01 2018

Tips voor de redactie van verzoeken om een prejudiciële beslissing


De Nederlandse rechters zijn al jaren zeer actief als het op het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof) aankomt. Om hun bij de redactie van hun verwijzingsbeslissing behulpzaam te zijn, heeft het Hof een aantal aanbevelingen gedaan.*1 Doel van deze bijdrage is niet om de Aanbevelingen uitgebreid te bespreken, maar om vanuit de praktijkervaring een aantal tips te geven die niet of niet met zoveel woorden in de Aanbevelingen staan. Getracht wordt om aan de hand van de goede en soms minder goede ervaringen met de wijze waarop de Nederlandse verwijzingsbeslissingen zijn opgesteld, tot een lijst van tips te komen. Die zouden dan een voortvarende behandeling van die beslissingen in de hand moeten werken.

Rectificatie

In het artikel van Jacqueline Coumans in het vorige nummer van Trema (2017, nr. 10) is helaas in de papieren versie een deel van de tekst weggevallen. Onderstaand nemen wij het artikel daarom nogmaals op.


Referentiepersoon

De verzoeken om een prejudiciële beslissing, die in alle officiële talen moeten worden vertaald, bevatten niet zelden meer informatie dan voor het Hof noodzakelijk is. Daarom ondergaan de verwijzingsbeslissingen na binnenkomst bij het Hof eerst een aantal bewerkingen door een jurist-vertaler van de desbetreffende vertaalafdeling van het Hof, de zogenoemde referentiepersoon. Zijn eerste taak is, bij binnenkomst van de beslissing ‘omissis’ aan te brengen.


Omissis

Zoals het Hof in zijn Aanbevelingen heeft bevestigd, kan het verzoek om een prejudiciële beslissing elke vorm aannemen die het nationale recht voor procesincidenten toelaat.*2 Een verwijzingsbeslissing is dus eerst en vooral een nationale rechterlijke beslissing, die qua presentatie en inhoud moet voldoen aan een aantal nationale regels. Niet alle informatie die naar nationaal recht in de beslissing moet staan, is voor het Hof relevant. Vandaar het aanbrengen van omissis of wat misschien duidelijker kan worden omschreven als het wegstrepen van de delen van de tekst die voor het Hof niet relevant zijn en dus ook niet hoeven te worden vertaald. In het Reglement voor de procesvoering van het Hof is namelijk bepaald dat elke verwijzingsbeslissing in alle officiële talen van de lidstaten wordt vertaald.*3

Bij 23 officiële talen is elke bladzijde die kan worden weggestreept, voor het Hof winst, omdat het dan de beperkte vertaalcapaciteit efficiënter kan benutten.

De voor de hand liggende delen die worden weggestreept, zijn nationale referentienummers, bepaalde formules, zoals uitgesproken ter openbare terechtzitting, de naam van de advocaat enzovoort. Ook het procesverloop kan heel vaak worden ingekort, omdat het Hof alleen inzicht in de belangrijkste fasen van de procedure hoeft te hebben. De weggestreepte delen worden telkens vervangen door de aanduiding ‘[omissis]’. De zojuist genoemde onderwerpen zijn meestal niet zo problematisch.

Ook relatief gemakkelijk zijn de nationale, meestal procedurele, vraagstukken waarop de verwijzende rechter zelf al een antwoord geeft. Bijvoorbeeld of hij bevoegd is of dat een derde partij kan worden toegelaten. Die delen worden vervangen door een korte tekst tussen vierkante haken, bijvoorbeeld ‘[De verwijzende rechter komt tot het oordeel dat hij bevoegd is]’ of ‘[Argument betreffende de proceskosten]’. Voor de referentiepersoon zou het praktischer zijn indien dit soort onderwerpen in een aparte rubriek worden behandeld in de verwijzingsbeslissing.


Scheiding tussen het nationale deel en het ‘prejudiciële’ deel

Ook praktisch is het wanneer de delen van de beoordeling ten gronde die alleen relevant zijn voor de nationale procedure en niet voor het stellen en beantwoorden van de prejudiciële vragen, in (een) aparte rubriek(en) worden ondergebracht. In de praktijk van het Hof is steeds vaker te zien dat rechters het Hof op weg helpen met inleidende zinnen als ‘enkele onderwerpen waarover geen prejudiciële vragen worden gesteld’ of ‘niet voor de prejudiciële beslissing relevante onderwerpen’.

Dat is uiteraard bijzonder behulpzaam, omdat de rechter daarmee zelf de indicatie geeft dat dit deel niet relevant is voor het Hof, maar voor de partijen in het hoofdgeding, die ook recht op een motivering hebben. Voor zover het nationale recht dat toelaat, is het daarom zeer aanbevelenswaard om af te wegen of de beoordeling ten gronde niet in een voor de prejudiciële procedure relevant deel en een daarvoor niet-relevant deel kan worden gesplitst. Dat voorkomt misverstanden en verkleint het risico dat het Hof geen bruikbaar antwoord op de gestelde vragen geeft.

Een ander voordeel van een dergelijke scheiding is dat het voor de prejudiciële procedure bestemde deel samenhangender zal zijn geschreven. De tekst zal dan veel minder vaak worden onderbroken door het woordje ‘[omissis]’ en de lijn zal dan beter te volgen zijn. Mocht een samenvatting nodig zijn (zie hierna), dan zal het voor de referentiepersoon ook gemakkelijker zijn om dit deel van de tekst over te nemen.

Het is daarom zeer aanbevelenswaard om af te wegen of de beoordeling ten gronde niet in een voor de prejudiciële procedure relevant deel en een daarvoor niet-relevant deel kan worden gesplitst.


Citaten van wetgeving

In sommige zaken is de nationale wetgeving die wordt aangehaald echt problematisch. Het is in dit digitale tijdperk heel eenvoudig om wetgeving uit een databank te kopiëren en in de verwijzingsbeslissing te plakken. Het probleem is dat daarbij vaak meer wordt gekopieerd en geplakt dan voor de behandeling van de zaak door het Hof noodzakelijk is. Het is dan aan de referentiepersoon om te trachten na te gaan wat echt relevant is voor de oplossing van het geschil. Daarin schuilt uiteraard weer een risico. Het verdient dan ook aanbeveling om heel selectief te zijn met wetteksten die letterlijk worden aangehaald, om te voorkomen dat een verkeerde selectie wordt gemaakt. Ook kan het wetgevingskader worden omschreven als het niet echt nodig is om de letterlijke wettekst erbij te hebben. Dat is eenvoudiger te vertalen dan ingewikkelde wetsartikelen. In het geheel geen wetgeving opnemen, is natuurlijk ook geen optie, omdat er dan ontvankelijkheidsproblemen rijzen.

Voor het Hof belangrijk is dat het aan de hand van de informatie over het feitencomplex en de toepasselijke wetgeving kan begrijpen voor welk dilemma de verwijzende rechter staat en hoe het nationale recht zich tot het Europese recht verhoudt. Het Hof wil geen abstracte rechtsgeleerde adviezen geven, maar een voor de oplossing van het geschil bruikbaar antwoord. Daarvoor heeft het een minimum aan informatie over het feitelijke en het wettelijke kader nodig. Aan de hand daarvan kan het ook nagaan of het wel bevoegd is om op de prejudiciële vragen te antwoorden.*4

Het verdient dan ook aanbeveling om heel selectief te zijn met wetteksten die letterlijk worden aangehaald, om te voorkomen dat een verkeerde selectie wordt gemaakt.

De wetgeving zal in het verdere verloop van de procedure overigens nog een tweede keer aan bod komen, omdat er nog gelegenheid voor onder meer de betrokken lidstaat, in Nederlandse zaken dus Nederland, en de Europese Commissie zal zijn om schriftelijke opmerkingen in te dienen. Daarvan wordt in vrijwel alle prejudiciële zaken gebruikgemaakt. Het is dan gebruikelijk dat zij in hun opmerkingen het wetgevingskader schetsen. Voor het Hof is de winst er dan daarin gelegen dat die opmerkingen, en dus de wetgeving, alleen in het Frans hoeven te worden vertaald en niet in alle officiële talen.


Commentaren

De referentiepersoon brengt ook commentaren aan bij lastige zinnen, voor een buitenlander vreemd ogende uitdrukkingen en eventuele begrippen van nationaal recht. Die zijn alleen bedoeld voor de andere vertaalafdelingen, zodat die beter begrijpen wat er staat. Het Hof krijgt die dus niet te zien.

Zoals het Hof in de Aanbevelingen heeft benadrukt, is eenvoudig, duidelijk en nauwkeurig taalgebruik zeer aan te bevelen, gezien de noodzaak om de verwijzingsbeslissing in alle andere officiële talen te vertalen.*5 Daarbij komt het niet alleen op de woordkeuze aan, maar ook op de zinsconstructie. Een zin als “[...] en zal in een, in voorkomend geval, tegen die beslissing ingestelde procedure moeten worden uitgemaakt of verweerder het desbetreffende verzoek terecht geheel, gedeeltelijk of, in voorkomend geval, in het geheel niet heeft gehonoreerd”, bleek niet goed te zijn begrepen door de Franse vertaler. Ook het woord ‘die’ wil nog wel eens voor verwarring scheppen. Vaak is het handiger om het woord waar de ‘die’ op slaat nog eens te herhalen. Ook is het beter om lange zinnen met veel tussenzinnen te vermijden. Dat leest niet alleen voor de andere vertalers, maar ook voor het Hof prettiger.

Eenvoudig, duidelijk en nauwkeurig taalgebruik is zeer aan te bevelen, gezien de noodzaak om de verwijzingsbeslissing in alle andere officiële talen te vertalen.

Pas wanneer vanuit de optiek van een vertaler uit een ander land naar het Nederlands wordt gekeken, valt op hoe vaak in onze taal gezegdes worden gebruikt. Ondertussen zijn uitdrukkingen als ‘de plank misslaan’ of ‘geen hout snijden’ wel al bekend, maar toch is het beter om gezegdes te vermijden. Het is moeilijk om die in een andere taal over te brengen.

Ook bij specifieke nationale rechtsbegrippen wordt vaak een commentaar toegevoegd. In andere rechtsorden is namelijk niet voorshands duidelijk wat bijvoorbeeld een ‘bestuurlijke lus’ is. Ook voor het Hof niet. Een ander voorbeeld is dat van de deelnemingsvrijstelling, die in het Frans was vertaald als exonération de participation. Dat begrip was voor de rechter-rapporteur zo onduidelijk dat hij de verwijzende rechter om verduidelijking heeft verzocht. De vraag was nogal eenvoudig: wat is de deelnemingsvrijstelling en wanneer kan een onderneming daar aanspraak op maken? Het antwoord was dat helaas niet: een bijzonder lange en technische uitleg met daarin uitvoerig geciteerde artikelen uit de Wet op de vennootschapsbelasting en het Besluit fiscale eenheid, met finesses als het verschil tussen een ‘buitenlands belastingplichtige dochtervennootschap’ en een ‘buitenlandse belastingplichtige dochtervennootschap’. Het werkt voor de procedure natuurlijk bijzonder vertragend wanneer nog om verduidelijking van dit soort begrippen moet worden gevraagd. Bij de redactie van de verwijzingsbeslissing zou dus moeten worden bedacht of de aangehaalde begrippen bekend zouden moeten zijn in andere landen of niet. Bij twijfel is het beter om bij typisch Nederlandse rechtsbegrippen een korte uitleg op te nemen.

Voor specifieke begrippen heeft het Hof overigens een databank aangelegd, ‘CuriaTerm’ genaamd, die gaandeweg wordt aangevuld en waarin ondertussen al ongeveer 129.000 (Unierechtelijke en nationale) begrippen staan. Ook hier is een taak voor de referentiepersoon weggelegd. Hij kan aan de terminologie-afdeling signaleren dat een begrip voor opname in CuriaTerm in aanmerking komt. Hij stelt dan een definitie voor het begrip voor, op basis waarvan de terminologie-afdeling een fiche aanmaakt. De andere vertaalafdelingen wordt dan verzocht om die fiches in hun taal aan te vullen.


Samenvatting of niet?

Soms kan niet worden volstaan met het aanbrengen van omissis en moet een samenvatting worden gemaakt.

Is de verwijzingsbeslissing korter dan twintig standaardbladzijden van 1500 karakters zonder de spaties – dus 30.000 karakters – dan kan het stuk zo door de andere afdelingen worden vertaald.

Telt de verwijzingsbeslissing twintig standaardbladzijden of meer, dan moet de referentiepersoon een samenvatting maken.*6 Die samenvatting is overigens hoofdzakelijk voor de lidstaten bestemd, die aan de hand daarvan moeten beslissen of zij opmerkingen willen maken,*7 en niet voor het Hof. Het Hof zelf werkt namelijk op basis van de langere omissis-versie, die in het Frans wordt vertaald en daarna grondig wordt gecontroleerd door de referentiepersoon. De directie Onderzoek en Documentatie werpt ook nog een blik op de oorspronkelijke en de omissis-versie, om zich ervan te vergewissen dat geen van de weggestreepte delen alsnog relevante informatie blijkt te bevatten.

Telt de verwijzingsbeslissing twintig standaardbladzijden of meer, dan moet de referentiepersoon een samenvatting maken.

In de samenvatting staan alle gegevens die volgens het Reglement voor de procesvoering moeten worden opgenomen, voor zover ze natuurlijk in de verwijzingsbeslissing voorkomen.*8

Onder de rubrieken ‘voorwerp van de procedure in het hoofdgeding’ en ‘voorwerp en rechtsgrondslag van het verzoek om een prejudiciële beslissing’ wordt kort geschetst wat de inzet van de nationale procedure en die van de prejudiciële verwijzing is.

Dan volgen de ‘prejudiciële vragen’, waarbij voor de referentiepersoon een absoluut verbod geldt om ook maar iets aan de tekst te wijzigen. De vragen worden dus altijd letterlijk en uiteraard integraal overgenomen. In die context dient te worden gewezen op twee specifieke punten die zijn terug te voeren op het vereiste dat de vragen op zich begrijpelijk moeten zijn. De vragen komen in het verdere verloop van de prejudiciële procedure in een mededeling in het Publicatieblad van de Europese Unie te staan en daarna – geïsoleerd – in de conclusie en het arrest. Het oogt dan vreemd dat de richtlijn of verordening waar het in de zaak om gaat met een naam (bijvoorbeeld de Antonveneta-richtlijn of de Cabotage-verordening) en zonder enige referentie wordt genoemd. De gemiddelde lezer in een andere lidstaat weet niet noodzakelijk welke verordening of richtlijn daarmee wordt bedoeld en ook voor de andere vertaalafdelingen is het niet evident om zelf namen voor wetgeving te bedenken, met name niet omdat het niet overal traditie is om wetten een naam te geven. Overigens ook bij het Hof niet. Het is dus beter om het nummer en eventueel de titel voluit te noemen of om het nummer tussen haakjes achter de naam te vermelden. Om diezelfde reden is het niet aan te raden om in de vraag terug te verwijzen naar een andere rubriek van de verwijzingsbeslissing. Ook in dat geval weet de lezer niet wat daar staat en is de vraag niet op zich begrijpelijk.

De daarop volgende rubrieken zijn de ‘aangevoerde bepalingen van Unierecht’ en de ‘aangevoerde bepalingen van nationaal recht/nationale rechtspraak’. Dan komen ‘korte uiteenzetting van de feiten en de procedure in het hoofdgeding’ en ‘voornaamste argumenten van partijen in het hoofdgeding’. Wat dat laatste betreft, zijn de argumenten van de partijen in de ene zaak belangrijker dan in de andere. Wanneer de verwijzende rechter daar zijn gehele redenering op baseert, moeten de argumenten van de partijen wel uitgebreid worden weergegeven. In andere zaken vermeldt de verwijzende rechter die argumenten slechts terloops. In dat geval worden die ook in de samenvatting zo beknopt mogelijk weergegeven.

Het is zeer aanbevelenswaard om zo kritisch mogelijk te zijn met uitweidingen en zo duidelijk mogelijk te maken wat hoofdzaak en wat bijzaak is.

De volgende rubriek, ‘korte uiteenzetting van de motivering van de verwijzing’, is die waar het vaakst problemen rijzen voor de referentiepersoon. Hij ontkomt er immers niet aan dat hij de tekst moet comprimeren en waar nodig een selectie moet maken. Ook hier is er natuurlijk altijd het risico dat de referentiepersoon ernaast zit en iets weglaat dat misschien wél relevant was. Hij kan de zaak natuurlijk nooit zo goed kennen als de verwijzende rechter dat doet. Ook hier is dus zeer aanbevelenswaard om zo kritisch mogelijk te zijn met uitweidingen en zo duidelijk mogelijk te maken wat hoofdzaak en wat bijzaak is. Sommige rechters doen dat door verschillende lettergrootten of tussenkopjes van verschillende niveaus te gebruiken. Dat is voor de referentiepersoon dan een aanwijzing waaruit hij kan opmaken welke delen beter volledig kunnen worden overgenomen en welke delen kunnen worden ingekort.

Natuurlijk is het zo dat wanneer het belang van de zaak te groot is of inkorten echt niet kan, een langer stuk kan worden vertaald. Dan moet de referentiepersoon echter wel een overtuigende motivering aandragen waarom een korter stuk niet mogelijk was.


Spiltaal

Afhankelijk van de lengte van de verwijzingsbeslissing, wordt de omissis-versie dan wel de samenvatting vervolgens vertaald in de andere talen (met uitzondering van het Frans in het geval van een samenvatting). De afdelingen die niet direct uit het Nederlands kunnen vertalen, werken dan op basis van de Duitse vertaling. Dat is te verklaren door het systeem van de spiltalen dat bij het Hof wordt gebruikt. Het aantal officiële talen is intussen dermate groot, dat er 506 verschillende taalcombinaties mogelijk zouden zijn indien alle teksten direct uit de ene taal in de andere taal zouden worden vertaald. Het is voor het Hof onmogelijk om al zijn vertalers in al deze talen te scholen. Het Hof heeft daarom vier courante talen (Engels, Duits, Spaans en Italiaans) als spiltaal aangewezen, waaraan telkens een aantal andere talen zijn gekoppeld. Voor het Nederlands is het Duits de spiltaal. De Nederlandse tekst wordt dus eerst in het Duits vertaald, waarvoor dan een kortere termijn geldt dan voor de andere talen, en daarna in alle andere talen, voor zover niet direct uit het Nederlands kan worden vertaald. Ook de Duitse vertaling wordt uiteraard eerst grondig nagelezen door de referentiepersoon, om te voorkomen dat eventuele vertaalfouten in de andere talen worden overgenomen

Het verdient dan ook aanbeveling om heel selectief te zijn met wetteksten die letterlijk worden aangehaald, om te voorkomen dat een verkeerde selectie wordt gemaakt


Tips

Het bovenstaande laat zich vertalen in de volgende tips. Om te voorkomen dat de referentiepersoon een verkeerde selectie maakt van de tekst die voor het Hof relevant wordt geacht, is het beter om de delen die niet voor de prejudiciële procedure, maar alleen voor de nationale procedure relevant zijn, in een aparte rubriek onder te brengen. Ook dient selectiviteit te worden betracht bij de wetgeving die letterlijk wordt aangehaald.

Indien de zaak zich daarvoor leent, zou de lengte van de verwijzingsbeslissing bij voorkeur niet meer dan 30.000 karakters (zonder spaties) mogen bedragen. Dan hoeft geen samenvatting te worden gemaakt.

Het draagt tot de begrijpelijkheid van de tekst bij wanneer gezegdes en ingewikkelde zinnen worden vermeden en de tekst zo wordt gestructureerd dat duidelijk kan worden opgemaakt wat hoofdzaak en wat bijzaak is. Om verzoeken om verduidelijking te vermijden, zouden typisch Nederlandse rechtsbegrippen niet als bekend mogen worden verondersteld. Een korte verklarende zin is dan aangewezen.

Bij de redactie van de prejudiciële vragen zelf moet worden bedacht dat die vragen op zich begrijpelijk moeten zijn. Bij de Uniewetgeving dient een nummer te worden vermeld en in de vragen kan niet naar een andere rubriek worden terugverwezen.

Mr. J.J.A. Coumans is jurist-vertaler van de Nederlandstalige vertaalafdeling van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Deze bijdrage vloeit voort uit een reeks voordrachten voor onder meer de Europese Gerechtscoördinatoren en het Studiecentrum voor de Rechtspleging tijdens hun bezoeken aan het Hof.

Aanbevelingen aan de nationale rechterlijke instanties over het aanhangig maken van prejudiciële procedures, PbEU 2016, zaak C-349/1 (hierna: Aanbevelingen).

Punt 14 van de Aanbevelingen.

Art. 98 Reglement voor de procesvoering van het Hof. De geconsolideerde versie van dat Reglement kan worden geraadpleegd op de website van het Hof (www.curia.europa.eu).

S. Prechal, ‘Communication within the Preliminary Rulings Procedure. Responsibilities of the National Courts’, Maastricht Journal of European and Comparative Law 2014, p. 754.

Zie punt 14 van de Aanbevelingen.

Zie art. 98 Reglement voor de procesvoering van het Hof.

Zie art. 23 Protocol betreffende het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie. De geconsolideerde versie van het Statuut kan worden geraadpleegd op de website van het Hof (www.curia.europa.eu). Zie ook punt 14 van de Aanbevelingen.

Zie art. 98 Reglement voor de procesvoering van het Hof.

Top