv. hof Den Haag 23 januari 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:55.

Vgl. Rb. Limburg 31 januari 2018, ECLI:NL:RBLIM:2018:1164, rov. 1.3.

Men zou de beschikkingen ook zo kunnen uitleggen dat de Hoge Raad in rov. 3.3.2 expliciet duidelijk maakt dat de inlichtingencomparitie na een tussenuitspraak een ‘andersoortige’ mondelinge behandeling is. Ik leg de beschikkingen niettemin zo uit dat de Hoge Raad niet geheel heeft willen uitsluiten dat de comparitie na een tussenuitspraak onder de hoofdregel kan vallen, ook gezien de verwijzing naar rov. 3.3.2 in de laatste zin van rov. 3.5.1. De Hoge Raad heeft kennelijk bij het uitzonderen van de inlichtingencomparitie het oog gehad op de klassieke inlichtingencomparitie, die uitsluitend wordt gehouden om de rechter in staat te stellen inlichtingen in te winnen.

Zie in dit verband de praktijk bij hof Arnhem-Leeuwarden beschreven in M.W. Zandbergen, ‘Meervoudig beslissen in het zicht van KEI’, Trema 2017, p. 211-214.

Zie hierover nader De Haan & Pauwels, a.w., i.h.b. p. 3.

Zie voor hetgeen art. 6 EVRM op het gebied van oral hearing voorschrijft Asser Procesrecht/Giesen I 2015/10, 319 en 320. Vgl. P. Smits, Artikel 6 EVRM en de civiele procedure, Deventer: Kluwer 2008, p. 113-115 en 175-178.

Zie voor waarheidsvinding als beginsel van burgerlijk procesrecht R.H. de Bock, Tussen waarheid en onzekerheid. Over het vaststellen van feiten in de civiele procedure, Deventer: Kluwer 2011, m.n. op p. 69. Vgl. Asser Procesrecht/Giesen I 2015/10, 85 over waarheidsvinding een algemeen erkend, zwaarwegend belang.

GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 88 Rv, aant. 1.

Art. 1.2.4.8 van Procesreglement verzoekschriftprocedures handels- en insolventiezaken gerechtshoven. Dit tegen de achtergrond van de bedoeling van de wetgever dat het nieuwe ontslagrecht van de Wwz tot kortere proceduretijden leidt.

Zie hierover bijv. ook L.M. Coenraad & P. Ingelse, ‘Wie doet wat? Regiebureau, regierechter, zaaksrechter’, in: Afscheid van de klassieke procedure (Handelingen NJV, nr. 1), Deventer: Wolters Kluwer 2017, I.4.6.

Kamerstukken II 2014/15, 34059, 3, p. 1.

J.D.A. den Tonkelaar, ‘De regisserende zaaksrechter: de regierol van de rechter volgens KEI’, TCR 2015, p. 105-113, aldaar p. 105.

Kamerstukken II 2014/15, 34059, 3, p. 70. Zie het commentaar bij art. 30k t/m 30p Rv over de inhoud van de mondelinge behandeling in H.M.M. Steenberghe & J.D.A. den Tonkelaar (red.), Commentaar & Context KEI. Het gewijzigde Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering becommentarieerd vanuit de parlementaire geschiedenis van de KEI-wetgeving, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2017, p. 97-107.

Zie hierover Steenberghe & Den Tonkelaar, a.w., p. 101-102.

Top