02 2018

DE VINDPLAATS

Spoorwegongeluk De Vink

In de rechtspraak worden grote en kleine zaken berecht die vaak nauw verbonden zijn met de plaats van handeling. In de rubriek ‘De Vindplaats’ keren leden van onze redactie of gastschrijvers terug naar de plaats van handeling in een soms meer, soms minder geruchtmakende zaak. Foto’s tonen de vindplaats en een toelichting memoreert de rechtszaak.

Spoorwegongeluk De Vink

Prentkaart van De Vink uit omstreeks 1910.


Tussen Leiden en Voorschoten ligt de buurtschap De Vink. Er is sedert 1985 een treinhalte en ook vroeger bestond er een halteplaats De Vink. Die lag iets dichter bij Leiden, vlak bij de brug over de Rijn.*1 De Vink was in de eerste helft van de 20ste eeuw bekend in de wijde omgeving omdat er twee populaire uitspanningen met speeltuinen waren, terwijl het die treinhalte had én op makkelijke fietsafstand van Leiden en Den Haag ligt.

Het leek alsof de trein over grind reed en dit stuk stootte. Machinisten vertrouwden het traject niet.

Er werd in 1926 ter hoogte van De Vink gewerkt om het drukbereden spoor tussen Rotterdam, Den Haag en Leiden bruikbaar te maken voor elektrische treinen. Daartoe werd onder meer de ballast, het grove grind, onder de rails vervangen. Er was toen iets vreemds aan de hand met het spoor. Het Kamerlid Schaper heeft erover gezegd – de Tilburgsche Courant drukte het af – dat als hij met de trein over de plek reed die vernieuwd was of werd, het leek alsof de trein over grind reed en dit stuk stootte. Machinisten vertrouwden het traject niet. Aangedrukt zand wordt stevig, maar aangedrukt grind versplintert in zo grote mate dat het volume van het grindbed, de ballast, aanzienlijk kleiner wordt. Met andere woorden, de rails kunnen gaan ‘zweven’. Dat gebeurde en het leidde tot een ernstig ongeluk op donderdagmiddag 9 september 1926.

Sneltrein 218 was op die middag om 14.21 uur vertrokken van Delftsche Poort in Rotterdam om via Den Haag Hollandsch Spoor naar zijn eindstation Amsterdam Centraal te rijden. De eerste stop van de trein na Hollandsch Spoor was Leiden en ter hoogte van De Vink, even voorbij Voorschoten, reed hij 85 à 90 km/u. De hoofdconducteur R. Nauta heeft later verklaard dat hij toen hij het uitrijsignaal bij Voorschoten en iets later het signaal bij De Vink in de veilige stand had zien staan, een knal hoorde, waarna de trein hevig begon te schudden en de zware locomotief binnen enkele seconden op zijn kant viel, over het spoor in tegenovergestelde richting, terwijl het ‘buitenbeen’ – de buitenste rail – van de lijn waarop hij reed, gebogen over de locomotief heen kwam te liggen. In de gekantelde locomotief, waarin brand ontstond, kwamen een instructeur en een leerling-machinist om. De tender, een postrijtuig en de daarop volgende wagon kapseisden eveneens.

Ze zien dan dat de coupé versplinterd is. Van het echtpaar dat erin zat, overlijdt de man vrijwel direct, zijn vrouw een uur later. Dit echtpaar was destijds beroemd.

Spoorwegongeluk De Vink

Ongeluk spoorlijn De Vink.
Bron: spoorwegmuseum


We concentreren ons op deze wagon (NS AB 5106). Op foto’s is te zien dat na het ongeluk het voorste gedeelte van de zware wagon – een tweedeklascompartiment – vrijwel weggevaagd was. Als hoofdconducteur Nauta na de klap van de ontsporing bijkomt, merkt hij dat hij in een sloot is terechtgekomen, net als een passagier. Die passagier heeft in de voorste tweedeklascoupé gezeten, waar hij in gesprek was met een echtpaar. De passagier en Nauta stellen vast dat die mensen nog in de wagon moeten zijn, maar ze zien dan dat de coupé versplinterd is. Van het echtpaar dat erin zat, overlijdt de man vrijwel direct, zijn vrouw een uur later.

Spoorwegongeluk De Vink

Greta Lobo-Braakensiek had twee kinderen uit een eerder huwelijk, onder wie de minderjarige Benjamin Richard. Zijn voogd spreekt de H.IJ.S.M. aan en wordt bovendien als tussenkomende partij toegelaten in de procedure van NV Verzekeringsbank de Nieuwe Eerste Nederlandsche tegen de H.IJ.S.M., waarop beide zaken gevoegd worden. 

Echtpaar David Jessurun Lobo en Greta Lobo-Braakensiek.
Bron: Leidsch Dagblad 10 september 1926


We bekijken eerst hoe het de namens Benjamin Richard ingestelde vordering verging. Hij stelt onder meer het volgende. David Jessurun Lobo, die het eerst overleed, heeft geleden onder het letsel dat hij had opgelopen en zou zijn werk als toneelspeler niet meer hebben kunnen doen door dat zware letsel. Daarmee had Lobo een vordering op de H.IJ.S.M. verkregen, die bij zijn overlijden overging op zijn eveneens zwaar gewonde echtgenote. Toen zij overleed, kwamen zijn vordering en de soortgelijke van Lobo-Braakensiek aan haar zoons, dus voor de helft aan Benjamin Richard. De hier bedoelde, op art. 1407 (oud) BW gebaseerde vordering wordt echter afgewezen. Dit onderdeel van het geschil eindigt bij het hof, kort gezegd omdat de redenering van Richard dat Lobo en Lobo-Braakensiek schade hebben geleden en recht hadden op schadevergoeding – inclusief de vergoeding voor de arbeidsongeschiktheid –is achterhaald door hun beider overlijden binnen zeer korte tijd na het ongeluk.

Een tweede grondslag van zijn vordering vormt art. 1406 (oud) BW:

In geval van moedwilligen of onvoorzigtigen doodslag, hebben de overblijvende echtgenoot, de kinderen of de ouders van den nedergeslagene, die door zijnen arbeid plegen te worden onderhouden, eene rechtsvordering tot schadevergoeding, te waarderen naar gelang van den wederzijdschen stand en de fortuin der personen, en naar de omstandigheden.

Waar vaststaat dat Richard door de arbeid van zijn moeder werd onderhouden, oordelen rechtbank en hof dat hem op deze grond een vordering tot schadevergoeding toekomt, waarvan de omvang moet worden begroot.

Dit echtpaar was destijds beroemd: David Jessurun Lobo (1884–1926) en Margaretha Wilhelmina Lobo-Braakensiek (1882–1926) waren bekende acteurs. Hun beeltenissen zijn nog te zien op een plaquette in de Amsterdamse Stadsschouwburg, waar de openbare rouw zich in 1926 concentreerde. Voor de omgekomen David Jessurun Lobo en Greta Lobo-Braakensiek was een chapelle ardente ingericht in de rotonde van de Stadsschouwburg en vanuit de schouwburg vond hun uitvaart plaats. Het Algemeen Handelsblad typeerde David Jessurun Lobo als een “fijn typeerend kunstenaar”. Greta Lobo-Braakensiek was een natuurtalent, “echt in haar smart, echt in haar vreugde, echt in haar humor”, volgens de directeur van Het Vereenigd Tooneel bij een herdenkingswoord voorafgaand aan de eerste voorstelling in de Stadsschouwburg nadat haar overlijden bekend was geworden.

Op krantenfoto’s uit die dagen zien wij alle grote toneelnamen van ons land aanwezig bij de uitvaart van het toneelspelersechtpaar, mensen als Esther de Boer-van Rijk, Theo Mann-Bouwmeester en Albert van Dalsum. Een menigte van duizenden verzamelde zich op het Leidseplein op de dag van de uitvaart.

Dan nu de procedures. De schuld van de exploitant van het spoor, de Hollandsche IJzeren Spoorweg Maatschappij (H.IJ.S.M.), aan het ongeluk staat daarin vast. Een onderzoek door een Staatscommissie onder voorzitterschap van dr. J. Kraus, voormalig hoogleraar in Santiago en Delft en oud-Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid, heeft uitgewezen dat de slechte onderhoudstoestand van het baanvak en in het bijzonder het ballastbed, het ongeluk heeft veroorzaakt. Daarmee was het baanvak niet veilig en was de aansprakelijkheid van de H.IJ.S.M. op grond van art. 1 Spoorwegwet 1875 gegeven.

Er komen twee procedures, waarvan er één heel bekend geworden is. De uitspraken zijn gepubliceerd: Rb. Utrecht 27 februari 1929, NJ 1930/347, Hof Amsterdam 25 november 1930, NJ 1931/343 en HR 31 december 1931, NJ 1932/419, m.nt. Meijers.

Het arrest Lobo-Braakensiek is een klassieker over een nog steeds niet tot ieders tevredenheid opgelost dogmatisch probleem.

Lastiger ligt het met de procedure tussen de Verzekeringsbank en de H.IJ.S.M. De verzekeraar had gesteld dat zij ingevolge een met Lobo-Braakensiek gesloten overeenkomst “van verzekering tegen schade uit ongevallen bij spoorramp” aan haar twee erfgenamen ƒ 5000,= heeft uitgekeerd, dat Richard gerechtigd was ter zake van de dood van zijn moeder een schadevordering tegen de H.IJ.S.M. in te stellen en dat Verzekeringsbank door de uitkering voor ƒ 2500,= in zijn rechten is getreden tegenover de H.IJ.S.M. De polis vermeldt echter, zo is in het rechtbankvonnis te lezen, dat de uitkering van ƒ 5000,= bij overlijden geschiedt “bij overlijden (...) aan de erfgenamen of rechtverkrijgenden van de verzekerde, terwijl”, zo vervolgt de rechtbank, “niet is omschreven dat deze uitkeering bedoeld is als schadeloosstelling voor die erfgenamen of rechtverkrijgenden, die tijdens het leven van de verzekerde uit de inkomsten der verzekerde voordeel plachten te trekken”. Daarmee is volgens de rechtbank het betoog van Verzekeringsbank, dat immers erop leek te duiden dat zij verplicht was precies die schade te vergoeden die Richard had geleden, onjuist. Haar vordering wordt afgewezen. Het hof volgt de rechtbank hierin met een iets bredere formulering, waarin de uitkering op grond van deze soort ongevallenverzekering wordt vergeleken met de uitkering uit een levensverzekering. Het gaat om de uitkering van een som die is bepaald door de partijen bij de verzekeringsovereenkomst en niet om een uitkering waarvan het bedrag op grond van de specifieke schade van de begunstigde wordt vastgesteld. Het verband dat het oude subrogatieartikel 284 W.v.K. veronderstelde, namelijk dat de verzekeraar dezelfde schade aan de verzekerde betaalde uit hoofde waarvan de verzekerde ook een vordering op een derde had, ontbrak. Dit onderdeel heeft het arrest Lobo-Braakensiek – waarbij heel wat studenten gedacht zullen hebben dat Lobo tegen Braakensiek procedeerde – tot een klassieker gemaakt, een klassieker bovendien over een nog steeds niet tot ieders tevredenheid opgelost dogmatisch probleem.

De Hoge Raad volgt A-G Besier en verwerpt het cassatieberoep. En daar waren in 1931 niet veel woorden voor nodig. De Hoge Raad overweegt dat:

(...) blijkens de bovenvermelde overwegingen van het Hof is komen vast te staan, dat de ten behoeve van de erfgenamen van Braakensiek bedongen uitkeering van ƒ 5000,=, ingeval deze tengevolge van een spoorwegongeluk kwam te overlijden, ingevolge de gesloten overeenkomst tot het vastgestelde bedrag verschuldigd is onverschillig of al dan niet schade is geleden;

dat onder die omstandigheden het Hof terecht art. 284K. buiten toepassing heeft gelaten;
dat dit wetsvoorschrift betrekking heeft op den verzekeraar, die de schade van een verzekerd voorwerp betaald heeft, en bepaalt, dat deze verzekeraar treedt in alle rechten, welke de verzekerde, ter zake van die schade, tegen derden mocht hebben;
dat de strekking van het wetsvoorschrift geene andere is dan zoowel om te voorkomen, dat de verzekerde ter zake van dezelfde schade èn van den verzekeraar èn van derden vergoeding zou ontvangen als ook om den samenloop van vergoedingsplichten van dezelfde schade te regelen;
dat derhalve zoowel de woorden van het wetsvoorschrift als zijne strekking zich verzetten tegen de toepassing op eene verzekering, krachtens welke de verzekeraar niet tot vergoeding van schade maar tot uitkeering van eene vaste som onafhankelijk van geleden schade gehouden is (...).

De verzekering was een sommenverzekering en daarom kon er geen sprake zijn van subrogatie. Meijers wijst er in zijn noot in de NJ op dat de Hoge Raad hier de in Nederland, maar bijvoorbeeld ook in Duitsland en Frankrijk heersende leer volgde. Hij noemt onder meer Molengraaff en Cleveringa als aanhangers daarvan, maar onder de tegenstanders bevinden zich ook geen kleine jongens, zoals Dorhout Mees en ... Meijers zelf. Hij beschouwt de beslissing van de Hoge Raad als onbillijk, acht de heersende leer niet houdbaar en doet suggesties om door kort gezegd in de desbetreffende verzekeringsovereenkomsten het bestaan van een schadevergoedingselement te benadrukken, via de overeenkomsten een situatie gebruikelijk te maken die subrogatie mogelijk maakt en de wetgever uiteindelijk overstag zal doen gaan. Nog steeds echter zien we dat het verzekeringsrechtelijke subrogatieartikel, art. 7:962 BW, in de afdeling over schadeverzekering staat en geen pendant heeft bij de sommenverzekering.

Spoorwegongeluk De Vink

Spoorlijn ter hoogte van het ongeluk najaar 2017.
Bron: fotograaf Hans den Tonkelaar


Nog steeds bestaat er geen communis opinio, zie bijvoorbeeld A.T. Bolt, GS Schadevergoeding, onder ‘5.10 De sommenverzekeraar’, waarin voor- en tegenstanders van de door de Hoge Raad en de wetgever gevolgde opvatting worden genoemd. De desbetreffende paragraaf eindigt met:

Verdedigd wordt wel dat de subrogatiebepaling (...) behoort te worden toegepast op een sommenverzekeraar indien en voor zover deze met de krachtens de verzekeringsovereenkomst uit te keren som de schade van de verzekerde vergoedt.

Onder de verdedigers die worden genoemd, komen we behalve Bolt zelf en Dorhout Mees ook Meijers in zijn noot onder Lobo-Braakensiek tegen.

Top