02 2018

Naschrift

Van een algehele gemeenschap van goederen naar een beperkte gemeenschap van goederen

In het oktobernummer van Trema 2017 verscheen het artikel ‘Van een algehele gemeenschap van goederen naar een beperkte gemeenschap van goederen’ van mr. F. Kleefmann. In onderstaande bijdrage brengt de auteur een nuancering aan op zijn artikel. Tevens bespreekt hij nog een adder onder het gras.

Van een algehele gemeenschap van goederen naar een beperkte gemeenschap van goederen

In het oktobernummer van Trema heb ik in mijn bijdrage ‘Van een algehele gemeenschap van goederen naar een beperkte gemeenschap van goederen’ aandacht besteed aan de recente wijzigingen in het huwelijksvermogensrecht. Met betrekking tot het onderwerp schulden en schuldeisers schreef ik onder meer dat onder het nieuwe standaardstelsel art. 1:94 lid 7 BW de omvang van de passiefzijde van de gemeenschap weergeeft. Art. 1:94 lid 7 BW luidt als volgt:

De gemeenschap omvat, wat haar lasten betreft, alle vóór het bestaan van de gemeenschap ontstane gemeenschappelijke schulden, alle schulden betreffende goederen die reeds vóór de aanvang van de gemeenschap aan de echtgenoten gezamenlijk toebehoorden, en alle tijdens het bestaan van de gemeenschap ontstane schulden van ieder van de echtgenoten, met uitzondering van schulden:

a. betreffende van de gemeenschap uitgezonderde goederen;
b. die behoren tot een nalatenschap waartoe een echtgenoot is gerechtigd;
c. uit door een van de echtgenoten gedane giften, gemaakte bedingen en aangegane omzettingen als bedoeld in artikel 126, eerste lid en tweede lid, onderdelen a en c, van Boek 4.

Met betrekking tot art. 1:94 lid 7 BW geeft de gewijzigde memorie van toelichting aan dat het zevende lid ongewijzigd is overgenomen van het vijfde lid (oud).*1 Ik schreef op grond daarvan in mijn bijdrage dat per saldo de omvang van de passiefzijde van de gemeenschap ongewijzigd blijft. Een als vrijwilliger aan de Stichting STEK te Den Haag*2 verbonden budgetcoach wees mij er terecht op dat mijn opmerking een nuancering behoeft. Graag breng ik deze nuancering aan. Voorts bespreek ik nog een adder onder het gras van het nieuwe art. 1:96 lid 3 BW.

Naar ervaring van schuldhulpverleners zijn dé grote schuldeisers in situaties van problematische schulden: 

  • de Staat, vanwege belastingen, boetes, vorderingen van ten onrechte ontvangen uitkeringen en toeslagen enz. met de daarbij komende administratieve boetes en incassokosten;
  • de DUO (Dienst Uitvoering Onderwijs), vanwege studiefinanciering en te laat inleveren van de studenten-ov-jaarkaart;
  • leveranciers van energie- en telecommunicatiediensten;
  • woningcorporaties vanwege achterstallige huurtermijnen;
  • zorgverzekeraars en na wanbetaling Zorginstituut Nederland.

In het geval dat schulden aan deze en eventuele andere schuldeisers vóór het huwelijk zijn ontstaan, zijn dit (meestal) geen gemeenschappelijke schulden omdat zij vaak zijn ontstaan voordat de echtgenoten elkaar kenden of samenwoonden. In de regel betreffen zij evenmin schulden betreffende goederen die reeds vóór de aanvang van de gemeenschap aan de echtgenoten gezamenlijk toebehoorden. Volgens het nieuwe art. 1:94 lid 7 BW zullen deze schulden dan ook, behoudens enkele uitzonderlijke gevallen, niet in de gemeenschap vallen. Dat was anders onder het oude art. 1:94 lid 5 BW: daar vielen voornoemde schulden wél in de gemeenschap.

Dan nu de adder onder het gras van het nieuwe art. 1:96 lid 3 BW voor personen die na 1 januari 2018 zijn gehuwd zonder huwelijkse voorwaarden te maken. De eerste twee volzinnen van dit artikel luiden:

Het verhaal op de goederen van de gemeenschap voor een niet tot de gemeenschap behorende schuld van een echtgenoot is beperkt tot de helft van de opbrengst van het uitgewonnen goed. De andere helft komt de andere echtgenoot toe en valt voortaan buiten de gemeenschap.

Voor schulden die buiten de gemeenschap vallen, zoals de hiervoor genoemde voorhuwelijkse problematische schulden van de ene echtgenoot, kan een gemeenschapsgoed voor de helft worden uitgewonnen. Loonopbrengsten van beide echtgenoten vallen in de gemeenschap van goederen. Dat kan betekenen dat voor de helft loonbeslag kan worden gelegd op de helft van het loon van de andere echtgenoot (behoudens de beslagvrije voet). Op die manier kunnen de schulden van de ene echtgenoot toch weer via deze uitwinning ten nadele van de andere strekken. Doordat ook het loon van de echtgenoot-niet-schuldenaar tot de beslagvrije voet geraakt kan worden door de inning van een voorhuwelijkse schuld van de andere echtgenoot, kan de financiële huishouding van de zonder het maken van huwelijksvoorwaarden gehuwden in zwaar weer komen, met het ontstaan van nieuwe schulden als gevolg. Dit zal naar verwachting leiden tot een toename van WSNP-verzoeken, of indien er al een WSNP-traject loopt, tot de tussentijdse beëindiging ervan vanwege het ontstaan van nieuwe schulden. Als een of beide toekomstige echtgenoten in een problematische schuldensituatie verkeren, kan het gelet op het voorafgaande na 1 januari 2018 aanbeveling verdienen om bij huwelijksvoorwaarden uitsluiting van iedere gemeenschap overeen te komen. Indien de kosten daarvan een belemmering zouden opleveren, kan ter matiging van het tarief van de notaris wellicht art. 56 Wet op het notarisambt worden ingeroepen.*3

Kamerstukken II 2014/15, 33987, 6, p. 16.

Stichting Stek te Den Haag is de uitvoeringsorganisatie van de Protestantse Diaconie en de Protestantse Gemeente Den Haag, zie www.stekdenhaag.nl.

“1. De voorzitter van de kamer voor het notariaat kan op verzoek van een belanghebbende wiens financiële draagkracht de in artikel 34 van de Wet op de rechtsbijstand genoemde bedragen niet overschrijdt, een in het desbetreffende ressort gevestigde notaris opdragen de in het tweede lid genoemde ambtelijke werkzaamheden te verrichten tegen een bedrag waarvan de maximumhoogte het bedrag is van de ingevolge de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 35, tweede lid, van de Wet op de rechtsbijstand, hoogst mogelijke eigen bijdrage.
2. Het eerste lid is van toepassing op werkzaamheden met betrekking tot:
a. notariële akten houdende testament, huwelijkse voorwaarden, partnerschapsvoorwaarden, samenlevingsovereenkomst en voogdijbenoeming; (...).”

Top