02 2018

De Rechtspraak op zoek naar verbinding

Voor een normatief duurzame samenleving

Hoewel de Rechtspraak bezig is zichzelf te vernieuwen, blijft op de achtergrond de vraag naar het rechterlijk domein spelen. In een poging de discussie hierover verder te helpen, wordt onderzocht wat de toegevoegde waarde van de rechtspraak is. De rechtspraak draagt bij aan een normatief duurzame samenleving, doordat zij in dienst staat van het normatieve onderhoud en de normatieve ontwikkeling van de samenleving. De Rechtspraak is daarvoor toegerust omdat (en in de mate waarin) zij een waardenorganisatie is die wordt gedefinieerd door de waarden waarvoor zij staat. Deze dimensie van de rechtspraak verdient een zwaarder accent in het verhaal dat wij de samenleving en onszelf voorhouden. Dat zou niet alleen getuigen van vertrouwen in eigen kracht, maar het zou zowel de verbinding versterken met de samenleving (extern) als binnen de eigen organisatie (intern). Waar doen wij het eigenlijk voor? Voor een normatief duurzame samenleving.

De Rechtspraak op zoek naar verbinding

1. Inleiding

De Rechtspraak is in hoog tempo bezig zichzelf opnieuw uit te vinden. Sneller dan verwacht heeft zij de verlammende interne discussies achter zich gelaten en zich gericht op nieuwe uitdagingen. Centraal staat de digitale revolutie in de vorm van het programma KEI, waarmee niet alleen ‘een eigentijdse gang naar de rechter’ is gediend,*1 maar ook moet worden afgerekend met het beeld dat rechtspraak duur, tijdrovend en ineffectief is.*2 In die lijn worden het civiele en het bestuursproces vergaand gedigitaliseerd en vereenvoudigd.*3 Daarnaast trekken diverse pilots de aandacht, zoals de spreekuurrechter*4en de burenrechter*5, en herleeft de discussie over de vrederechter*6. Ook in de strafrechtspleging is de vernieuwing in gang gezet. Op basis van adviezen van onder meer de Raad voor de rechtspraak, schetst de Contourennota de uitgangspunten voor een modern en ‘toekomstbestendig’ wetboek.*7 Voorts is ook in het strafrecht de discussie over buitengerechtelijke afdoening door mediation en herstelbemiddeling weer opgelaaid,*8 en zelfs uitgeprobeerd.*9 Bij al deze innovatie, pilots en discussies zijn de sleutelwoorden: snelheid, eenvoud en toegankelijkheid.*10 In samenhang dienen deze innovaties en projecten de relevantie van de rechtspraak in de samenleving te vergroten. De politiek en de Rechtspraak hebben elkaar gevonden in de doelstelling de rechtspraak sneller, eenvoudiger en toegankelijker te maken. Dat verklaart ten dele ook de voortvarendheid waarmee de vernieuwingen zijn ingezet en worden doorgevoerd. Maar over een andere dimensie van maatschappelijke relevantie lopen de opvattingen uiteen. Waar de politiek de rechtspraak toch vooral als een ultimum remedium blijft zien, heeft de Rechtspraak zorgen over de verkleining van het rechterlijk domein. Het oplossen van conflicten wordt meer en meer buiten de rechter om georganiseerd, zoals de afdoening van strafzaken door het OM, de bestuursrechtelijke afdoening van beroepen tegen overheidsbesluiten in intensieve bezwaarprocedures en de facilitering van geschillencommissies, e-Court en andere vormen van buitengerechtelijke geschilbeslechting. In de afgelopen tien jaar zijn ongeveer vijftig wetsvoorstellen ingediend waarin rechterlijke taken worden overgeheveld of verschoven naar geschillencommissies of andere instanties (bijvoorbeeld in de Zorgverzekeringswet, het auteursrecht, het hoger onderwijs of het aanbestedingsrecht). Nieuwe vormen van geschilbeslechting onttrekken zich aan de Rechtspraak (zoals investment arbitration). De rechter lijkt op de boer die nijver zijn land bewerkt, maar niet doorheeft dat telkens een strook van dat land wordt afgenomen. Ruth de Bock bepleit dan ook de belasting van de Rechtspraak (in plaats van een ontlasting). Civiele rechtspraak zou weer een optie moeten zijn voor consumenten, het midden- en kleinbedrijf en slachtoffers van aardbevingsschade, om maar enkele voorbeelden te noemen.*11 Voor de Raad voor de rechtspraak zijn digitalisering en vernieuwing van het proces dan ook geen doelen op zich, maar middelen om de rechter vrij te spelen voor zaken die veel aandacht en menselijk contact nodig hebben. ‘Maatschappelijk effectieve rechtspraak’ vereist dan ook innovatieve wetgeving die de rechter ruimte biedt om te experimenteren met eenvoudige procedures (art. 96 lid 2 Rv).*12

Waar de politiek de rechtspraak toch vooral als een ultimum remedium blijft zien, heeft de Rechtspraak zorgen over de verkleining van het rechterlijk domein.

Het streven naar maatschappelijk effectieve rechtspraak verdient steun, net als de doelstellingen van snelle, eenvoudige en toegankelijke rechtspraak. Ook het streven naar maatschappelijke relevantie door het behoud van een serieus rechterlijk domein is legitiem, maar hier stokt de discussie.*13 Om te beginnen omdat de politiek en de Rechtspraak fundamenteel verschillen in hun opvatting over de wenselijke omvang van het rechterlijk domein, zoals eerder is genoemd. Het maakt nogal wat uit of je de rechtspraak als een ‘last resort’ ziet dan wel als een kerntaak in de democratische rechtsstaat. Maar ook omdat het rechterlijk domein op verschillende manieren kan worden begrepen, waardoor de discussie niet altijd over hetzelfde gaat, of niet altijd over de goede dingen gaat. De Rechtspraak benadrukt dat rechtspraak bijdraagt aan een florerende economie, dat zij haar maatschappelijke rol moet blijven vervullen en dat daarom aanpassingen van de regelgeving nodig zijn waar het betreft 
(v)echtscheidingen, schulden- en multiproblematiek, toezicht op de bewindvoering en toegang tot het civiele recht. Voor deze benadering geldt dat hiermee nog niet overtuigend is aangetoond waarom juist op deze probleemgebieden de Rechtspraak een noodzakelijke voorziening biedt, en niet de één of andere vorm van private geschilbeslechting.*14 Het doel van deze bijdrage is dan ook om te proberen de discussie op dit punt verder te helpen. De onderzoeksvraag luidt: Wat is de kern van het werk van de Rechtspraak die maakt dat dit werk niet zonder meer kan worden overgeheveld? Wat is de toegevoegde waarde van rechtspraak boven andere vormen van afdoening of geschilbeslechting? Om deze vraag te onderzoeken, wordt eerst ingegaan op de wijze waarop wij het rechterlijk domein kunnen begrijpen (paragraaf 2). Vervolgens wordt geprobeerd de functie van de rechtspraak op een misschien minder gebruikelijke wijze te typeren (paragraaf 3). Voorts wordt toegelicht op welke wijze deze functie samenhangt met de aard van de organisatie (paragraaf 4). De belangrijkste conclusies zullen zijn dat de rechtspraak bijdraagt aan de normatieve duurzaamheid van de samenleving omdat de Rechtspraak een waardenorganisatie is. Een en ander heeft consequenties voor de manier waarop zowel de verbinding met de samenleving als de verbinding binnen de organisatie kan worden versterkt (paragraaf 5).


2. De discussie over het rechterlijk domein

In het denken en spreken over het domein van de rechtspraak zijn twee paradigma’s te onderscheiden.*15 De eerste is die waarin het domein van de rechtspraak wordt benaderd als het werkterrein van de rechter – inclusief de omvang en de afbakening daarvan – zowel in aantallen zaken als in soorten zaken. Om voor de hand liggende redenen zouden we dit het ‘kwantitatieve’ paradigma kunnen noemen; het domein van de rechtspraak is een feitelijk, zelfs kwantificeerbaar gegeven dat objectief kan worden beschreven. Een voorbeeld is de beschrijving in termen van probleemgebieden (echtscheidingen, schuldenproblematiek, toezicht op de bewindvoering en toegang tot de burgerlijke rechter). Aan dit paradigma ligt de visie op rechtspraak ten grondslag dat rechtspraak een overheidsfunctie is om conflicten op te lossen (the problem solving conception of adjudication).*16 Van deze visie is het maar een stap naar de opvatting dat rechtspraak er is om díe conflicten op te lossen die de betrokkenen niet zelf kunnen oplossen en waarvoor geen andere vormen van geschilbeslechting bestaan. Hierin is de neoliberale opvatting te herkennen van een minimale overheid en een maximale vrijheid, alles in dienst van de zelfredzame burger. De belangrijkste toegevoegde waarde van rechtspraak is in deze opvatting dat zij – door het overheidsmonopolie op geweld – de oplossing van partijconflicten afdwingbaar maakt. Het denken over rechtspraak is in deze opvatting dan ook betrekkelijk instrumenteel; het staat in dienst van de te vervullen maatschappelijke functies (bijvoorbeeld haar bijdrage aan een florerende economie). In het tweede paradigma wordt het domein van de rechtspraak niet zozeer gezien als een afgebakend werkterrein, maar als de functie of rol die zij in de samenleving vervult. Omdat iedere beschrijving daarvan op waarden berust, is dit een kwalitatief of zelfs een normatief gegeven (waarover natuurlijk wel in descriptieve termen kan worden geschreven). In deze opvatting wordt rechtspraak gezien als een noodzakelijk vervolg op de politieke besluitvorming en daarmee als een onmisbare schakel in het openbaar bestuur en het publieke debat (the public life conception of adjudication). Wij zouden dit het ‘kwalitatieve’ paradigma kunnen noemen.*17 Rechtspraak heeft natuurlijk een functie in het kader van geschilbeslechting, maar daardoor draagt zij bij aan de normhandhaving, de rechtsbescherming, de rechtsontwikkeling, de controle op het bestuur en het publieke debat. Anders gezegd, de belangrijkste toegevoegde waarde van rechtspraak bestaat hierin dat zij een aantal publieke functies vervult. De vrijheid van het individu is niet beperkt tot de particuliere sfeer van de marktwerking, maar behelst tevens zijn of haar zelfverwerkelijking als burger. Rechtspraak is niet beperkt tot het oplossen van een probleem voor dit geval, maar draagt daardoor tevens bij aan het onderhoud en de ontwikkeling van publieke waarden en idealen.*18 De functie van rechtspraak is dan evenzeer te typeren als een bemiddelende functie, maar nu niet uitsluitend tussen de belangen van partijen, maar ook tussen de partijen en de samenleving – en daarmee tussen de diversiteit van belangen, rollen en waarden die een pluriforme samenleving kenmerken.*19

In de politiek is het kwantitatieve paradigma dominant; de prestaties van de Rechtspraak worden afgemeten in een cijfermatige presentatie van de input, throughput en output.

In de discussie over het rechterlijk domein spelen beide paradigma’s een rol. In de politiek is het kwantitatieve paradigma dominant; de prestaties van de Rechtspraak worden afgemeten in een cijfermatige presentatie van de input, throughput en output. Dat is volstrekt legitiem – vooral als het gaat om de effectiviteit en de efficiency van de Rechtspraak – maar het is natuurlijk niet het hele verhaal. In de Rechtspraak zelf wordt de waarde van rechtspraak veeleer gezocht in de bijdrage die zij levert aan de normering van de samenleving. Deze kwalitatieve benadering is eenvoudigweg niet in cijfers uit te drukken. De kloof tussen deze beide opvattingen kan in theorie op verschillende manieren worden overbrugd. Zo kan de maatschappelijke bijdrage van de Rechtspraak ook voor de langere termijn op economische wijze worden gecalculeerd in termen van kosten en baten (haar bijdrage aan een florerende economie). Wat is de bijdrage van de Rechtspraak eigenlijk aan economische groei en ontwikkeling?*20 De beantwoording van deze vraag is nuttig en dient zeker te gebeuren, maar berust in de kern op een denaturering van de waarde van rechtspraak. Die waarde manifesteert zich op een ander niveau, namelijk dat van de normering van maatschappelijke verhoudingen, primair door rechtsnormen, maar in afgeleide zin ook door sociale en morele normen. Daardoor draagt de Rechtspraak bij aan het normatieve gehalte van de samenleving, dat wil zeggen, aan de mate waarin de verhoudingen tussen burgers, bedrijven en overheden zijn genormeerd (en niet zijn overgelaten aan macht of willekeur). In dat licht lijkt het niet heel consequent van sommige politici om mee te werken aan het terugdringen van het rechterlijk domein en tegelijkertijd te klagen over de teloorgang van normen en waarden in onze samenleving. Juist de openbare berechting van civiele, bestuurs- en strafzaken – grote en kleine – getuigt van de manier waarop de samenleving normen en waarden handhaaft en (verder) ontwikkelt, en daarmee zichzelf vormgeeft. Het zou dan ook getuigen van geloof in eigen kracht wanneer de Rechtspraak in staat is dit verhaal verder te ontwikkelen, als tegenwicht tegen het terugdringen van het rechterlijk domein. 


3. De functie van rechtspraak: bijdragen aan normatieve duurzaamheid

In concrete zaken oordeelt de Rechtspraak over gebeurtenissen uit het verleden. Daarmee draagt zij bij aan de handhaving en de verdere ontwikkeling van rechtsnormen en aan de normering van gedrag in de toekomst. Zo versterkt de rechtspraak ook het lerend vermogen van de samenleving, het vermogen om aan de hand van gebeurtenissen uit het verleden lessen te trekken voor toekomstig sociaal gedrag. Dat draagt bij aan de voortdurende normatieve kwaliteit van het sociale verkeer tussen individuen, bedrijven, en overheden. Anders gezegd, het draagt bij aan wat ik zou willen noemen de ‘normatieve duurzaamheid’ van de samenleving. Het begrip ‘duurzaamheid’ heeft een connotatie van het doorgeven van onze fysieke leefomgeving aan de volgende generaties op een zodanige manier dat zij dezelfde keuzemogelijkheden hebben als wij (en dus niet als een rokende puinhoop).*21 Maar geldt niet hetzelfde voor onze sociale leefomgeving en de normen en waarden die deze sociale omgeving vormgeven en de moeite waard maken, en dus voor onze rechtsorde?*22 Ook die sociale orde en rechtsorde vragen een zodanig onderhoud dat toekomstige generaties dezelfde keuzemogelijkheden hebben als wij, met andere woorden, dat zij in een vergelijkbare pluriforme en fatsoenlijke samenleving kunnen leven.*23

De rechtspraak versterkt ook het lerend vermogen van de samenleving, het vermogen om aan de hand van gebeurtenissen uit het verleden lessen te trekken voor toekomstig sociaal gedrag.

Ik denk dat de parallel tussen de (duurzaamheid van de) natuurlijke orde enerzijds en de maatschappelijke orde en rechtsorde anderzijds, inzichtelijk kan maken wat de waarde van de Rechtspraak voor de samenleving is, zonder te vervallen in een economisering van het discours. Duurzaamheid van de sociale leefomgeving en de rechtsorde vergt de constante herinterpretatie van sociale normen, morele normen en van rechtsnormen in zich telkens wijzigende omstandigheden. Waar het de interpretatie van sociale en morele normen betreft, zijn vele instituties actief. Maar waar het de interpretatie van rechtsnormen betreft heeft de Rechtspraak het voortouw. Hier heeft Rechtspraak principieel de voorkeur boven private geschilbeslechting omdat haar uitspraken openbaar en bindend zijn, precedentwerking hebben, en daardoor duurzamer zijn.

Twee voorbeelden kunnen dit illustreren. De Urgenda-uitspraak van de rechtbank Den Haag heeft niet alleen belangrijke gevolgen voor de duurzaamheid van de fysieke leefomgeving, maar ook voor de toekomst van de sociale leefomgeving.*24 Zij geeft het signaal dat de overheid de zorgplicht heeft tegenover haar burgers om een gevaarlijke temperatuurstijging te voorkomen en dat de civiele rechter bereid is die zorgplicht te handhaven. Die zorgplicht is een rechtsplicht, voortvloeiend uit de wijze waarop de overheid zich tegenover haar burgers heeft te gedragen. Het gaat niet aan om de eigen burgers bloot te stellen aan een gevaarlijke temperatuurstijging. De bevestiging van deze norm schept een precedent voor een toekomst waarin de overheid beter voor haar burgers zorgt en waarin zij internationale afspraken consequenter vertaalt in binnenlands beleid. Daarmee is ook haar gedrag voor de toekomst genormeerd.

Wanneer de Rechtspraak zich terugtrekt uit bepaalde sociale sectoren, heeft dat invloed op de normering van gedrag in die sector.

Zoals de Urgenda-uitspraak gericht is op de toekomst, zo is de Rawagedeh-uitspraak van dezelfde rechtbank gericht op het verleden.*25 Bij de verwerping van het beroep op verjaring van de Staat overwoog de rechtbank dat het een uitzonderlijke situatie betrof waarvan de Staat ook naar de toen geldende maatstaven een zeer ernstig verwijt valt te maken en dat het weliswaar om oude feiten gaat, maar wel om feiten uit een periode van de Nederlandse geschiedenis die nog niet is afgewikkeld. Deze overweging raakt de kern van de uitspraak die haar zin goeddeels ontleent aan haar bijdrage aan de collectieve verwerking van een traumatisch koloniaal oorlogsverleden. Tegelijkertijd geeft zij het signaal dat ernstige schendingen in oorlogssituaties hun juridische betekenis behouden, ook na langdurig tijdsverloop. Met deze uitspraak houdt de Rechtspraak de overheid een spiegel voor over feiten die toen en daar zijn gesteld, en draagt zij aldus bij aan de normatieve duurzaamheid van de samenleving. Deze voorbeelden zijn illustratief omdat één enkele uitspraak betrekking heeft op de toekomst respectievelijk het verre verleden, en aldus duurzaam bijdraagt aan de rechtsstatelijke samenleving. Voor andere uitspraken in kleinere zaken is die afzonderlijke bijdrage wellicht minder duurzaam, maar niet in samenhang met vele andere uitspraken. Ook de uitspraken in vele ‘gewone’ zaken dragen gezamenlijk bij aan de ontwikkeling van een duurzame rechtsorde. In strafzaken zijn het de vele veroordelingen voor alledaagse feiten die de ondergrens aangeven van wat in het maatschappelijk verkeer toelaatbaar is. De huidige discussie over #MeToo en de strafrechtelijke begrenzing van (on)toelaatbaar gedrag biedt een sprekend voorbeeld (evenals de Vindicat-zaak). In het civiele recht markeren de wederzijdse rechten en plichten hoe burgers en bedrijven maar ook overheden zich jegens elkaar te gedragen hebben en waaraan zij gehouden kunnen worden. Wie draagt de kosten van een gebeurtenis als de Fipronil-affaire? In het bestuursrecht wordt het handelen van overheden langs de maatlat van de wet en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur gelegd. Die beslissingen stellen niet alleen bindend de desbetreffende rechtsverhouding vast, maar bepalen ook voor de toekomst de normatieve betekenis van soortgelijk handelen. De recente uitspraak van de bestuursrechter over het gasbesluit van het kabinet stelt normen voor de wijze waarop met de belangen van de Groningers dient te worden omgegaan.*26 Dat geeft structuur en inhoud aan soortgelijke vormen van sociale interactie en daarmee aan het normatieve gebeente van de samenleving. Wanneer de Rechtspraak zich terugtrekt uit bepaalde sociale sectoren, heeft dat invloed op de normering van gedrag in die sector. Zelfregulering, soft law en vormen van private geschilbeslechting kunnen haar rol overnemen. Maar deze en andere alternatieven missen de karakteristieken die de Rechtspraak in positieve zin onderscheiden: de transparante, bindende en duurzame vaststelling van de rechtsverhouding en de normering van toekomstige soortgelijke rechtsverhoudingen. Wat de Rechtspraak biedt – meer en beter dan de alternatieven – is een bijdrage aan een in normatief opzicht duurzame samenleving.

Deze opvatting is natuurlijk niet nieuw, integendeel. De klassieke sociologen (Durkheim, Weber) waren geobsedeerd door de cohesie – en daarmee de duurzaamheid – van de moderne samenleving. In hun verklaringen speelden de instituties van de religie en het recht een grote rol. Voor Durkheim berustte de solidariteit in de premoderne samenleving op gelijkenis (‘mechanische solidariteit’) en in de moderne samenleving op differentiatie (‘organische solidariteit’). De eerste was de voedingsbodem voor (repressief) strafrecht, de laatste voor (restitutief) privaatrecht. In beide gevallen maakt het recht deel uit van het collectieve bewustzijn (conscience collective) – de gedeelde waarden en overtuigingen – in de samenleving.*27 Aan het onderhoud en de verrijking van dat collectieve bewustzijn draagt de Rechtspraak bij.

Rechtspraak biedt een bijdrage aan een in normatief opzicht duurzame samenleving.

De opeenvolgende uitspraken van de rechter over de aansprakelijkheid voor het drama in 1995 in Srebreniça illustreren dit. In 2013 wees de Hoge Raad het cassatieberoep van de Staat af in de zaken Nuhanoviç en Mustafiç, waarmee de aansprakelijkheid van de Staat in deze zaken gegeven was.*28 Die uitspraak droeg bij aan de collectieve verwerking door de Nederlandse samenleving van het trauma van Srebreniça, in het bijzonder het collectieve schuldbewustzijn voor het eigen aandeel in de grootste genocide in Europa sinds de Tweede Wereldoorlog. Maar daarmee was de kous nog niet af. In de zomer van 2017 wees het Haagse hof arrest in de zaak van de Stichting Mothers of Srebreniça en tien individuele eiseressen tegen de Staat over de verdere aansprakelijkheid van de Staat voor de gebeurtenissen op en rond de compound.*29 ‘Nederland raakt maar niet af van de schuldvraag in drama Srebreniça’, kopte NRC Handelsblad na het arrest dat het hof Den Haag wees op 27 juni 2017. Opeenvolgende rechterlijke uitspraken helpen bij de beantwoording van die schuldvraag en daarmee bij de verwerking van dit nationale trauma in het collectieve bewustzijn. Ook uitspraken van internationale rechters kunnen daartoe bijdragen, zoals recentelijk die van het Joegoslaviëtribunaal in de zaak Mladiç.*30

Weber laat ons bovendien zien wat de grondslag is van de bijdrage van de rechtspraak aan het collectieve bewustzijn. In Webers verklaring van het moderniseringsproces van de Westerse samenleving komt een ontwikkeling voor van waardenrationaliteit (handelen als uitdrukking van een waarde) naar doelrationaliteit (handelen als middel tot een doel).*31 Ook het recht en de rechtspraak hebben daarvan de weerslag ondervonden. Het motto van de Rechtspraak (‘maatschappelijk effectieve rechtspraak’) getuigt daarvan. Rechtspraak moet maatschappelijk effectief zijn, dat wil zeggen, het moet vooraf vastgestelde doelen realiseren. Maar welke doelen zijn dat? En is de bijdrage van de Rechtspraak aan het collectieve bewustzijn wel in die termen te vatten? Als het recht en de rechtspraak daaraan bijdragen, dan is die bijdrage veel beter te vatten in termen van waardenrationaliteit. De Rechtspraak draagt op meerdere manieren bij aan het collectieve geweten – in modernere termen: normatieve duurzaamheid – van de samenleving. Om te beginnen natuurlijk door haar uitspraken, zoals hiervoor toegelicht. Voorts ook doordat zij op een transparante en controleerbare wijze gezag uitoefent over rechtsverhoudingen tussen burgers, bedrijven en overheden, en daarmee aan de uitoefening van gezag door anderen. Ten slotte doordat zij zelf de belichaming is van centrale waarden als integriteit, onafhankelijkheid, onpartijdigheid enzovoorts. Ook hier zijn wij natuurlijk schatplichtig aan Weber, die een helder beeld biedt van rechtspraak als vorm van gezag.*32 Daaraan kan ook het inzicht worden ontleend dat de Rechtspraak een waardenorganisatie is.


4. De Rechtspraak als waardenorganisatie

Zoals de functie van rechtspraak is bij te dragen aan het onderhoud en de ontwikkeling van de waarden in de samenleving, zo is de Rechtspraak zelf ook een waardenorganisatie. Daarmee bedoel ik dat zij eerst en vooral wordt gedefinieerd door de waarden waarvoor zij staat.*33 Bovendien is er een verband tussen de functie van de rechtspraak en het karakter van de Rechtspraak. Rechterlijke beslissingen dragen bij aan de normatieve duurzaamheid van de samenleving omdat de Rechtspraak een waardenorganisatie is. Wanneer zij dat karakter zou verliezen, zou dat haar effectiviteit in de vervulling van deze maatschappelijke functie negatief beïnvloeden. Natuurlijk is het legitiem de Rechtspraak door te lichten als organisatie of bedrijf, met name wanneer haar effectiviteit en efficiency worden onderzocht. Maar dat is niet de wijze waarop de Rechtspraak zichzelf definieert, noch die waarop de meeste rechters en raadsheren haar zien. Zij hebben gekozen voor de Rechtspraak omdat zij de functie vervult die hiervoor is omschreven en daarbij staat voor integriteit, onafhankelijkheid, onpartijdigheid. Zij hebben níet voor de Rechtspraak gekozen omdat zij ambieert effectief en efficiënt te zijn (wat zij natuurlijk wel doet, en terecht). Misschien is het nuttig dit te illustreren met het gedoe in en rond de Rechtspraak de afgelopen jaren. De discussies over de werkdruk (het Leeuwarder manifest), de kwaliteit van de rechtspraak (Tegenlicht) en over sluitingen die niet doorgingen (demonstrerende rechters), vormden evenzovele signalen dat voor veel rechters en raadsheren de grens bereikt was. Aan die periode heb ik de indruk overgehouden dat veel rechters zich niet herkenden in het beeld dat intern en extern van de Rechtspraak werd geschetst. De nadruk op de effectiviteit en de efficiency van de organisatie werd te dominant, waardoor het zicht verdween op de waarden waarvoor de Rechtspraak eigenlijk staat. Tegen die achtergrond is het belangrijk te erkennen dat de Rechtspraak een waardenorganisatie is die primair dient te worden beoordeeld op de mate waarin zij in haar werk de waarden realiseert waarvoor zij staat en aldus bijdraagt aan de normatieve duurzaamheid van de samenleving (waarmee de vraag of zij dat op effectieve en efficiënte wijze doet, natuurlijk relevant blijft).

Rechterlijke beslissingen dragen bij aan de normatieve duurzaamheid van de samenleving omdat de Rechtspraak een waardenorganisatie is.

De discussie binnen de Rechtspraak gaat nu weer over de kwaliteit van het rechterlijke werk. Daarmee dienen zich verscheidene mogelijkheden aan om het rechterschap ‘opnieuw uit te vinden’, dat wil zeggen, om de klassieke waarden van het ambt te herdefiniëren en opnieuw vorm te geven in het licht van veranderde maatschappelijke en bestuurlijke verhoudingen. Het is de kunst om daarbij trouw te blijven aan het eigen paradigma van waardenrationaliteit (zie paragraaf 3). Dat kan worden toegelicht aan de hand van verschillende actuele discussies. Om te beginnen de discussie over de professionele standaarden. Natuurlijk kunnen die worden vormgegeven als tamelijk technocratische protocollen, of zelfs als een nieuw financieringsinstrument. Dat komt mij voor als een perversie van de mogelijkheden die professionele standaarden bieden indien zij worden opgevat als concretisering van de waarden die het rechtersambt definiëren in de concrete taakstelling van het desbetreffende vakgebied. Professionele standaarden zijn dan een levend document dat permanent het uitgangspunt is voor, en het eindpunt is van de discussie over de ‘best practices’ van deze taak, waarbij de discussie net zo belangrijk is als het resultaat. Een voorbeeld kan dit illustreren. Op dit moment mag ik meewerken aan de discussie van de civiele raadsheren van het hof ’s-Hertogenbosch over de nieuwe professionele standaard Meervoudig Beslissen. Voorafgaande aan de invoering van het ‘dubbele raadkameren’ zijn in enkele sessies de kansen en risico’s besproken, waarna tot invoering is overgegaan. Komend voorjaar staat het voortgezette debat over de eerste ervaringen op de agenda. Deze gesprekken maken de professionele standaard wat zij bedoelt te zijn: een instrument voor een kwalitatief betere oordeelsvorming (en niet een protocol dat als reservecircuit dient, voor als er iets mis is gegaan). Omdat dit appelleert aan de waarden waarvoor de Rechtspraak staat – en op grond waarvan men voor dit ambt heeft gekozen – zou dat kunnen bijdragen aan de betrokkenheid bij de organisatie en haar werk. Dat geldt ook voor de introductie van ‘maatwerk en regie’ in de procesvoering. Voor de civiele rechtspraak – om mij hier daartoe te beperken – biedt dat niet alleen de kans om het civiele proces op een nieuwe leest te schoeien, maar ook om de rol van de civiele rechter opnieuw te overwegen. Wanneer de civiele rechter een zaak van begin tot eind vormgeeft – zowel door de instructie van de zaak als door de daarin genomen beslissingen – versterkt dat de individuele verantwoordelijkheid van de rechter. De rol van de rechter wordt uitgebreid van die van beslisser en zittingsrechter tot die van ‘casemanager’ en de spil in de hele procedure. Uit ervaring weet ik dat daardoor de betrokkenheid bij zowel de voortgang als de kern van de zaken toeneemt. In het Antilliaans hof is ‘maatwerk en regie’ in de enkelvoudige eerstelijnsrechtspraak gemeengoed. Consequentie is wel dat deze regiefunctie tot op zekere hoogte andere competenties vraagt, en daardoor de kans biedt om het civiele rechterschap opnieuw uit te vinden. Het lijkt een goed uitgangspunt om daarbij van elkaar te leren, niet alleen van de civiele rechters onderling, maar ook van de bestuursrechters en de strafrechters. Uit recent gehouden interviews komt naar voren hoe de relatief sterke en minder sterk ontwikkelde competenties zijn verdeeld. Rechters zelf zijn van oordeel dat de bestuursrechter goed is in regie, casemanagement, werkverdeling en effectief delegeren. Zij is goed voorgelicht en goed voorbereid op de zitting. Civiele rechters zijn wat minder formeel op de zitting en hebben bovendien een sterk verantwoordelijkheidsbesef voor de beslissing en voor maatwerk in de beoordeling. De strafrechters ten slotte hebben weer meer ervaring met mondelinge uitspraken en daarvan kunnen de anderen weer leren.*34 Met een open oog voor ieders competenties valt er veel van elkaar te leren. Dat biedt zicht op een versterking van de betrokkenheid bij de vormgeving van het werk; niet alleen doordat rechters zelf de kans krijgen om hun vak verder te ontwikkelen, maar ook omdat zij dat op zodanige wijze mogen doen dat hun regie in het werk wordt versterkt.

Niemand ontkent het belang van effectiviteit en efficiency, maar dat zijn niet de waarden die rechters en raadsheren de bezieling in hun werk bieden.


5. Op zoek naar verbinding

De onderzoeksvraag luidde: Wat is de kern van het werk van de Rechtspraak dat maakt dat haar werk niet zonder meer kan worden overgeheveld? Wat is de toegevoegde waarde van rechtspraak boven andere vormen van afdoening of geschilbeslechting? In de kwantitatieve benadering van het rechterlijk domein is het antwoord eenvoudig ontkennend: er is geen toegevoegde waarde, rechtspraak is een functie die door anderen kan worden vervuld, of die zelfs onwenselijk is (de zelfredzame burger). In de kwalitatieve benadering van het rechterlijk domein staan er evenwel een aantal publieke functies op het spel, zoals de rechtshandhaving, de rechtsbescherming, de rechtsontwikkeling en het publieke debat. De kern van het rechterlijk werk bestaat erin om – met en door het alledaagse werk – deze functies te dienen. In deze bijdrage is geprobeerd om dit verder uit te werken met de gedachte dat de rechtspraak bijdraagt aan de normatieve duurzaamheid van de samenleving. Dat is in feite een eigentijdse herformulering van de aloude gedachte dat het recht een institutie is die het collectieve geweten van de samenleving representeert en versterkt (Weber, Drukheim). Deze onderbouwing zou het verhaal van de Rechtspraak kunnen versterken. ‘Maatschappelijk effectieve rechtspraak’ is belangrijk en de les constitutioneel recht over de verschillende vormen van rechtspraak in de openbare documenten van de Raad voor de rechtspraak is een begin. Maar zou het verhaal van de Rechtspraak niet veel sterker worden wanneer wij uitdragen dat de rechtspraak vooral bijdraagt aan het normatieve onderhoud van de samenleving? Het zou getuigen van vertrouwen op eigen kracht wanneer wij de bijdrage van de Rechtspraak in de samenleving vaker in die termen zouden toelichten (en niet louter in termen van haar kosten en baten). Wie de verbinding met de samenleving wil versterken, doet er goed aan zijn eigen verhaal voor het voetlicht te brengen (en niet het verhaal van een ander). Dat verhaal zou niet alleen de verbinding met de samenleving kunnen versterken, maar ook de verbinding binnen de Rechtspraak zelf. Na al het gedoe van de afgelopen jaren is gelukkig de weg naar de verbinding weer gevonden. Niet toevallig is die weg gevonden door de discussie te verleggen naar de kwaliteit van het werk van de Rechtspraak, en door meer professionele ruimte te bieden aan de rechters en raadsheren. Niemand ontkent het belang van effectiviteit en efficiency, maar dat zijn niet de waarden die rechters en raadsheren de bezieling in hun werk bieden. Die bezieling wordt veeleer gezocht en gevonden in de bijdrage die met het rechterlijke werk wordt geleverd aan de handhaving en de ontwikkeling van waarden en normen in de samenleving – in de versterking van wat hier haar ‘normatieve duurzaamheid’ is genoemd – en daarmee in de waarden waar de Rechtspraak als organisatie voor staat. De Rechtspraak is een waardenorganisatie en verdient het om zo te worden bestuurd. De erkenning van dit eenvoudige gegeven – zowel in woord als in daad – kan de positieve ontwikkelingen in en rond de Rechtspraak versterken. De conclusie is dat de verbinding met de samenleving en die in de eigen gelederen hand in hand gaan. Beide zijn gediend met de versterking van het eigen verhaal, en dus met een betere communicatie over de waarden die de Rechtspraak dient en waar zij voor staat. Waar doen wij het eigenlijk voor? Voor een normatief duurzame samenleving. Dat zou het devies kunnen zijn van een Rechtspraak die op zoek is naar verbinding.

www.rechtspraak.nl (geraadpleegd op 20 december 2017)

‘Dag van de rechtspraak: rechters laat u niet kleineren en marginaliseren’, NJB 3 oktober 2017, www.njb.nl (geraadpleegd op 20 december 2017).

Wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Algemene wet bestuursrecht in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht, MvT (Kamerstukken II 2014/15, 34059, 3). Vgl. ook L.M. Coenraad & P. Ingelse, ‘Afscheid van de klassieke civiele procedure? Vernieuwen + behouden = versterken’, in: L.M. Coenraad et al., Afscheid van de klassieke procedure? (Preadvies NJV 2017) (Handelingen Nederlandse Juristen-Vereniging, nr. 1), Deventer: Wolters Kluwer 2017, p. 13-137 en B.J. van Ettekoven & A.T. Marseille, ‘Afscheid van de klassieke procedure in het bestuursrecht?’, in: Preadvies NJV 2017, p. 139-263.

Zie T. Lennaerts, ‘De spreekuurrechter’, NJB 2016, p. 596 en ‘De proef met een spreekuurrechter’, NJB 2017, p. 2139. Zie ook E. Mak, ‘De spreekuurrechter: een nuttige innovatie?’, Ars Aequi 2017, p. 291-299.

www.rechtspraak.nl (geraadpleegd op 20 december 2017)

Zie de motie-Segers bij de begrotingsbehandeling (Kamerstukken II 2016/17, 34550 VI, 65). Vgl. hierover E. von Boné, ‘Terug naar een “mediationrechter” in Nederland conform het model van Voltaire?’, Nederlands-Vlaams Tijdschrift voor mediation en conflictmanagement 2016, p. 17-20 en ‘Herinvoering van de vrederechter in Nederland mogelijk een feit?’, Nederlands-Vlaams Tijdschrift voor mediation en conflictmanagement 2016, p. 45-49.

Brief van de Minister van Veiligheid en Justitie, houdende de Contourennota (Kamerstukken II 2015/16, 29279, 278) en Advies concept-Contourennota Modernisering Wetboek van Strafvordering 2 april 2015. Vgl. hierover M. Kessler, ‘Contourennota modernisering Wetboek van Strafvordering’, Ars Aequi 2016, p. 126-131 en M. Kessler, Audiovisuele verslaglegging in een gemoderniseerd Wetboek van Strafvordering, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2016.

Initiatiefnota-Recourt, De toepassing van herstelbemiddeling binnen het strafrecht (Kamerstukken II 2014/15, 29528, 2). Zie ook de brief van de Minister van Veiligheid en Justitie (Kamerstukken II 2015/16, 29528, 10) en het verslag van het overleg op 29 november 2017 (Kamerstukken II 2017/18, 33552, 42). Vgl. hierover J.H. Crijns & R.S.B. Kool, ‘Afscheid van de klassieke strafrechtelijke procedure?’, in: Preadvies NJV 2017, p. 265-357. Zie ook M.S. Groenhuijsen, ‘Herstelbemiddeling en mediation in het strafrecht. Een nieuw hoofdstuk’, Delict en Delinquent 2016/1, p. 1-9

S. Verberk, Mediation naast strafrecht in het arrondissement Amsterdam. Een beschrijving van het proces en een verkenning van de effecten, Amsterdam: Rechtbank Amsterdam 2011 en J. Klaassen & G. Zeles, ‘Bemiddeling in strafzaken in Maastricht. De eerste onderzoeksresultaten’, NJB 2013, p. 1604

Zie naast de aangehaalde bronnen de adviezen van de SER: Snel en toegankelijk geschillen oplossen (advies 2016/03) en Consumentengeschillen moeten sneller en eenvoudiger opgelost kunnen worden (advies 17/08).

R.H. de Bock, De toekomst van de civiele rechtspraak. Een pleidooi om de rechter niet te ontlasten, Zutphen: Uitgeverij Paris 2017.

Raad voor de rechtspraak, Begrotingsvoorstel 2018, 28 augustus 2017, p. 9.

Over het rechterlijk domein N.J.H. Huls & M.A. Loth, Het domein van de rechter, Deventer: Kluwer 2004.

Uiteindelijk blijft de afbakening van het rechterlijk domein immers afhankelijk van een verzwegen premisse, die wordt gevormd door het antwoord op de vraag: waarom horen juist deze probleemgebieden tot het rechterlijk domein, of waarom is het belangrijk dat juist deze doelgroepen bij de rechter terecht kunnen? Die verzwegen premisse is normatief van aard, reden waarom wij er zonder normatieve theorie over de rechtspraak niet uitkomen.

Zie M.A. Loth & E. Mak, ‘Het rechterlijk domein in beeld. Cijfers, trends en perspectieven’, in: M. van Berckel & Y. Roijers (red.), Rechtspraak 2015, Den Haag: Sdu Uitgevers 2007, p. 47-87. Zie ook Mak, a.w. (2017).

D. Luban, ‘Settlements and the erosion of the public realm’, The Georgetown Law Journal 1995, p. 2619-2662.

Met de keuze voor het woord ‘paradigma’ wil ik tot uitdrukking brengen dat het verschillende perspectieven betreft, die verschillende werkelijkheden opleveren. Verschillende ‘wijzen van zien’ bepalen verschillende ‘wijzen van zijn’.

P. Ricoeur, The just, Chicago: University of Chicago Press 2000, p. 127.

S. Hampshire, Justice is conflict, Princeton (NJ): Princeton University Press 2000, p. 79-98 en A.M. Hol en M.A. Loth, ‘Iudex mediator. Naar een herwaardering van de juridische professie’ (preadvies Vereniging voor de Wijsbegeerte van het recht), Nederlands Tijdschrift voor Rechtsfilosofie en Rechtstheorie 2001/1, p. 9-57.

B.C.J. van Veldhoven, De waarde van de juridische infrastructuur voor de economie, www.rechtspraak.nl.

Our common future. Report of the world commission on environment and development (Brundtland-report), 1987, www.un-documents.net.

Het begrip ‘duurzaamheid’ wordt ook gebruikt door L. Berends in: ‘Rechter van de toekomst, een letterlijke droombaan’, Trema 2017, p. 320 en 321, maar net in een andere betekenis; zij gebruikt het als kwalificatie van de rechter, terwijl ik het hier gebruik als kwalificatie van een eigenschap van de samenleving die door de rechter wordt versterkt.

A. Margalit, The decent society, Cambridge (MA): Harvard University Press 1996.

Rb. Den Haag 24 juni 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:7145.

Zie Rb. ’s-Gravenhage 14 december 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BS8793.

ABRvS 15 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3156.

E. Durkheim, The division of labor in society, New York: The Free Press 1984, p. 31-68, 149-179.

HR 6 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9225 en BZ9228.

Hof Den Haag 27 juni 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:1761.

ICTY 22 november 2017, www.ICTY.org (geraadpleegd 23 november 2017).

M. Weber, The theory of social and economic organization, New York: The Free Press 1964, p. 115-118.

Ibidem, p. 324-430.

M.A. Loth & E. Mak, ‘Rechterlijke beroepsethiek’, in: E.R. Muller & C.P.M. Cleiren (red.), Rechterlijke macht: rechtspraak en rechtshandhaving in Nederland, Deventer: Kluwer 2013, p. 323-349.

Van Ettekoven & Marseille, a.w., p. 188-190.

Top