03 2018

De opstelling van de Nederlandse rechters en raadsheren tijdens de bezetting

Het feit dat de rechtshistorisch gezien beroemdste kamer van het hof Leeuwarden iets meer dan 75 jaar geleden, op 25 februari 1943, zijn rug rechtte en een de bezetter onwelgevallig*1 arrest wees, is een goede aanleiding de opstelling van de Nederlandse rechters en raadsheren tijdens de bezetting tegen het licht te houden. De uitspraak van de drie ‘Friese’ raadsheren, F.F. Viehoff (1881–1951), J. Wedeven (1884–1853) en J.B.J. Heymeijer (1895–1955), was opmerkelijk, vooral door haar woordkeuze:

(...) dat het Gerechtshof rekening wenscht te houden met de omstandigheid dat sedert eenigen tijd verschillende door den Nederlandschen Rechter aan mannelijke delinquenten opgelegde gevangenisstraffen, in strijd met de wettelijke voorschriften en met de bedoeling van Wetgever en Rechter, zijn of worden ten uitvoer gelegd in gevangeniskampen op zoo strafverzwarende wijze als door den Rechter bij de bepaling van de strafmaat onmogelijk kon worden voorzien of zelfs maar als mogelijk verondersteld;
dat het Gerechtshof de mogelijkheid van deze wijze van executie der thans op te leggen straf in aanmerking nemend, er zich om des gewetens wille van zal onthouden den verdachte te veroordeelen tot een gevangenisstraf van zoodanigen duur als in casu in evenredigheid zoude staan tot den ernst van het door den verdachte gepleegde misdrijf doch hem zoude blootstellen aan de mogelijkheid van een executie als bovengemeld; (...).
De opstelling van de Nederlandse rechters en raadsheren tijdens de bezetting

De woorden van het arrest kwamen uit de koker van Viehoff.*2 Hij was sinds 8 april 1942 raadsheer in het hof Leeuwarden. Op 20 februari 1943 had hij een vergadering bezocht van alle presidenten en vice-presidenten van de rechtbanken en van alle officieren van justitie bij deze instanties. Deze vergadering was bijeengeroepen door de Amsterdamse officier van justitie, H. Wassenbergh (1888–1974). Viehoff was als raadsheer niet eens uitgenodigd voor deze bijeenkomst. De aanwezigen bespraken een rapport over misstanden in het kamp Erika te Ommen. Een van de beruchtste kwellingen daar was het ‘grammofoonplaten’. Het slachtoffer werd gedwongen zijn linkerwijsvinger in de grond te steken en zijn rechterwijsvinger in zijn oor. Vervolgens moest hij zo snel mogelijk om zijn linkerwijsvinger heen draaien, terwijl een bewaker hem met een karwats op zijn rug sloeg. De vergadering besloot te protesteren bij F. Wimmer (1897–1965), de Generalkommissar für Verwaltung und Justiz. Viehoff verwachtte geen heil van een bezoek aan Wimmer:

Het is een heerlijke kapstok voor hen, die vast besloten zijn hun functie tot geen prijs ten offer te brengen en de beslissing zoo lang mogelijk willen verschuiven.

Hij greep de eerste zitting van het Leeuwarder hof na de bijeenkomst van 20 februari 1943 aan voor het opstellen van een arrest met een expliciete afwijzing van de praktijken in Ommen. “De eventueele gevolgen van het Arrest zullen wij natuurlijk gelaten op ons nemen”, zo schreef hij aan Wassenbergh.*3 De bezetter ontsloeg enige maanden later, op 9 april 1943 met ingang van 12 april 1943, Viehoff en Wedeven.

Het arrest van het hof en het daaropvolgende ontslag van Viehoff en Wedeven riepen veel reacties op. Ik bespreek die kort. Zij zijn kenmerkend voor de opstelling van de leden van de rechterlijke macht, die ondanks het feit dat zij kritiek hadden op dit optreden van de bezetter, inderdaad – in de woorden van Viehoff – hun functies tot geen prijs ten offer wilden brengen. Na de bespreking van deze reacties schets ik drie wijzen van opstellen van de leden van de Nederlandse rechterlijke macht tijdens de oorlog. Ik baseer me daarbij op publicaties van anderen (vooral die van Buruma, Hermans en Venema) en op publicaties van eigen hand (boek over de Hoge Raad in de Tweede Wereldoorlog). Zij zijn in de noten verantwoord.

De strafkamer van de Hoge Raad besloot het protest van de andere rechters te onderschrijven, hoewel het college niet uitdrukkelijk was gevraagd dit te ondersteunen.


Reacties op het Leeuwarder arrest van 1943: kritiek, maar niet aftreden

Het arrest van het hof Leeuwarden werd ervaren als een geschenk uit de hemel. De reacties op het Leeuwarder arrest in de ondergrondse pers klonken dan ook opgelucht.

In Nederland groeide, aldus De Vrije Stem, bij de rechterlijke macht het besef dat men niet alles van de ‘moffen’ moest slikken. De uitspraak van het hof Leeuwarden legde op authentieke wijze de gruwelijke rechtsverkrachting vast. Zij was een daad van moed, die respect afdwong en die de gehele rechterlijke macht tot lichtend voorbeeld moest dienen.*4 Op Wassenberghs initiatief stelde de Amsterdamse rechtbank een brief voor secretaris-generaal van Justitie J.J. Schrieke (1884–1976) op, waarvan de tekst inhoudelijk grote overeenkomsten vertoonde met die van het arrest van het hof Leeuwarden. De rechtbank stuurde op 15 maart 1943 deze brief naar alle andere rechtbanken en hoven voor een adhesiebetuiging. De meeste aangeschreven rechterlijke instellingen deden inderdaad een dergelijke verklaring naar Schrieke uitgaan.*5 De strafrechtspraak in Utrecht viel na de verzending van deze brief praktisch stil. De Utrechtse strafkamers hielden op 10 maart, 17 maart, 24 maart en 6 april hun einduitspraak aan, totdat de officier van justitie inlichtingen had verschaft over de tenuitvoerlegging van de op te leggen straf. Viehoff, Wedeven en Heymeijer deden op 18 maart 1943 uitspraak in een strafzaak, waarbij zij dit keer een door de rechtbank Groningen opgelegde gevangenisstraf van zes maanden terugbrachten tot zes weken. Zij hielden opnieuw rekening met de mogelijkheid dat een straf van langere duur op een strafverzwarende wijze ten uitvoer zou worden gelegd.*6

De strafkamer van de Hoge Raad besloot het protest van de andere rechters te onderschrijven, hoewel het college niet uitdrukkelijk was gevraagd dit te ondersteunen. Wassenbergh in een brief aan B.M. Taverne (1874–1944), vanaf 1939 vicepresident van de Hoge Raad en voorzitter van de strafkamer:*7

We meenden ons te moeten bepalen tot de lagere Rechterlijke Colleges, welke ten slotte de meeste vonnissen en arresten wijzen, terwijl wij bovendien aannamen, dat de H.R., van onze actie hoorende, wel datgene zou doen wat zij [sic; CJ] dienstig zou achten, welke veronderstelling juist is gebleken.

De brief van de strafkamer van de Hoge Raad werd op 31 maart 1943 verstuurd. Zij verhief onder expliciete verwijzing naar de uitspraak van het hof Leeuwarden haar stem tegen de wijze van tenuitvoerlegging van de straffen en eiste maatregelen tegen de misstanden.*8 De opstelling van de lagere rechterlijke instanties en de brief van de strafkamer van de Hoge Raad vond echter weinig weerklank bij de andere leden van dit college, en niet alleen niet bij zijn Duitsgezinde president, J. van Loon (1888–1975) en de door de bezetter benoemde raadsheren. In een brief van 11 november 1943 aan de Leidse hoogleraar R.P. Cleveringa (1894–1980) kwam raadsheer P.A.J. Losecaat Vermeer (1888–1956) op het Leeuwarder arrest terug. Hij gebruikte daarin de uitspraak als argument voor zijn standpunt dat het beter was om in stilte goed werk te doen dan om openlijk een principiële positie in te nemen. Alleszins opmerkelijk was wat hij schreef:*9

Een voorbeeld. Het bekende Leeuwarder arrest is een uiting der principieelen. Ik respecteer dien moedigen ‘cri de coeur’ volkomen, maar acht hier niettemin een tactische domheid aanwezig. Waarom aan de groote klok hangen wat alom in stilte allang gebeurde? Het dreigde zelfs de in de voorbereiding zijnde opheffing van Ommen in gevaar te brengen ... fiat justitia enz.!!

“Een tactische domheid” was de uitspraak dus volgens Losecaat Vermeer. Samen met Taverne voerde hij de redactie van de Nederlandse Jurisprudentie (NJ). Op 6 april 1943 liet Taverne aan de Zwolse uitgeverij W.E.J. Tjeenk Willink – verantwoordelijk voor de uitgave van de NJ – weten dat de uitspraak van het hof Leeuwarden niet mocht worden gepubliceerd:

(...) omdat er officiële pogingen in het werk zijn gesteld – ook de strafkamer van den Hoogen Raad heeft een protest doen hooren – om onmiddellijk aan de verregaande misstanden in het kamp Erica te Ommen een einde te maken.

Tjeenk Willink was (of deed) verbaasd. Hij vroeg om uitleg. Losecaat Vermeer schreef hem:*10

Ik zou [de uitspraak] zeker niet opnemen, evenmin als soortgelijke uitspraken. Iedere jurist kent ze. Afschriften gaan van hand tot hand. Er komt, naar ik hoor, bovendien verandering in Ommen; het wordt opgedoekt. Onder deze omstandigheden zou plaatsing van dit overbekende arrest slechts prikkelend werken en, zonder eenig nut, de N.J. aan groot gevaar blootstellen.

Het ontslag van Viehoff en Wedeven kwelde de gemoedsrust van Taverne. Los van het protest van de strafkamer van de Hoge Raad stelde hij een nota en een brief op, die wat hem betreft rijkscommissaris Arthur Seyss-Inquart (1892–1946) als adressant had. Taverne had een gedegen onderzoek gedaan naar een mogelijke grondslag voor het ontslag van de beide raadsheren. Die grondslag had hij niet kunnen vinden. Met de onafzetbaarheid van de rechters en de daarmee samenhangende rechterlijke onafhankelijkheid – verankerd in de Grondwet – was het gedaan, zo meende Taverne, indien het hoofd van de bezettende macht zonder enige bij wet of reglement vastgestelde waarborgen en zonder enige bijzondere procedure een rechter kon ontslaan. Hij verwees naar de oproep van de rijkscommissaris van mei 1940 waarin hij aangaf het geldende recht in werking te laten en de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht te handhaven. Paragraaf 6 van Verordening 3/1940 van 29 mei bepaalde dat de rechtspleging onafhankelijk was. Volgens Taverne was de rijkscommissaris nooit ‘teruggekomen’ op deze bepaling en in latere verordeningen was hij er evenmin van afgeweken.*11 Het ontslag van de beide raadsheren kon niet gegrond worden op enige bestaande verordening. Het van toepassing zijnde recht was daarom art. 173 lid 2 Gw (oud) en art. 11 e.v. Wet RO (oud). Alleen de Hoge Raad mocht rechters ontslaan. Taverne behandelde vervolgens de vraag of voor dit ontslag in het volkenrecht een rechtvaardiging was te vinden. Hij had daarvoor J. Kosters (1874–1951), de andere vicepresident van de Hoge Raad, willen raadplegen, maar die was herstellende van een zware hartaanval en de dokter had hem verboden zich met deze kwestie in te laten. Naar Tavernes overtuiging was het inderdaad algemeen aanvaard dat de bezetter zich mocht ontdoen van hem onwelgevallige ambtenaren, maar het was de vraag of dat ook gold voor hen, die voor het leven waren benoemd. Op grond van de door de Leidse hoogleraar B.M. Telders (1903–1945) en Kosters verzamelde stukken moest het antwoord ontkennend luiden. Beide ontslagen raadsheren moesten volgens Taverne daarom niet het idee krijgen dat de Hoge Raad hen in de kou liet staan. Het college kon de rijkscommissaris verzoeken op zijn besluit terug te komen. “Dan doen wij ten minste wat wij kunnen.”*12

De nota had hij voorafgaande aan de vergadering van de Hoge Raad van 27 mei 1943 aan elke collega-raadsheer toegezonden. De brief las hij ter plekke voor. Van Loon was over de conceptbrief van Taverne zeer verwonderd. Hij liet in de notulen van de vergadering het volgende optekenen:*13

De Vice-President stond, evenals de Civiele Kamer, in April op het standpunt, dat de Hooge Raad in dezen niets kon doen, maar is nu blijkbaar van opinie veranderd. Deze brief is een slag in de lucht. Indien er grond is om te protesteeren, dan behoort men dit krachtig te doen, zonder zich om de gevolgen te bekommeren. Maar wij zijn het er alle over eens, dat de bezettende macht geenszins het volkenrecht schendt, door rechters, die haar niet aanstaan, te ontslaan. Een protest op grond van het volkenrecht is dus niet op zijn plaats. De heer Taverne heeft gezegd, dat de bedoeling van den brief uitsluitend is, om de bezorgdheid van den Hoogen Raad over het ontslag ter kennis van de bezettende macht te brengen, maar de President meent, dat de bezettende macht dit ook zoo wel weet. Daarom past in dit geval beter een zwijgende houding dan een uiterst zwak protest, nog te meer, daar hem door den Secretaris-Generaal van het Departement van Justitie is medegedeeld, dat aan het ontslag heel wat meer voorafgegaan is dan alleen het bewuste arrest.

Van Loon richtte op 8 juni een onvriendelijke brief aan het adres van Taverne:

Het moet mij van het hart, dat de opvatting van de meerderheid der raadsheren mij uitermate heeft verwonderd. Immers, er blijkt uit dat een aantal hunner (U zelf, N.C.M.A. van den Dries (1880–1958), L.A. Nypels (1888–1968), J.E. van der Meulen (1890–1968) en P.H. Smits (1893–1972)) alsmede de Procureur-Generaal thans een tegengestelde opvatting huldigen als in April, terwijl er toch geen nieuwe feiten naar voren zijn gebracht. Dit heeft mij zeer teleurgesteld.

Van Loon vervolgde:

Ik betreur het oprecht, dat op deze wijze in een troebele atmosfeer een besluit is genomen, dat gespeend is van alle realiteitszin en den indruk wekt voor de galerij te zijn bestemd.

Hij herhaalde tot slot nog eens dat een ‘slap’ briefje als dat van Taverne het prestige van de Hoge Raad zou schaden bij zowel het Nederlandse volk als de bezetter.*14 Ondanks het verzet van Van Loon is de brief van Taverne als brief van de Hoge Raad op 22 juni 1943 verzonden naar rijkscommissaris Seyss-Inquart.*15 Het schrijven was ondertekend door de procureur-generaal, de griffier en alle raadsheren, behalve Van Loon en H.A. Helb (1881–1963), een door de bezetter benoemde raadsheer.*16 De ondertekenaars repten van de grote onrust, die het ontslag niet alleen in rechterlijke en juridische kringen, maar ook onder de bevolking had veroorzaakt. Zij vermoedden dat de werkelijke ontslaggrond het door beide Leeuwarder raadsheren gewezen arrest van 25 februari was. Volgens hen was deze uitspraak op te vatten als een ‘cri de coeur’ en niet als een daad van verzet tegen de bezetter. Ook was er allerminst sprake van een ‘demonstratie’ van Viehoff en Wedeven. Zij hadden de uitspraak immers niet ingezonden ter publicatie. De raadsheren uit de Hoge Raad stelden in hun brief aan de rijkscommissaris:*17

Ausgehend von der Richtigkeit der obenerwähnten Voraussetzung fühlen die Unterzeichneten sich verpflichtet Euer Exzellenz mit zu teilen, dass sie mit grosser Besorgnis von obengenannter Entlassung Kenntnis genommen haben, weil dadurch ein starker Eingriff gemacht wird in die richterliche Unabsetzbarkeit, einen kostbaren Volksbesitz, einen Grundpfeiler der Unabhängigkeit der Rechtsprechung (Aufruf Euer Exzellenz vom 25ten Mai 1940, § 6 Verordnung nr. 3/1940).

Schrieke beantwoordde de brief in plaats van Seyss-Inquart. Zijn schrijven was aan Van Loon gericht. Schrieke stelde het recht van de bezetter voorop om ambtenaren en dus ook rechterlijke ambtenaren te ontslaan. Gewetensbezwaren konden nooit een vrijbrief vormen om de ambtsplicht te verzaken, zoals de raadsheren uit Leeuwarden wel hadden gedaan.*18

Taverne bleef worstelen met de kwestie. Was niet het moment gekomen om met rechtspreken te stoppen? Hij kwam in een zeer lange brief aan Wassenbergh van 18 april 1943 nog eens op de gebeurtenissen in Leeuwarden terug:

Bij verschillende besprekingen, zoowel met den President van ons college als met verschillende collegae is mij wel gebleken, dat er geen strooming bestaat tot ontslagneming, noch om de quaestie Ommen, noch om de ontslag-quaestie. (Gewetensbezwaren zijn natuurlijk steeds individueel.

In een noot onder aan de brief voegde Taverne aan deze zinsnede toe:*19

“Wel hoorde ik de meening: als de meerderheid der R.M. ontslag neemt, blijf ik niet achter.” 

Ook in een brief aan Van Loon van 11 september 1943 vroeg hij zich af of de Hoge Raad wel werkloos moest blijven toezien, terwijl de bezetter afbreuk deed aan het wettelijke uitgangspunt dat alleen de Hoge Raad een rechter uit zijn ambt kon zetten of schorsen.*20 De innerlijke overtuiging te moeten aanblijven, leefde echter bij een raadsheer als Losecaat Vermeer zo sterk dat als de Duitsers de Hoge Raad zouden afschaffen, hij van harte hoopte

dat de lagere colleges dan hun plicht zullen blijven doen en niet ‘iets zullen ondernemen.*21

Het besluit van Taverne en de overige raadsheren levert geen verrassingen op. Zij zijn doorgegaan. Uit het verdere verloop van de oorlog komt naar voren dat zij zelfs op alle mogelijke manieren hebben willen voorkomen dat de bezetter hen naar huis stuurde. Van den Dries formuleerde dat gevoelen als volgt:

Beseft men wel ten volle, wat het zou hebben beteekend, als de rechtspraak in burgerlijke zaken, die nog geheel bij de nationale rechters was verbleven, zou zijn stopgezet?

En, zo vervolgde hij:*22

Wat zou de Nederlandsche bevolking van den Hoogen Raad gezegd hebben, indien hij, zooals sommigen wenschten reeds in den loop van 1940 dan wel later, voor zeer langen tijd, een dergelijke [strafrechtelijke] justitieele ellende, zonder dringende noodzakelijkheid, over het land zou hebben gebracht, en dit ondanks de aanwijzing van de Regeering, om zoo lang mogelijk in functie te blijven, eene aanwijzing, welke nimmer is herroepen?

De Hoge Raad verantwoordde zijn opstelling na de oorlog in een brief van 11 oktober 1945, die in bijna alle Nederlandse kranten van enige omvang werd gepubliceerd. Ik veroorloof mij een lang citaat:

Gedurende de bezetting zag de Hooge Raad zich telkenmale gesteld voor de moeilijke vraag, of hij zou moeten heengaan – hetgeen ook een heengaan van het overgroote deel van de overige rechterlijke macht tengevolge zou hebben – dan wel zoolang mogelijk in functie behoorde te blijven ten einde de Nederlandsche rechtspraak intact te houden. Moest de Hooge Raad door het werk neer te leggen of een openlijk scherp protest tegen het door den bezetter bedreven onrecht te doen hooren, zich metterdaad en openlijk stellen aan de zijde van het verzet, of moest hij het belang der bevolking bij een rechtspraak door Nederlandsche rechters en bij een uitblijven van den chaos op justitieel gebied ten slotte hooger waardeeren en, hoe zwaar dit ook zou vallen, op zijn post blijven en zich onthouden van openlijk protest, dat naar zijn oordeel slechts eenmaal tot uiting zou komen, immers door den bezetter met ontslag zou zijn beantwoord of met andere maatregelen, waarop van de zijde van den Hoogen Raad slechts heengaan zou passen.

Beide standpunten, aldus de Hoge Raad, berustten op respectabele motieven. Het college was echter teruggedeinsd voor de volledige ontreddering op het gebied van de burgerlijke en fiscale rechtspraak en het overleveren van het volk aan de bezetter op het gebied van de strafrechtspraak. Het staken van de Rechtspraak achtte de Hoge Raad een zodanige ramp, dat daartegen het voordeel, dat aan de andere houding was verbonden, niet kon opwegen.*23

Het doorwerken van de Nederlandse rechters is vanuit constitutioneel perspectief opmerkelijk. De bezetter schond immers een aantal in de Grondwet vastgelegde staatsrechtelijke uitgangspunten


De lijdelijke houding van de meerderheid van de rechters.*24

De overgrote meerderheid van de Nederlandse rechterlijke macht heeft, evenals de Hoge Raad, doorgewerkt met een beroep op art. 1 en 31 van de Aanwijzingen van de Nederlandse regering uit 1937.

Zij zullen in het belang der bevolking er naar streven, dat het bestuur ook onder de gewijzigde omstandigheden zoo goed mogelijk zijn taak blijft vervullen.

Pas als door het in functie blijven het nut voor de bezetter groter werd dan voor het Nederlandse volk, mocht de (rechterlijke) ambtenaar zijn post verlaten. De rechters hebben ‘doorwerken’ kennelijk van groter nut geacht voor het Nederlandse volk dan voor de bezetter.

Het doorwerken van de Nederlandse rechters is vanuit constitutioneel perspectief opmerkelijk. De bezetter schond immers een aantal in de Grondwet vastgelegde staatsrechtelijke uitgangspunten als het verbod van discriminatie en de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht. Hij had niet alleen Viehoff en Wedeven ontslagen, maar al eerder (op 1 maart 1941) 28 joodse rechters en plaatsvervangers weggezonden. Onder hen bevonden zich de president van de Hoge Raad, L.E. Visser (1871–1942) en de Haagse raadsheer-plaatsvervanger E.M. Meijers (1880–1954). Zelfs na de executie in de nacht van 7 op 8 februari 1945 van de Amsterdamse raadsheer H.J. Hülsmann (1884–1945) en de Amsterdamse rechter W.J.A. Dons (1884–1945) – een represaille na de liquidatie door het verzet van de Amsterdamse procureur-generaal en NSB’er, J. Feitsma (1884–1945) – werkten de meeste Nederlandse rechters door.*25 In Trouw van midden maart 1945 werd de staf gebroken over de houding van de rechters:*26

Leden der rechterlijke macht worden als honden neergeknald en rechters en advocaten zetten hun arbeid voort alsof er niets gebeurd is. Dit is een diep beschamende houding van menschen, van wie wij in de eerste plaats mochten verwachten en verlangen, dat zij voor de handhaving van het recht op de bres zouden staan.

Ook De Typhoon van 18 maart 1945 hekelde de zwijgende houding van de rechterlijke macht. De kroon – aldus de anonieme schrijver in De Typhoon – spanden de rechters in de rechtbank en het hof Amsterdam na de moord op Dons en Hülsmann. Zij werkten door alsof er niets was gebeurd. “Hebben de Heeren alle zelfrespect verloren?”*27 Was het aanblijven nog wel in het belang van de Nederlandse bevolking en was het nut van aanblijven voor de bezetter niet groter geworden dan voor het Nederlandse volk?

De rechterlijke macht heeft zich in zijn aanblijven gesteund gevoeld door signalen uit de bevolking. Ik haal slechts de opvatting van twee gezaghebbende figuren uit die tijd aan, die zich na de oorlog hebben uitgelaten over het dilemma doorwerken of stoppen. J.A.W. Burger (1904–1986), advocaat, in 1943 gevlucht naar Engeland en daar minister geworden in het kabinet-Gerbrandy, schreef op 22 augustus 1942 in zijn na de oorlog gepubliceerde dagboek:*28

Dagelijks ben ik er dankbaar voor dat er velen niet hun functie neergelegd hebben, zij zijn het die gevallen waaraan maar even iets te doen is, erdoorheen helpen, als uitzondering kwalificeren, de juiste weg wijzen et cetera. (...) Zij die het weigeren, maken een principiëler indruk, maar dat het gemiddeld moeilijker of zwaarder is dan de taak van hen die blijven, zie ik nog niet in. (...) Zij worden dagelijks door gewetenszorgen gedrukt maar in feite doen ze nog dagelijks wat ten goede. ’t Is niet eenvoudig en toch is permanente weerstand mijns inziens het enige wat op den duur iets uit kan halen, daarvoor is nodig in functie te blijven. 

Ook voor H.M. Hirschfeld (1899–1961), de tijdens de oorlog machtige secretaris-generaal van Handel, Nijverheid en Scheepvaart, was het doorwerken in het belang van het volk leidraad voor zijn handelen. Hij voelde zich aan de daarin vervatte opdracht van de regering gebonden tot het einde van de oorlog toe om chaos te voorkomen in Nederland. Gewapend verzet had volgens hem geen enkel effect:

Nee, om boven aan dek te blijven staan en de storm te trotseren daar is heel wat meer voor nodig.

Hirschfeld heeft zijn handelen altijd in overeenstemming geacht met de belangen van het Nederlandse volk.*29

De Nederlandse rechters hebben naar mijn weten geen uitspraken gedaan die de uitdrukking vormden van het nationaalsocialistische ideeëngoed.


De collaborerende rechters

Slechts een klein deel van de Nederlandse rechters werkte tijdens de bezetting door uit overtuiging. Zij waren Duitsgezind (zoals president Van Loon van de Hoge Raad) of werkten als nationaalsocialisten mee aan de uitvoering van de nationaalsocialistische idealen. Het ging om iets meer dan veertig personen.*30 Zij hebben binnen de rechterlijke colleges nooit de toon kunnen of willen zetten. De Nederlandse rechters hebben naar mijn weten geen uitspraken gedaan die de uitdrukking vormden van het nationaalsocialistische ideeëngoed. Hadden zij daartoe aanknopingspunten in de wet? Het antwoord luidt bevestigend. Evenals de Duitse rechter had zijn Nederlandse collega de open normen kunnen aangrijpen om het Nederlandse burgerlijke recht te nazificeren. Art. 1374 lid 3 BW (oud) bepaalde dat overeenkomsten te goeder trouw moesten worden uitgevoerd. Daarmee beschikte de rechter over een algemene aanvullende bevoegdheid, maar hij heeft die niet gebruikt om het Nederlandse burgerlijke recht in nationaalsocialistische zin uit te leggen zoals de Duitse rechters wel hebben gedaan. Deze wijze van uitleg staat bekend als de ‘unbegrenzte Auslegung’. Zelfs bij een geheel de nieuwe orde toegedane kamer van het Haagse hof was – voor zover ik kan overzien – geen sprake van ‘partijdige’ rechtspraak.*31 Raadsheer Van den Dries heeft met klem betoogd dat de meerderheid in alle kamers van de Hoge Raad tijdens de oorlog in veilige handen was gebleven:

(...) zoodat dan ook met stelligheid kan worden gezegd, dat van een moeten medewerken aan beslissingen, die zijn ingegeven door sympathieën voor Duitschland of zijn nieuwe orde, nimmer sprake is geweest.

Beschuldigingen in andere zin droegen naar Van den Dries’ overtuiging een politiek luchtje: ze waren namelijk gesteld op een toon, “reeds vóór den oorlog in bepaalde politieke kringen niet ongebruikelijk”. Volgens hem had de bezetter de Hoge Raad, ook in zijn vooroorlogse samenstelling, nooit beïnvloed. Nimmer had er enig contact bestaan tussen de bezetter en de leden van de Hoge Raad. De op bescheiden schaal beproefde pogingen waren volgens Van den Dries in de kiem gesmoord en hadden zich niet herhaald.*32

Het Amsterdamse hof kende een NSB-president, H.M. (Han) Fruin (1895–1973). Hij was lid van de NSB sinds 1933. Fruin was leider van het Rechtsfront, de NSB-organisatie voor recht en rechtshandhaving. Hij was rechter geweest in Alkmaar (1930–1940), daarna van december 1940 tot februari 1943 president van de rechtbank Utrecht en tot slot van februari 1943 tot 28 maart 1945 president van het hof Amsterdam. Uit getuigenissen van de toenmalige Utrechtse rechter en latere hoogleraar T.J. Dorhout Mees (1898–1993) en van de Amsterdamse raadsheer J. Verdam (1883–1964) komt naar voren dat Fruin nooit iets van zijn politieke gezindheid heeft laten blijken tijdens het rechtspreken. Dorhout Mees heeft verklaard:

Fruin was eerlijk, betrouwbaar en bekwaam in zijn werk. Zijn oordeel was niet door de politiek vertroebeld.

Verdam had laten noteren:*33

Hij heeft niet van partijdigheid blijk gegeven, terwijl er wel eens een zaak is geweest waarbij dat had gekund.

Ook het hof Leeuwarden heeft gedurende korte tijd een NSB-president gekend: C.A.E. Maitland (1883–1944). Hij was Gewestelijk Leider van Friesland, Groningen en Drenthe van het Rechtsfront. In 1942 werd hij benoemd tot president van de rechtbank Leeuwarden, in 1943 tot president van het hof. Hij stierf in 1944. Hij zat soms samen met twee andere NSB’ers: U.P. Okken (1895–1965) en J.A.R.C. ten Raa (1890–1980). Ook van het Leeuwarder college in deze samenstelling zijn bij mijn weten geen ‘foute’ arresten overgeleverd.*34

Het gevolg van de aanwezigheid van de ‘foute’ raadsheren was wel dat van collegiale besluitvorming geen sprake was. Het innemen van een eensgezind standpunt tegen maatregelen van de Duitse bezetter was onmogelijk. Dit probleem speelde bij de Hoge Raad, waar Van Loon, W.M.A. Weitjens (1897–1977), Helb, H.W.B. Thien (1884–1975) en Van Lunteren verhinderden dat het college als één geheel naar buiten trad.*35 Hetzelfde probleem speelde ook bij het hof Amsterdam, bijvoorbeeld bij de benoeming van J. Kampstra – de hoofdopsteller van het nationaalsocialistische blad Het Rechtsfront – in 1943 tot vicepresident van het Amsterdamse hof, nadat hij pas enkele weken daarvoor tot raadsheer was benoemd. Hij beschikte volgens de overgrote meerderheid van de Amsterdamse raadsheren niet over de capaciteiten van een raadsheer, laat staan over die van een vicepresident. P.J.H.M. van der Does de Willebois (1893–1961) schreef als volgt aan Verdam:*36

We doen veel beter om, buiten elke vergadering om, een door ons achten onderteekenden brief te schrijven, een oplossing waarvoor ik maar zeer matig voel.

Zo’n brief had uiteraard minder gezag dan die van een heel college. Zij is niet geschreven. Dat leidde tot frustratie bij Van der Does:

Het is intusschen verdraaid jammer, dat ook dit plan weer op velerlei bezwaar afstuit, en ik kan je wel verzekeren, dat ik me deze en dergelijke mislukkingen leelijk aantrek, waarbij het gevoel van machteloosheid ook telkens omslaat in zelfverwijt.

Over de collaborateurs als groep is het moeilijk algemene uitspraken te doen. Een behoorlijk aantal was lid van de NSB of van nationaalsocialistische organisaties, zoals Fruin, Van Lunteren, Kampstra, Maitland en J.H. Carp (1893–1979), de president van het Vredesgerechtshof. Zij waren duidelijk ideologisch geïnspireerd, vaak pro-Duits en soms antisemitisch. Zij hadden het vertrouwen verloren in een onafhankelijke rechterlijke macht. In de woorden van de Duitse nationaalsocialistische staatssecretaris voor Justitie Curt Rothenberger (1896–1959)*37

Die Justiz ist nur ein Glied des Staates wie der Arm am menschlichen Körper. Dieser Arm kann aber niemals den eigenen Kopf zurechtsetzen. Die Justiz hat der politischen Führung zu dienen.

De overige met de Duitsers meewerkende rechters waren soms verblind door ambitie (zoals Van Loon), teleurgesteld in hun ‘oude’ carrière (zoals de oud-Indiëgangers Schrieke, Helb, Thien en Ten Raa) of simpelweg opportunistisch en uit op financieel gewin (zoals Weitjens), of meer tegelijk.*38

Ook in Nederland is het aantal rechters dat zich op de een of manier heeft verzet tegen het nazi-onrecht gering.


De ‘furchtlose’ rechters: de rechters zonder angst

In het najaar van 2017 verscheen in Duitsland onder redactie van de toenmalige minister van Justitie Heiko Maas een opmerkelijk boek, getiteld Furchtlose Juristen, juristen zonder angst. Het boek bevat een inleiding die aan duidelijkheid niets te wensen overlaat over de ideeën van de Duitse rechters: de overgrote meerderheid van de meer dan tienduizend rechters in de Weimar Republiek had antidemocratische en antiparlementaire overtuigingen en beschikte over een grote sympathie voor een autoritaire staatsvorm. Daarnaast waren zij zeer tevreden over hun ambt. Zij hadden goede salarissen. Zij kenden geen al te hoge werkdruk die in de loop van de nazitijd bovendien nog eens sterk verminderde. Zij hadden tot slot mooie carrièrekansen en sociaal aanzien. Het gevolg was dat slechts weinig rechters zich hebben verzet tegen het nazi-onrecht.*39 Ik noem een drietal. Wellicht zijn hun namen bekend. Ik wijs allereerst op Hans Dohnanyi (1902–1945), aanvankelijk Reichsgerichtsrat in Leipzig. Hij was de jurist die de Nederlandse militair attaché in Berlijn, majoor G.J. Sas (1892–1948), op de hoogte stelde van de nakende Duitse inval in mei 1940. Ik breng voorts in herinnering Paulus van Husen (1891–1971), Oberverwaltungsgerichtsrat in Berlijn, en Karl Mosler (1872–1946), Präsident des Landgerichts in Bonn.

Ook in Nederland is het aantal rechters dat zich op de een of manier heeft verzet tegen het nazi-onrecht gering. Verzet kan vele vormen aannemen: het nemen van ontslag, het wijzen van een de bezetter onwelgevallige uitspraak, het weigeren nazirecht toe te passen, het beledigen van Duitse of Duitsgezinde rechters, in de meest extreme vorm zelfs het plegen van gewelddadig verzet (hoewel ik onder de Nederlandse rechters van de laatste vorm van verzet geen voorbeeld ken).*40 Ondanks de buigzame opstelling van de grote meerderheid van de Nederlandse rechters heeft een klein aantal zich openlijk gekeerd tegen de bezetter. Ik doel op onder andere Lodewijk Ernst Visser, de door de Duitsers ontslagen president van de Hoge Raad. Ondanks het gevaar dat hij als jood persoonlijk liep, heeft hij vanaf de eerste dagen van de bezetting met gevaar voor eigen leven en dat van zijn gezin gestreden voor het Joodse belang. Hij besloot na zijn ontslag steun te verlenen aan de illegaliteit. Via zijn zoon Ernst Lodewijk (1901–1942) raakte hij betrokken bij de Parool-groep. Hij diende de medewerkers van deze krant regelmatig van advies.*41 Ronduit moedig was zijn optreden ten bate van de vierhonderd joodse jongeren die H.A. Rauter (1895–1949), Höherer SS- und Polizeiführer en Generalkommissar für das Sicherheitswesen, via Buchenwald naar het Oostenrijkse kamp Mauthausen had gestuurd. Zijn interventie heeft weinig uitgehaald. Slechts twee van de 400 overleefden het kamp. Visser werd in december 1940 voorzitter van de Joodsche Coördinatie Commissie (JCC). Deze wees onder leiding van Visser principieel iedere vorm van samenwerking met de bezetter af.*42

Viehoff, Wedeven en Heymeijer wezen, tot woede van de bezetter (en meer nog van zijn Nederlandse handlangers), twee principiële arresten. Dezelfde principiële opstelling koos de Arnhemse kortgedingrechter F.J.M. van Nispen tot Sevenaer (1894–1956), die in een uitspraak van 4 september 1944 – anders dan de Hoge Raad in het Toetsingsarrest –*43 de mogelijkheid tot toetsen door de rechterlijke macht uitdrukkelijk openliet:

(...) dat het nu niet uitgesloten lijkt, dat de burgerlijke kamer van de H.R. (...) een van die van 1942 afwijkende beslissing zal geven en toetsing der verordening toelaatbaar zal achten (...).

Hij gaf hiermee – in de woorden van Barendsen en Venema – de bezetter, de NSB en – zo voeg ik eraan toe – de Hoge Raad een oorveeg.*44

Een aantal rechters kreeg tijdens de oorlog ontslag. Zo ontving de president van de rechtbank Leeuwarden, C.W. Stheeman (1874–1954), al in 1941 ontslag, omdat hij in een vonnis de uitdrukking ‘Commissaris der Koningin’ had gebruikt. Een groter aantal rechters nam ontslag. H. Haga (1885–1965), A.L.M. van Berckel (1890–1973) (beiden raadsheer in het hof ’s-Gravenhage) en P.G.M. van Meeuwen (rechter bij de rechtbank ’s-Gravenhage) vertrokken op 15 oktober 1941, 1 november 1941 en 22 december 1941 als protest tegen de invoering van de vrederechtspraak.*45 Hun voorbeeld werd in 1943 gevolgd door de procureur-generaal bij de Hoge Raad, W.J. Berger (1883–1953), die de kwestie van de arbeidsinzet heeft aangegrepen om zijn ambt vaarwel te zeggen en in 1944 door raadsheer in de Hoge Raad, J. Donner (1891–1981) die zijn gewetensbezwaren tegen de invoering van het leidersbeginsel in de Rechtspraak te baat nam om ontslag te vragen.*46 De drie Amsterdamse raadsheren Verdam, Van der Does de Willebois en E.H.F.W. van Schaeck Mathon legden in februari 1945 het werk neer na de executie van Dons en Hülsmann door de bezetter.*47 Het strekt – terzijde – de Amsterdamse raadsheren tot eer dat zij hun ontslagen Friese collega’s Viehoff en Wedeven financieel hebben ondersteund. Zij hadden daartoe in 1943 een Steunfonds voor de Rechterlijke Macht opgericht. In totaal is in dit fonds 8600 gulden en 50 cent gestort. Van dit bedrag is 4900 gulden en 50 cent afkomstig van de Amsterdamse raadsheren. De Leeuwarder raadsheren hebben het leeuwendeel van dit bedrag ontvangen, te weten 6700 gulden.*48 De betalingen aan hen zijn tot de bevrijding doorgegaan. De Amsterdamse raadsheer H.D. Feenstra (1886–1967) meldde in een brief van 4 mei 1945 dat Viehoff nog steeds in Het Gooi zat en Wedeven in Leeuwarden (“Ik heb tenminste kort voor de bevrijding nog geld daarheen laten brengen”).*49

Bij deze opsomming van moedige Nederlandse rechters laat ik het. Er zijn er meer geweest. Na de oorlog kregen zij meestal als rechter een rol in de bijzondere rechtspleging.

De opstelling van de drie Friese raadsheren was in het gezelschap van de Nederlandse rechters inderdaad opmerkelijk. Weinig rechters hebben tijdens de bezetting hun nek durven uitsteken.


Slotopmerkingen

Ik kom tot een afronding. Na de installatie op 27 november 1945 van de leden van het Friese hof sprak de president, R.P. Cleveringa (1887–1972), de volgende woorden:*50

“Fier en onversaagd is eveneens de houding geweest van mr. Viehoff, mr. Wedeven en mr. Heymeijer, die als raadsleden [lees: raadsheren] van het Hof in April ’43 niet geaarzeld hebben om voor de onafhankelijkheid van het recht tegenover de Duitschers op te komen. Hun openlijk verzet heeft toen in den lande groote bewondering gewekt.”

De opstelling van de drie Friese raadsheren was in het gezelschap van de Nederlandse rechters inderdaad opmerkelijk. Weinig rechters hebben tijdens de bezetting hun nek durven uitsteken. De geschiedenis van toen bevat een les, een boodschap, voor nu. Want zoals de Groningse rechtshistoricus Lokin al zei: “Geen geslaagde rede zonder een boodschap. (...) Want daar zijn de Nederlanders dol op.”*51 Ik weet niet of wij het nu er beter vanaf zullen brengen. Het is echter goed te bedenken dat er voor iedere jurist een moment kan komen dat een krachtig nee op zijn plaats is, dat de tijd is aangebroken om de rug recht te houden, bijvoorbeeld als de menselijke waardigheid in het geding is. Zij mag geen speelbal worden van de politiek. Viehoff, Wedeven en Heymeijer maar ook Visser beseften dat als geen ander. Zij streden voor de handhaving van die menselijke waardigheid. Zij zijn nog steeds rechterlijke rolmodellen.

Hof Leeuwarden 25 februari 1943, NJ 1951/643. De late publicatie met onderschrift van W.P.J. Pompe gebeurde n.a.v. het overlijden van de raadsheer Viehoff. Zie over dit arrest vooral P.E. Mazel, In naam van het Recht. De Hoge Raad en de Tweede Wereldoorlog, Arnhem: Gouda Quint 1984, p. 94 e.v.; H.L.C. Hermans, Om des gewetens wille. De geschiedenis van een arrest in oorlogstijd, Leeuwarden: Friese Pers Boekerij 2003; D. Venema, Rechters in oorlogstijd. De confrontatie van de Nederlandse rechterlijke macht met nationaal-socialisme en bezetting, Den Haag: Boom juridische uitgevers 2007, p. 228-230; C.J.H. Jansen, De Hoge Raad en de Tweede Wereldoorlog. Recht en rechtsbeoefening in de jaren 1930–1950, Amsterdam: Boom 2011, p. 134 e.v.; Y. Buruma, ‘Moedige rechters. Leeuwarden 1943’, in: J. van den Eijnde et al. (red.), Moed. Verhalen van gewone mensen in ongewone omstandigheden, Amsterdam: Balans 2016, p. 75-95.

Hermans, a.w. (2003), p. 91 en 93.

Citaten ontleend aan NIOD, Doc II (249), inv.nr. 584b: Ommen, Map B, b-6; brief van Viehoff aan Wassenbergh 26 februari 1943. De brief is afgedrukt in Hermans, a.w. (2003), p. 112.

‘Een moedig vonnis’, De Vrije Stem 15 maart 1943. Zie voor andere reacties uit de illegale pers Hermans, a.w. (2003), p. 130-132.

Ministerie van Justitie, Kabinetsarchief, inv.nr. 1815 (kamp Erika te Ommen). Vanaf 18 maart 1943 stroomden de adhesiebetuigingen van de rechtbanken en de hoven bij secretaris-generaal Schrieke binnen.

Ministerie van Justitie, Kabinetsarchief, inv.nr. 1815; brief van A. Semplonius (procureur-generaal bij het hof Leeuwarden en NSB’er) aan J.J. Schrieke 3 april 1943 (over de tweede uitspraak van Viehoff c.s.) en brief van J.J. Schrieke aan W. Seiffert 27 april 1943 (over de Utrechtse situatie).

NIOD, Doc II (249), inv.nr. 584b: Ommen, Map B, b-3; brief van Wassenbergh aan Taverne 28 april 1943.

Nationaal Archief (NA), Hoge Raad 1940–1979, 2.09.65, inv.nr. 2608; zie eveneens Ministerie van Justitie, Kabinetsarchief, inv.nr. 1815.

Brief van Losecaat Vermeer aan Cleveringa 11 november 1943, opgenomen in D. Venema, L. de Groot-van Leeuwen & Th. Mertens (red.), Onder de huidige omstandigheden. De Hoge Raad en het Toetsingsarrest 1942, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2008, p. 83.

Historisch Centrum Overijssel (Zwolle), Archief W.E.J. Tjeenk Willink, inv.nr. 107, brief aan Losecaat Vermeer en Taverne 25 maart 1943; inv.nr. 286, brief van Taverne 6 april 1943; inv.nr. 287, brieven van Losecaat Vermeer 26 maart en 6 april 1943.

Verordening 108/1940 bevatte volgens Taverne slechts een bevoegdheidsverdeling tussen de rijkscommissaris en de secretaris-generaal en “niemand heeft in deze reeds in Aug. 1940 gegeven Verord. gezien het einde van de onafzetbaarheid des rechters”. NIOD, Doc II (249), inv.nr. 584b: Ommen, Map B, b-6; brief van Taverne aan Wassenbergh 27 april 1943.

Nota van Taverne, ontleend aan H.L.C. Hermans, Een ambitieuze jurist in gevaarlijk vaarwater. Johannes van Loon. President van de Hoge Raad in oorlogstijd, Den Haag: Sdu

Archief Hoge Raad (Den Haag), Notulen van de Algemeene Vergadering van de Hoge Raad 27 mei 1943.

Brief van Van Loon, ontleend aan Hermans, a.w. (2008), p. 136-138.

NIOD, Archief Generalkommissar für Verwaltung und Justiz (20), inv.nr. 762 en 2383.

Archief Hoge Raad (Den Haag), Notulen van de Algemeene Vergadering van de Hoge Raad van 27 mei 1943.

NIOD, Archief Generalkommissar für Verwaltung und Justiz (20), inv.nr. 762 en 2383; brief van de Hoge Raad van 22 juni 1943 aan Dr. Seyss-Inquart. Tevens afgedrukt in Hermans, a.w. (2003), p. 136-139.

Mazel, a.w., p. 111-112; Hermans, a.w. (2003), p. 139-142.

NIOD, Doc II (249), inv.nr. 584b: Ommen, Map B, b-3; brief van Taverne aan Wassenbergh 18 april 1943. Taverne doelde met de ‘ontslag-quaestie’ op het ontslag van de Leeuwarder raadsheren.

Hermans, a.w. (2008), p. 65.

NA, zuivering Justitie, 2.09.68, inv.nr. 88; brief van Losecaat Vermeer aan R.P. Cleveringa 4 oktober 1943; ook opgenomen in Venema, De Groot-van Leeuwen & Mertens, a.w., p. 76; J. Donner, Memoires tot 1946 (niet gepubliceerd), p. 100.

N.C.M.A. van den Dries, De Hooge Raad der Nederlanden tijdens de bezetting, Leiden: E.J. Brill 1945, p. 49 en 50-51.

Ontleend aan: Algemeen Handelsblad 11 oktober 1945, p. 3. Ook Het Parool 11 oktober 1945, voorpagina. De brief komt in grote lijnen overeen met de kerngedachte uit de brochure van Van den Dries. Zie NA, zuivering Justitie, 2.09.68, inv.nrs. 111/113/116.

Zie ook C.J.H. Jansen, ‘De opstelling van Nederlandse juristen en ambtenaren tijdens en na de bezetting’, RM Themis 2017, p. 77 e.v.

Zie C.J.H. Jansen, De lotgevallen en dilemma’s van het Hof Amsterdam tijdens de bezetting, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2013 en P.C. Kop, Slachtoffers van het Duitsche geweld, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2014. Drie Amsterdamse raadsheren legden het werk neer.

‘Ridders van de droevige figuur’, Trouw (derde jaargang, nr. 3) midden maart 1945, p. 2. Ook overgenomen in andere illegale bladen zoals Het Dagblad (Vincit Amor Patriae) van 4 april 1945.

‘Onze Rechterlijke Macht in Oorlogstijd’, De Typhoon 18 maart 1945, p. 2. Zie ook ‘De S.D. vermoordde twee rechters, eenige juristen protesteerden ...’, Het Parool 13 maart 1945, p. 3.

J.A.W. Burger, Oorlogsdagboek, Amsterdam: Uitgeverij Bert Bakker 1995, p. 207.

M. Fennema & J. Rhijnsburger, Dr. Hans Max Hirschfeld. Man van het grote geld, Amsterdam: Uitgeverij Bert Bakker 2007, p. 106, 112-113 en 135 e.v.

Venema, a.w., p. 389-392.

Niet alle rechtspraak is gepubliceerd. Deze kamer bestond uit de NSB’er H.A. Idema (1891–1966), de NSB’er S.A. van Lunteren (1882–1968) en de ‘deutschfreundliche’ H.F.A. Völlmar (1895–1966).

Van den Dries, a.w., p. 10 en 59. De bewering van Van den Dries dat zich geen combinaties hebben voorgedaan met een meerderheid van door de bezetter benoemde raadsheren, klopte overigens niet. Zie Mazel, a.w., p. 51, noot 5.

NA, CABR, 2.09.09, inv.nr. 55074; proces-verbaal van Verhoor van Tj. Dorhout Mees en J. Verdam. Daarnaast kende het hof Amsterdam nog twee NSB-raadsheren: W.A. Ubbens en J. Kampstra.

Zie over hen Hermans, a.w. (2003), p. 60-63 (Okken), 143-147 (Maitland), 146-147 (Okken en Ten Raa), 164-165 (Okken) en 164 e.v. (Ten Raa). Hermans maakt geen melding van ‘foute’ arresten.

Jansen, a.w. (2011), p. 329-330. Zie ook Jansen, a.w. (2013), p. 11-12.

NIOD, Archief J. Verdam, 212h, inv.nr. 14: brief van J. van der Does de Willebois aan J. Verdam 5 september 1943.

J. Tuchel, ‘Von Möglichkeiten und Grenzen des Widerstandes von Richtern und Staatsanwälten’, in: H. Maas (red.), Furchtlose Juristen. Richter und Staatsanwälte gegen das NS-Unrecht, München: C.H. Beck 2017, p. 28. Zie al eerder G. van Roon, Het Duitse verzet tegen Hitler, Utrecht: Bruna 1968 en recent Die Rolle der Juristen im Widerstand gegen Hitler. Festschrift für Friedrich Justus Perels, Baden-Baden: Nomos 2017.

Zie ook Jansen, a.w. (2011), p. 330. Het aantal pro-Duitse juristen met een Nederlands-Indische achtergrond was groot. Zie Jansen, a.w. (2013), p. 23. Ook J. Meihuizen, Smalle marges. De Nederlandse advocatuur in de Tweede Wereldoorlog, Amsterdam: Boom 2010, p. 307, noot 62.

Tuchel, a.w., p. 22 en 27.

Tuchel, a.w., p. 30.

Zie C. Glaudemans, Mr. Dr. L.E. Visser (1871–1942), Stichting Joods Erfgoed Den Haag (21 januari 2015), raadpleegbaar via internet. Zie ook E.M.H. Hirsch Ballin, Tegen de stroom. Over mensen en ideeën die hoop geven in benarde tijden, Amsterdam: Querido 2016.

Ontleend aan: C.J.H. Jansen, ‘Facetten uit het bewogen leven van Lodewijk Ernst Visser (1871–1942)’, in: L. de Groot-van Leeuwen et al. (red.), Het verhaal van de rechter. Over de plaats van de rechter in literatuur, samenleving en rechtszaal. Liber amicorum J.D.A. den Tonkelaar (serie Staat en Recht, deel 38), Deventer: Kluwer Wolters 2018, p. 143 e.v.

NJ 1942/271.

NJ 1944/1945, 653. Zie J. Barendsen & D. Venema, De rechtbank Arnhem en de Duitse bezetting, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2004, p. 59 e.v.

Zie uitvoerig Hermans, a.w. (2003), p. 21 e.v. en G.Chr. Kok, ‘Mr. H. Haga (1885–1965) en Mr. A.L.M. van Berckel (1890–1973). Twee moedige raadsheren tijdens de bezetting en bij de instelling van het Vredegerechtshof’, in: G.Chr. Kok, In dienst van het recht. Uit de geschiedenis van het Gerechtshof ’s-Gravenhage en de daaraan vooraf gegane hoven (1428–heden), Hilversum: Verloren 2005, p. 125 e.v.; Jansen, a.w. (2011), bijv. op p. 112 en 323 e.v.

Over hem: J. de Ruiter, Jan Donner jurist. Een biografie, Amsterdam: Boom 2003, p. 137 e.v. (over Donners rol in het kerkelijk verzet) en 212 e.v.

Zie Jansen, a.w. (2013), p. 26.

NIOD, Archief J. Verdam, 212h, inv.nr. 24: Rekening en verantwoording Steunfonds voor de Rechterlijke Macht 17 mei 1945.

NIOD, Archief J. Verdam, 212h, inv.nr. 22: brief van H.D. Feenstra aan J. Verdam 4 mei 1945. Zie Hermans, a.w. (2003), p. 129, noot 236: Viehoff verbleef vanaf 15 juni 1943 tot 10 mei 1945 op verschillende adressen in Laren (Noord-Holland) en Wedeven was vanaf 31 mei 1943 hoofdzakelijk thuis in Leeuwarden.

‘Installatie Gerechtshof’, Friesch Dagblad 28 november 1945, p. 2.

J.H.A. Lokin, ‘Vaderlands, Nationaal en Europees. Jubelrede, uitgesproken op zaterdag 29 januari 2011 in de Martinikerk te Groningen’, Groninger Opmerkingen en Mededelingen 2011, p. 12.

Top