02 2018

Het proces-verbaal en de civiele mondelinge behandeling

Nu de mondelinge behandeling een steeds prominentere rol is gaan innemen, is een goed uitgewerkt proces-verbaal essentieel. Het belang hiervan wordt nog groter als we kijken naar de visie op het proces die blijkt uit het advies van de Expertgroep Modernisering Burgerlijk Bewijsrecht. Voorts vormt de aanwezigheid van een deugdelijk verslag van wat zij hebben gezegd een deel van de beleving van een rechtvaardige civiele procedure door de procespartijen. Het vaak gehoorde argument dat het opstellen van verklaringen voor een proces-verbaal (p.v.) te tijdrovend is, is niet valide. De civiele (kanton)rechter moet ruimhartiger met het opstellen van een inhoudelijk p.v. omgaan.

Het proces-verbaal en de civiele mondelinge behandeling

Fotograaf: Ralf van der Pijl


De mondelinge behandeling in de civiele procedure  

Nederland oraliseert. Snijders gebruikte de uitdrukking in zijn noot onder ’t Plenkske 2, verwijzend naar A-G Vranken, die in zijn conclusie voor het arrest opmerkte dat: “Het belang dat gehecht wordt aan het mondelinge element in de dagvaardingsprocedure (sterk is) toegenomen.”*1 Drie van de auteurs in Snijders’ Festschrift, Ahsmann, Klaassen en Smits, gaan er – op heel verschillende manieren – op in.*2 Eigenlijk kunnen we beter van re-oraliseren spreken, omdat we terugkeren naar de situatie van vóór de verschriftelijking van ons civiele proces.*3

De Hoge Raad heeft na ’t Plenkske ernst gemaakt met het oraliseren en dit van een extra eis voorzien door vanaf het Hervormingsdagarrest duidelijke regels te hanteren voor de voortdurende behandeling van de zaak door een vaste zaaksrechter.*4 KEI sluit daarbij aan in verband met de opvatting, blijkend uit de MvT bij wetsvoorstel 34059, dat de mondelinge behandeling “het hart van de nieuwe basisprocedure” vormt.*5 Volgens velen was de comparitie na antwoord dat overigens al veel langer, in ieder geval sinds 2002.*6 De zaaksrechter let op alles. Zoals Asser in zijn noot bij het Hervormingsdagarrest betoogt:*7

Partijen moeten erop kunnen vertrouwen dat de rechter alles wat in het kader van de behandeling van de zaak op haar of hem afkomt in zijn oordeelsvorming betrekt, ook de eigen innerlijke reactie van de rechter daarop, en dat de rechter als professional weet hoe met die reactie om te gaan bij de oordeelsvorming.

Om dit te laten slagen, moet de rechter dus aandacht geven aan de verbale en non-verbale communicatie in de zittingszaal, luisteren, kijken en zich concentreren op de communicatie. Maak niet ondertussen aantekeningen, zit niet op je checklist af te vinken en continu samen te vatten. En zorg dat de ondersteuning bij de zitting zo goed is, dat je echt kunt communiceren met partijen. De professionele standaarden hebben dit laatste – in ieder geval voor handelszaken, een groep die grotendeels overeenstemt met de ‘maatwerkzaken’ zoals bedoeld in de KEI-wetgeving – overgenomen.

Het belang van de mondelinge behandeling is groot en dus, lijkt een logische redenering, ook het belang van de verslaglegging daarvan.

De professionele standaarden ‘Civiele (kanton)rechter’ zijn bedoeld als normen ter borging en bevordering van de kwaliteit van de civiele (kanton)rechter.*8 De naleving ervan ligt in de handen van die rechter. Voor de toepassing van de standaarden is financiering beschikbaar gesteld. Een van de standaarden houdt in dat in handelszaken een proces-verbaal wordt opgemaakt, een zakelijke weergave van het ter zitting verhandelde. De rechter wordt daarbij ter zitting adequaat ondersteund door een griffier. Afhankelijk van de situatie of de rechter de uitspraak zelf schrijft, wordt de rechter tijdens de comparitie/mondelinge behandeling ondersteund door een juridisch medewerker die over de vaardigheden en kennis beschikt om het vonnisschrijfwerk zelfstandig uit te voeren.

Het belang van de mondelinge behandeling is groot en dus, lijkt een logische redenering, ook het belang van de verslaglegging daarvan. In dit artikel gaan wij eerst na wat de rechter na de zitting doet met de daar opgedane informatie en zo komen we op de vragen wat een proces-verbaal is en wat het behoort in te houden. Bij dit laatste lopen we tegen de rol van de rechter aan, die terughoudend pleegt te zijn in het opmaken van p.v.’s met uitgebreide verklaringen en daarbij ook nog eens het laatste woord heeft. Het leidt tot een aantal vragen die wij hierna trachten te beantwoorden.

Het proces-verbaal en de civiele mondelinge behandeling

Fotograaf: Ralf van der Pijl


Na de zitting

Na de zitting gaat de zaaksrechter met zijn of haar verzamelde informatie en indrukken een vonnis schrijven, de rechter die precies weet wat voor gezicht de gedaagde trok toen de eiser een logische en samenhangende verklaring over de totstandkoming van de overeenkomst aflegde, en ook wat zijn ‘innerlijke reactie’ daarop was. In het grootste deel van de enkelvoudig behandelde civiele zaken is daarmee de kous af. Er komt een eindvonnis en er volgt geen hoger beroep. Maar als we ons richten op de ‘maatwerkzaken’, het overgrote deel van de handelszaken en een relatief klein deel van de kantonzaken, loopt het anders. Er volgt een tussenvonnis en in een deel van de zaken volgt (later) hoger beroep. Bij een meervoudige behandeling met een rechter-commissaris ter zitting, is de kamer die vervolgens het vonnis wijst afhankelijk van diens verslag van de zitting.*9

Anders dan bij de directe afdoening door de zaaksrechter gaat in deze gevallen het proces-verbaal een rol spelen: partijen moeten verder op het spoor van het mede door de ervaringen van de rechter bij de mondelinge behandeling ingegeven tussenvonnis. De kamer die vonnis of arrest wijst, moet op het verslag kunnen vertrouwen. De appel- of cassatierechter moet weten wat er gebeurd is bij de behandeling waarop de voorliggende uitspraak mede is gebaseerd. En vóórdat die rechter aan de beurt is, moet een advocaat met zijn cliënten de behandeling kunnen nabespreken en de proceskansen mede aan de hand van wat het dossier over die behandeling zegt, opnieuw kunnen wegen. Een partijverklaring kan bovendien van invloed zijn op een andere procedure.*10 Een collega-rechter die na geruime tijd de zaak overneemt, kan bij het schrijven van een op de zitting volgend vonnis baat hebben bij een keurig uitgetikt en getekend p.v. Met Vranken kan men stellen dat de controleerbaarheid van de feitelijke grondslag van de beslissing in de stukken van het geding waarschijnlijk de eerste stap is geweest op weg naar een deugdelijke motiveringseis.*11

Het opmaken van een p.v. op zichzelf levert niet veel problemen op. Het venijn zit hem in het opnemen van tijdens de zitting afgelegde verklaringen en dáár is het partijen vrijwel altijd om te doen.


Wat is een proces-verbaal?

Het proces-verbaal is het in een authentieke akte opgenomen verslag van de processueel relevante feiten die hebben plaatsgevonden tijdens een zitting en bevat in veel gevallen ook de zakelijke inhoud van de tijdens de zitting afgelegde verklaringen. Dit laatste leidt regelmatig tot spraakverwarring rond het p.v. Het opmaken van een p.v. op zichzelf, dat voldoet aan de minimumeisen van art. 30n lid 2 en 3 Rv, levert niet veel problemen op. Het venijn zit hem in het opnemen van tijdens de zitting afgelegde verklaringen (lid 4) en dáár is het partijen vrijwel altijd om te doen.

Het belang van de juiste weergave zit in de bewijsrechtelijke functie van het p.v. Het kwalificeert als een authentieke akte ten aanzien van wat volgens de ambtenaar die het ondertekent, de rechter, op een zitting is gezegd. Het levert tegen de partij die de verklaring ondertekend heeft ook dwingend bewijs op dat een in het p.v. vermelde verklaring door haar is afgelegd. Tegenbewijs leveren is mogelijk.*12 Dit kan ook door het horen van de zittingsrechter of de zittingsgriffier.

Het proces-verbaal heeft dus een dubbelfunctie: het geeft een verslag en biedt tegelijkertijd rechtszekerheid. We zullen zien dat op beide aspecten wel wat valt af te dingen: het p.v. bevat, grof gezegd, een verslag voor zover de rechter dat nodig vindt en als de rechter meent dat zaken anders zijn gelopen dan in het p.v. staat, mag hij zijn geheugen volgen.


Terughoudendheid in het opstellen van processen-verbaal

Het p.v. biedt voor het verslag van de zitting vooralsnog, want de opnamen van art. 30n lid 8 Rv zullen er ooit wel komen, het stevigste houvast. Art. 30n Rv gaat niet zonder meer uit van het opstellen van een verslag van de zitting en wij zagen al dat daaraan ook in veel gevallen geen behoefte zal zijn. Er wordt volgens art. 30n Rv p.v. opgemaakt als de rechter daartoe ambtshalve, op verzoek van ‘een partij die daarbij belang heeft’ of op verzoek van de hogerberoeprechter of de Hoge Raad, overgaat. Lid 2 van het artikel noemt de formele minimuminhoud van het p.v., lid 3 handelt over de zakelijke samenvatting en lid 4 heeft het over het opnemen van verklaringen in hun geheel.

De memorie van toelichting bij het artikel is zuinig.*13 Het komt erop neer dat in het proces-verbaal terecht dient te komen wat voor de verdere behandeling van de procedure noodzakelijk is en dat alleen “daar waar een volledige weergave van een onderdeel van de zitting gewenst is”, de situatie waarop het vierde lid doelt, dit onderdeel ‘volledig’ weergegeven wordt. Het woord ‘volledig’ moet, zo blijkt uit de verwijzing naar art. 180 (oud) Rv en uit het verschil met de opnamen van lid 8, niet letterlijk worden genomen.

Wij gaan niet pleiten voor een letterlijke weergave van de zitting. Transcripties van opnamen van zittingen zijn, zoals iedereen weet die er wel eens mee te maken heeft gehad, vrijwel onleesbaar en het beluisteren van de opnamen verlengt de zittingstijd met 100%. Maar heeft ook niet iedereen de ervaring dat zo af en toe een woordelijk verslag van een onderdeel van een zitting nodig is? Zou lid 4 daarvoor voldoende zijn, mede gelet op de zuinigheid van rechters in het opnemen van verklaringen in het p.v. en het feit dat de wetgever deze zuinigheid steunt?


Het verzoek van een partij die daarbij belang heeft

Volgens art. 30n lid 1 Rv wordt onder meer p.v. opgemaakt als de rechter daartoe overgaat op verzoek van “een partij die daarbij belang heeft”. Deze partij moet haar belang dus stellen en de rechter moet beoordelen of het bestaat. De vraag of aan dit belang strenge eisen moeten worden gesteld, zouden wij graag met Van Schaick ontkennend beantwoorden.*14 De wetgever ‘suggereert’ – het woord is in dit verband van Van Schaick – anders door in de memorie van toelichting uit te leggen dat van een belang van een partij in dit verband sprake kan zijn “als partijen bepaalde erkenningen hebben gedaan of vorderingen hebben ingetrokken”.*15 Van Schaick verwijst naar HR 20 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3336, maar dit stelt niet helemaal gerust. Weliswaar overweegt de Hoge Raad dat het verstrekken van een afschrift van een proces-verbaal niet afhankelijk mag worden gesteld van het al dan niet zijn ingesteld van een rechtsmiddel zodat, kort gezegd, de partij die om het p.v. vraagt het behoort te ontvangen, maar dit gebeurt in het strakke kader van art. 279 lid 4 en 290 lid 2 Rv, waarvan de tekst niet duidt op enige discretionaire bevoegdheid van de rechter.

Waar de wetgever stelt dat er bijvoorbeeld sprake is van ‘belang’ van een partij “als partijen bepaalde erkenningen hebben gedaan of vorderingen hebben ingetrokken”,*16 terwijl geen p.v. wordt opgemaakt van informatie die al uit eerdere stukken blijkt, sluit hij aan bij een zeer terughoudende praktijk, die zich maar al te graag door dit stukje parlementaire geschiedenis zal laten voeden.*17


Twee aanvechtbare uitgangspunten

Vaste jurisprudentie levert twee niet onbelangrijke maar wel aanvechtbare uitgangspunten op. Het eerste is te vinden in de jurisprudentie over de vraag of een p.v. aan (bewijs)kracht verliest als het langer na de zitting is opgemaakt. Deze vraag, het ligt bij de authentieke akte die het p.v. nu eenmaal is overigens voor de hand, wordt ontkennend beantwoord.*18 Dit is ook praktisch, al was het maar omdat in heel wat gevallen louter doordat hoger beroep wordt ingesteld, van een mondelinge behandeling die inhoudelijk niets heeft toegevoegd, een p.v. opgemaakt moet worden. Zonder deze rechtspraak zou art. 30n Rv op onderdelen niet kunnen functioneren. Maar wat voor effect heeft deze regel als wat gezegd is, heel nauw luistert en er veel tijd verloopt, het dossier opgediept moet worden, rechter en griffier – als ze er nog zijn – even moeten overleggen om zich te herinneren wat er nu precies is gezegd, en dan pas het proces-verbaal wordt uitgewerkt? 

Het tweede uitgangspunt houdt in 

dat de rechter, bij de vaststelling van het ter zitting verhandelde in zijn beschikking, niet aan de inhoud van het p.v. is gebonden*19 

Of, zoals twintig jaar later geformuleerd:*20

(...) dat de rechter bij de vaststelling in zijn beschikking van het ter zitting verhandelde, niet aan de inhoud van het procesverbaal is gebonden, zodat een verschil tussen de inhoud van het procesverbaal en de overweging van de rechter waarop de beslissing steunt, deze laatste niet zonder meer onbegrijpelijk maakt (HR 21 januari 1994, nr. 8370, NJ 1994, 335).

Voor wie hoopt het ‘niet zonder meer’ verklaard te krijgen: ook het arrest uit 1994 waar naar wordt verwezen, houdt het bij dezelfde formulering. Deze vrijheid vindt zijn uiterste toepassing in de situatie dat er een tegenstrijdigheid bestaat tussen de uitspraak en het proces-verbaal.*21

Hiermee samenhangend geldt dat het de feitenrechter vrij staat feitelijke beslissingen die gebaseerd zijn op wat hij zelf op de zitting heeft waargenomen ten grondslag te leggen aan zijn beslissing, ook al zijn de waargenomen feiten niet in het p.v. of elders vermeld.*22 Dit zal impliciet misschien nog vaker gebeuren dan expliciet, denk bijvoorbeeld aan de invloed op de rechter van non-verbale communicatie van de ene partij terwijl de andere het woord heeft. ‘Uitvragen’, zal de lezer zeggen. Zeker – en ook opschrijven. Klachten in cassatie over de onvolledigheid van het p.v. kunnen niet leiden tot het oordeel dat de motivering onbegrijpelijk is.*23

De eigenaardigheid bij het door de rechter ondertekende p.v. is dat hij zelf het tegenbewijs geleverd mag achten door zijn geheugen voor te laten gaan.

De geconstateerde, door de jurisprudentie gelegitimeerde terughoudendheid en de regel die erop neer komt dat het rechterlijk geheugen boven het p.v. gaat, zijn niet tot onbelangrijke situaties beperkt. De macht van de rechter over de totstandkoming en inhoud – wel of geen verklaringen opnemen en hoe uitgebreid dit gebeurt – is groot. Bij de andere, bekende vorm van authentieke p.v.-aktes, de door notarissen opgemaakte, levert het door de notaris in de akte meegedeelde dwingend bewijs op. Ook hier is tegenbewijs mogelijk. De eigenaardigheid bij het door de rechter ondertekende p.v. is dat hij zelf het tegenbewijs geleverd mag achten door zijn geheugen voor te laten gaan.


Verschillende soorten proces-verbaal en de ‘zakelijke weergave’

Niet snel kan en mag worden aanvaard dat een zitting ook wel zonder een p.v. kan.

In uitzonderingsgevallen kan een proces-verbaal achterwege blijven, bijvoorbeeld het opmaken van een p.v. van wat een minderjarige de rechter kenbaar heeft gemaakt in de zin van art. 809 lid 1 Rv.*24 De aard van de procedure, het belang van wat op de zitting is behandeld en de ernst van de te nemen beslissing en de aard van de motivering daarvan kunnen echter ook meebrengen dat een proces-verbaal moet worden opgemaakt op straffe van vernietiging van de vervolgens gegeven beslissing. De Hoge Raad heeft in zijn uitspraak van 11 januari 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0111, NJ 1991/595, m.nt. J.B.M. Vranken beslist dat als de inhoud van de afgelegde (getuigen)verklaringen in het geheel niet te kennen is omdat zowel een proces-verbaal als een beperkte vermelding in de bestreden uitspraak ontbreekt, de daarop gebaseerde motivering van de uitspraak niet op begrijpelijkheid kan worden getoetst en daarom de uitspraak niet met redenen is omkleed. Het ging hier om de situatie als neergelegd in art. 181 Rv waarbij geen p.v. van het getuigenverhoor behoeft te worden opgemaakt in kantonzaken die niet aan hoger beroep zijn onderworpen. Annotator Vranken en A-G Wesseling-van Gent*25 menen dat deze beslissing ook geldt ten aanzien van de ter zitting afgelegde verklaringen van de partijen. Niet snel kan en mag worden aanvaard dat een zitting ook wel zonder een p.v. kan.

Voor het overige kan worden onderscheiden tussen het kale p.v. met alleen de formaliteiten, het p.v. met zakelijke weergave van afgelegde verklaringen, het in het algemeen slechts bij getuigenverhoren toegepaste p.v. met uitgebreide verklaringen en als variant op de laatste twee het p.v. met een uitgebreid verslag dat aangehecht wordt na de zitting.

Onder ‘zakelijke samenvatting’ of ‘zakelijke weergave’ wordt verstaan een korte, leesbare samenvatting van datgene wat ter zitting is gezegd en besproken. Hiermee wordt niet bedoeld alleen datgene wat de rechter vervolgens gebruikt voor het vonnis. Partijen moeten, mede in het licht van de procedurele rechtvaardigheid, kunnen lezen dat er naar hen is geluisterd. Ook voor het vonnis minder relevante aspecten van de verklaringen verdienen vermelding als ze voor een partij relevant zijn. Het p.v. kan worden geschreven in de zogeheten discussiestijl als dit de gedachtewisseling duidelijker weergeeft. Deze opbouw maakt inzichtelijk hoe een gesprek zich heeft ontwikkeld en hoe antwoord en reactie daarop elkaar hebben gevolgd, ook als er op een later moment nuanceringen worden aangebracht. Het voorkomt denaturering van datgene dat daadwerkelijk ter zitting is gezegd en voorgevallen.

Processen-verbaal die een letterlijke weergave bevatten, komen, behoudens bij sommige ingewikkelde deskundigen- of getuigenverhoren, niet voor. Kale processen-verbaal komen wel voor en dat kan, het zij herhaald, in veel gevallen geen kwaad. Hierbij is gangbare praktijk dat de rechter een zeer summier p.v. opmaakt (wie waren aanwezig, wat gebeurde er en wat is de vervolgstap), waarbij hij constateert dat geen schikking tot stand is gekomen en de dag bepaalt waarop de zaak voor uitspraak komt te staan.*26


Het opnemen van de gehele partijverklaring

Art. 30n lid 4 Rv geeft aan hoe de partijverklaring in het proces-verbaal moet worden opgenomen in zaken waarin eerst de hobbel is genomen dat er proces-verbaal wordt opgemaakt (art. 30n lid 1 Rv) en vervolgens door de rechter wordt bepaald dat een verklaring ‘geheel’ wordt opgenomen.

In een civiele mondelinge behandeling moet de partijverklaring in het p.v. in beginsel worden ondertekend door die partij. Het ondertekenen en de daaraan voorafgaande voorlezing maken de betrokken partij bewust van de inhoud van zijn verklaring. Het traditionele voorlezen van de verklaringen gaf partijen de gelegenheid nog eens te horen wat de inhoud van hun verklaringen was. Met nadruk is dit in art. 30n lid 4 Rv door ‘voorhouden’ vervangen, waarmee de gelegenheid is geboden partijen op een andere wijze, bijvoorbeeld door toezending van een digitaal bestand, kennis te laten nemen van de tekst.*27 Dit ziet kennelijk, gelet op het vervolg waarin sprake is van ‘voorlezen’, op een handeling die ter zitting plaatsvindt. De weergave geeft ook nog al eens de aanleiding om iets aan te vullen of te herstellen. Door het weigeren de verklaring te ondertekenen, kan een partij proberen invloed op de inhoud van zijn deel van het p.v. uitoefenen voor zover de rechter al niet op voorhand de gevraagde wijziging of aanvulling toestaat.

In de praktijk komt het regelmatig voor dat de partijverklaringen in het p.v. van de mondelinge behandeling buiten aanwezigheid van partijen worden uitgewerkt om de tijd die gemoeid is met het uittikken van de partijverklaringen te beperken. Dan wordt vaak de mogelijkheid aan partijen geboden om binnen een bepaalde termijn op de teksten te reageren.*28 In veel gevallen wordt de reactie van partijen aan het p.v. gehecht zonder wijziging van het p.v. Daarmee blijft de dwingende bewijskracht van het p.v. onaangetast en kan het door de aangehechte stukken onduidelijk zijn wat een partij nu werkelijk heeft verklaard. Willen partijen met dwingende bewijskracht in het p.v. opgenomen zien dat zij bepaalde verklaringen hebben afgelegd, dan moeten zij het ertoe leiden dat de verklaringen deel uitmaken van het p.v., hetzij doordat de verklaringen erin staan, hetzij doordat het p.v. opmerkt dat aangehechte verklaringen er deel van uitmaken. In het algemeen doen ze er dan verstandig aan te zorgen dat de verklaringen in hun aanwezigheid worden uitgewerkt.

Als de betrokken procespartijen het eens zijn over een aanvulling en/of wijziging van het p.v., is er geen probleem. Het kan immers zijn dat er wel iets is besproken maar dat dit niet zijn neerslag heeft gevonden in het p.v. van de zitting. Als het een eenzijdig verzoek betreft dat door de andere partij wordt tegengesproken, wordt het anders. Dan zijn er twee situaties denkbaar: de rechter is wel van oordeel dat het bestaande p.v. een juiste en correcte weergave biedt van het ter zitting verhandelde of hij is dit niet. In het eerste geval zal de rechter het verzoek tot wijziging en/of aanvulling afwijzen. Acht de rechter het verzoek gegrond, dan zal hij het proces-verbaal officieel moeten verbeteren of aanvullen. In de praktijk wordt echter vaak gebruikgemaakt van het aanhechten van de brieven van de advocaten aan het p.v.

Formeel gezien blijft het p.v. dat is opgesteld en getekend door in elk geval de rechter een authentieke akte met dwingende bewijskracht. Over de vraag wat de werkelijke situatie is, wordt door het aanhechten geen duidelijkheid gegeven door een definitieve beslissing. Formeel gezien zou het p.v. moeten worden aangevuld en vervolgens weer wordt getekend door in elk geval de rechter als terecht wordt geklaagd.*29 De rechter mag altijd een p.v. van zijn waarnemingen maken als hij dat nodig acht. De artikelen die zien op het herstel of de aanvulling van een uitspraak in de zin van art. 31 en 32 Rv zijn overigens niet voor deze situatie geschreven.


Een uitstapje naar de buren bij strafrecht

Het p.v. van de terechtzitting is in het strafrecht in beginsel de enige kenbron voor de ter terechtzitting in acht genomen vormen. Verder is voor de verklaringen van de verdachte, getuigen en deskundigen en de inhoud van het verweer beslissend wat het p.v. van de terechtzitting vermeldt – en dus niet wat er in de uitspraak staat.*30 In het strafrecht geldt het proces-verbaal dus in het algemeen wel als beslissend. Afwijking van een standpunt in een p.v. moet daarom in de uitspraak worden gemotiveerd.

De digitaliseringsslag die onze strafrechtelijke collega’s bij het hof Arnhem-Leeuwarden maakten, werd door de Hoge Raad niet geaccepteerd. In HR 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2838*31 werd terecht geklaagd over de vervanging door het gerechtshof van (een gedeelte van) het p.v. van de terechtzitting door een geluidsopname:

2.4.2 Aan de vervanging van (een gedeelte van) het proces-verbaal door een geluidsopname staat (...) in de weg dat de vaststelling van de ter terechtzitting inachtgenomen vormen en van de juiste inhoud van hetgeen aldaar is verklaard en voorgevallen, is opgedragen aan de in art. 327 Sv genoemde personen, die ook bij het onderzoek ter terechtzitting aanwezig zijn geweest. Tevens wordt bij zo een vervanging, ingeval een rechtsmiddel is aangewend, deze vaststelling in feite doorgeschoven en opgedragen aan de later oordelende rechter.

2.4.3    Wat betreft de cassatieprocedure komt daar nog bij dat het in die fase van het geding gaat om een doorgaans volledig schriftelijk proces waarin in de regel één partij optreedt en dat ook daarom niet geëigend is voor het uitluisteren van geluidsopnames en in voorkomende gevallen het bieden van een mogelijkheid tot het maken van op- en aanmerkingen door partijen.

De strafkamer van de Hoge Raad nam dus geen genoegen met een toegezonden geluidsopname van de volledige zitting. (De voorzitter en de griffier van) het hof moest(en) de geluidsopname schriftelijk en zakelijk uitwerken voor een efficiënte behandeling van de zaak in cassatie. Een uitspraak die in lijn lijkt met art. 30n Rv.*32


Spreekaantekeningen

De griffier dient zorgvuldig aantekening te houden; van het in het algemeen lukraak gebruikte ‘waarvan akte’ moet niet te veel worden verwacht.

Het antwoord op de vraag of de pleitaantekeningen een aide-mémoire voor de advocaat vormen of een volwaardig processtuk*33 doet geen afbreuk aan het gemak dat eruit voortvloeit om deze aantekeningen te hechten aan het proces-verbaal en aan de zekerheid die dit aanhechten de advocaat biedt dat zijn eigen woorden als deel van het proces-verbaal worden gezien. In het geval een volledige beeld- of geluidsopname wordt gemaakt, wordt de voorgelezen tekst daarvan onderdeel. De advocaat dient er goed aan zijn spreekaantekeningen, of deze nu kort of uitgebreid zijn, in ieder geval datgene te laten inhouden wat hij noodzakelijk acht (zie hiervoor). Ook in de loop van de mondelinge behandeling kunnen er nog opmerkingen worden gemaakt die aan dit criterium voldoen. De griffier dient zorgvuldig aantekening te houden; van het in het algemeen lukraak gebruikte ‘waarvan akte’ moet niet te veel worden verwacht. Seinen heeft in TCR geopperd de advocaat de mogelijkheid te bieden aanvullende spreekaantekeningen te uploaden tijdens of na de zitting.*34 Technisch lijkt dit vooralsnog niet mogelijk te zijn, maar haar voorstel duidt wel op de gezamenlijke verantwoordelijkheid van rechter en advocaten voor behoorlijke verslaglegging van de zitting.


Enkele aspecten van de digitale verslaglegging 

Gelet op art. 30n Rv verdient het aanbeveling niet terughoudend te zijn in het dicteren van een zakelijke samenvatting van verklaringen en die aan partijen voor te houden of te lezen. Het voorkomt verrassingen voor partijen – al is een verrassing in een uitspraak nog steeds mogelijk – maar ook voor de rechter en de griffier als een hogere rechter om een proces-verbaal vraagt. Volstaan kan worden met een geluids- of beeldopname van de zakelijke samenvatting. Is er een volledige geluids- of beeldopname, dan kan deze vervolgens worden opgeslagen.*35 Het opslaan van deze gegevens vormt geen belemmering voor het rechtsverkeer en de opname kan bruikbaar zijn bij controle in hoger beroep. Op die opname kan dus worden teruggevallen indien er verschil van mening is over wat op de terechtzitting is gezegd of gebeurd.

Art. 30n lid 3 Rv gaat uit van één proces-verbaal dat een zakelijke samenvatting inhoudt van het verhandelde ter zitting. De volledige opname vormt dus, behoudens ingeval een zakelijke samenvatting is gegeven, nooit een p.v. De volledige opname maakt deel uit van het digitale dossier. Indien een partij zich op een onderdeel van die volledige opname beroept, moet worden aangeven op welk specifiek tijdstip van de opname een beroep wordt gedaan.

Met de weergave van wat gezegd is, hebben we nog niet alles vastgelegd wat op de rechter afkomt. Het is mogelijk om naast een woordelijke weergave ook beeldopnamen te maken waardoor het getuigenverhoor ook voor anderen een extra dimensie krijgt. Dit is niet onbelangrijk. Ook in de ogen van de Hoge Raad kan de mondelinge interactie tussen partijen en de rechter ter zitting van wezenlijke invloed zijn op de oordeelsvorming van de rechter, en die kan niet altijd volledig in een proces-verbaal worden weergegeven. De rechter en de hogere rechter zouden via de beeldopnamen kunnen kennisnemen van de gelaatsuitdrukking van een partij of getuige bij het doen van een bepaalde uitspraak. Of daarmee de ‘eigen innerlijke reactie’ van een andere rechter herkenbaar wordt, is bijna geen juridische vraag meer.


Uitgeleide

Achterwege laten van het uitwerken van een p.v. met partijverklaringen lijkt tijd te besparen. Het later reconstrueren van wat er is gezegd of het ontrafelen van de griffiersaantekeningen kan al gauw meer tijd te kosten. Hetzelfde geldt voor het achteraf bekijken of afluisteren van een beschikbare opname. Hier komt nog bij dat bij achteraf beluisteren of reconstrueren veel nuances in verklaringen verloren gaan. Wij pleiten er dan ook voor de verklaringen in het p.v., zakelijk samengevat of gesproken ter zitting op te nemen.

Het proces-verbaal is bij de huidige stand van zaken een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de rechter en de procespartijen. De dominante plaats die de mondelinge behandeling inneemt, brengt mee dat het belang van een goed p.v. (nog) groter is geworden. Een goede weergave van de verklaringen confronteert degenen die ze hebben afgelegd met dat wat door hen is verklaard. Recht moet worden gesproken op de ‘werkelijke feiten’ en niet op een ongelukkige of onvolledige uiting van een procespartij of, overigens, een getuige of deskundige.

HR 15 maart 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2013, NJ 1997/341, m.nt. H.J. Snijders, vervolg op HR 29 september 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1829, NJ 1997/340, m.nt. H.J. Snijders.

Resp. M.J.A.M. Ahsmann, p. 1-22, C.J.M. Klaassen, p. 243-252 en P. Smits, p. 357-365, in: W.H. van Boom et al., Een kwart eeuw. Privaatrechtelijke opstellen, aangeboden aan prof. mr. H.J. Snijders ter gelegenheid van zijn emeritaat, Deventer: Wolters Kluwer 2016.

Door o.a. Ahsmann, a.w., p. 7-8, eind 16de eeuw geplaatst.

HR 31 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3076, NJ 2015/181 en HR 15 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:662, NJ 2017/202, m.nt. H.B. Krans en P. van Schilfgaarde. Zie recent ook HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3259.

Kamerstukken II 2014/15, 34059, 3, p. 70. Zie ook J.D.A. den Tonkelaar, ‘De regisserende zaaksrechter: de regierol van de rechter volgens KEI’, TCR 2015, p. 105-113.

O.m. als gevolg van de invoering van het ‘versneld regime’ in 1996; zie echter ook al F.J.M. Nivard (destijds president van de Rotterdamse rechtbank), ‘Ambtshalve bevolen comparitie van partijen na de conclusie van antwoord’, NJB 1968, p. 89 e.v.

HR 31 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3076, NJ 2015/181, m.nt. W.D.H. Asser, onder 1. Zie ook Asser-serie Procesrecht 3, Deventer: Kluwer 2017, par. 2.4, i.h.b. nrs. 35-46.

Deze ‘standaard’ is, anders dan de andere ‘standaarden’, niet gepubliceerd op www.rechtspraak.nl. Zie ook A.R. Mackor, ‘Professionele standaarden: hun legitimatie en implementatie’, Trema 2018, nr. 1.

Zie in verband hiermee ook HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3259.

Bijv. in een vrijwaringszaak of de hoofdzaak waarin een vrijwaring speelt.

Zie zijn annotatie onder HR 11 januari 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0111, NJ 1991/595, m.nt. J.B.M. Vranken.

Zie o.a. HR 3 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7458, RvdW 2006/1041 en HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2337, NJ 2012/226, m.nt. H.J. Snijders.

Kamerstukken II 2014/15, 34059, 3, p. 73.

A.C. van Schaick, Eerste aanleg (Asser-serie 2), Deventer: Kluwer 2016, nr. 70.

Kamerstukken II 2014/15, 34059, 3, p. 74 (MvT).

Naast de erkenning vormt ook het prijsgeven van een betwisting een aanleiding voor een vermelding in het proces-verbaal (vgl. HR 16 april 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1941, NJ 2004/425).

Kamerstukken II 2014/15, 34059, 3, p. 74 (MvT).

Zie A-G Langemeijer in zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2016:1167) voor HR 23 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2990.

HR 30 maart 1979, ECLI:NL:HR:1979:AC6553, NJ 1979/510.

HR 2 april 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2881, NJ 1999/656, m.nt. S.F.M. Wortmann onder 657.

Zie o.a. HR 16 april 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1941, NJ 2004/425.

Zie HR 24 juni 1977, ECLI:NL:HR:1977:AC5998, NJ 1978/138; HR 30 maart 1979, ECLI:NL:HR:1979:AC6553, NJ 1979/510; HR 10 juni 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4608, NJ 1984/250, m.nt. W.M. Kleijn; HR 15 februari 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0154, NJ 1991/341; HR 21 januari 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1242, NJ 1994/335; HR 2 april 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2881, NJ 1999/656, m.nt. S.F.M. Wortmann onder 657.

Zie o.a. HR 18 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF2161, NJ 2003/286, m.nt. J.M.M. Maeijer en HR 17 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU4616, NJ 2006/156.

Zie o.a. HR 24 september 1982, ECLI:NL:HR:1982:AG4444, NJ 1983/243.

In haar conclusie voor HR 18 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF2161, NJ 2003/286, m.nt. J.M.M. Maeijer.

Art. 87 Rv.

Kamerstukken II 2014/15, 34059, 3, p. 74 (MvT).

In elk geval staat art. 6.1 van het huidige Landelijke procesreglement in beginsel in de weg aan het ontvangen ervan: “De rechtbank neemt geen kennis van berichten aan de rechtbank nadat vonnis is bepaald, tenzij blijkt dat de wederpartij met de kennisneming heeft ingestemd.” Het landelijk procesreglement civiele zaken rechtbanken en gerechtshoven KEI biedt die regeling wel (art. 5.1.2: “De rechter neemt geen kennis van een schriftelijk bericht van een partij, dat hem bereikt nadat de datum voor het doen van de uitspraak is bepaald, tenzij: (...) – het gaat om opmerkingen naar aanleiding van een proces-verbaal dat buiten aanwezigheid van partijen is opgemaakt”).

Een andere oplossing is het opnemen in de uitspraak dat de opgegeven correcties juist zijn en te bepalen dat de brief van de advocaat tot de gedingstukken behoort en de tekst van het bestaande proces-verbaal op bedoelde onderdelen aanvult.

Zie o.a. HR 22 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU1993, NJ 2006/219, m.nt. T.M. Schalken en recenter HR 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2838, NJ 2017/387, m.nt. B.F. van Keulen. Zie voorts G.J.M. Corstens/M.J. Borgers (bew.), Het Nederlands strafprocesrecht, Deventer: Kluwer 2014, par. 15.3, p. 661-663.

NJ 2017/387, m.nt. B.F. van Keulen.

In dit kader wordt nog gewezen op de brief van de Minister van Veiligheid en Justitie betreffende de modernisering van het Wetboek van Strafvordering (Kamerstukken II 2015/16, 29279, 278, par. 2.4.3), waarin het voornemen is opgenomen om in de (nieuwe) wet een grondslag op te nemen voor een regeling met betrekking tot het maken van een audio-opname van de terechtzitting en de mogelijkheid voor de verdediging en het openbaar ministerie om de audio-opname te beluisteren.

Ontleend aan C.D. van Boeschoten, ‘De pleitnota’, in: W.H. Heemskerk, Th.B. Bonne ten Kate & W.L. Haardt (red.), Een goede procesorde, bundel opstellen aangeboden aan W.L. Haardt, Deventer: Kluwer 1983, p. 48.

C.J.A. Seinen, ‘Hart, handen & voeten: de mondelinge behandeling en de pleitnota na KEI’, TCR 2017, p. 39-47, i.h.b. p. 47.

Het gaat wel expliciet om opnames gegenereerd door de Rechtspraak. Het is dus niet de bedoeling dat partijen zelf met opnameapparatuur aan de gang gaan (art. 30n lid 7 Rv).

Top