01 2018

Naschrift

Thomas Bayes, quo vadis?

Reflectie op de recente ‘Bayesiaanse’ discussies in Trema


In het juninummer van Trema 2017 verscheen het artikel ‘Interdisciplinair Forensisch Onderzoek: meer dan de som der delen. Een praktisch model voor het combineren van forensisch bewijs in complexe zaken’ van mr. drs. H. van den Heuvel MBA en drs. J.A. de Koeijer. Onderstaand een naschrift van dr. F.J.M. Alkemade.

Henk van den Heuvel en Jan de Koeijer (hierna: H&K) schreven in het juninummer van Trema een artikel over de Bayesiaanse (deel)analyses van het NFI,*1 waarin zij ook met instemming de twee Bayesiaanse artikelen aanhaalden die Harry Stikkelbroeck en ik (hierna: A&S) eind 2015 in Trema publiceerden. In het oktobernummer van Trema bekritiseerde John Coster van Voorhout (hierna: JCvV) deze Bayesiaanse aanpak.*2 Zijn kritiek was mijns inziens niet alleen onterecht, maar bevatte ook tamelijk felle bewoordingen. In een naschrift van H&K op deze reactie vielen opnieuw harde woorden. Ook de manier waarop ikzelf – overigens uit volle overtuiging – integrale Bayesiaanse analyses van strafzaken uitvoer, stond daarbij ter discussie.

In deze discussie speelden, naast wel erg veel autoriteitsargumenten,*3 ook een aantal misverstanden. Daarvan kan ik, vanwege de beperkte ruimte die mij ter beschikking staat, slechts de drie belangrijkste kort aanstippen. Daarna wil ik in wat bredere zin iets zeggen over de rol die Bayesiaanse analyses in het strafrecht zouden moeten gaan spelen.


Het Prior-misverstand

JCvV meent dat de prior “door de rechter op subjectieve wijze (zonder enig bewijs in acht te nemen) ingeschat [moet] worden”. Deze opvatting geeft de Bayesiaanse denkwijze onjuist weer. Zoals onder andere A&S in genoemde artikelen hebben betoogd, is de prior niets anders dan een waarschijnlijkheidsverhouding van de hypotheses op basis van een (vrij te kiezen) deel van het bewijs en/of statistieken en/of achtergrondkennis. Men kan dus het voorhanden zijnde bewijs op diverse manieren verdelen in bewijs waarop de prior gebaseerd zal worden en bewijs dat van bewijskrachten (= likelihood ratio’s) zal worden voorzien. De posterior zal in principe bij elke verdeling hetzelfde blijven. De prior is dus niet ‘subjectiever’ dan andere bewijsbeoordelingen en staat beslist niet ‘buiten het bewijs’.


Het getallenprobleem

H&K betogen terecht dat er bij bewijsredeneringen geen alternatief bestaat voor een getalsmatige aanpak. Hiertegen noemt JCvV meerdere bezwaren: (1) getallen wekken de schijn van zekerheid, (2) het noemen van getallen leidt tot het priming/ankereffect en (3) aan sommige feiten in een zaak is nou eenmaal geen zinnig waarschijnlijkheidsoordeel toe te kennen.

Mijn reactie hierop is de volgende. (1) Als het probleem van een correcte methode slechts bestaat uit de schijn van zekerheid, dan is het beter om die schijn te bestrijden, dan om de methode te verwerpen. (2) Het ankereffect is prima te bestrijden door de lezer te vragen/dwingen om eerst zijn eigen inschatting te maken, en pas later zelf een getal te noemen. (3) Het lukt vrijwel altijd om een zinnig getal te bepalen, zij het met een (desnoods zeer grote) marge van onzekerheid. Zelfs in een (overigens zeldzame) situatie waarin die onzekerheidsmarges echt extreem groot zijn, kan ook een zinnige onder- of bovengrens vaak al tot belangrijke conclusies leiden. En zelfs als het echt niet lukt om een getalsmatige bewijskracht te schatten, levert dat een nuttig inzicht op: de betreffende bevinding mag/kan dus niet worden meegenomen in de bewijsvoering. Maar wat nu als die bevinding cruciaal is, en als het noodzakelijkerwijs toekennen van een zeer grote mate van onzekerheid ertoe leidt dat we van de posterior kans op schuld nog slechts kunnen zeggen dat hij – zeg – ergens tussen de 0,1% en 99,9% ligt? Dan kan het bewijs in deze casus dus geen uitsluitsel geven. Altijd goed om te weten.


Het zelf schatten van bewijskrachten

Zowel JCvV als H&K hebben er moeite mee dat ik in mijn analyses soms bewijskrachten inschat (wel zo goed mogelijk onderbouwd natuurlijk) op terreinen waarop ik geen gebiedsdeskundige ben. Ik zou daarbij pretenderen die deskundigheid wel te bezitten. Dat pretendeer ik echter expliciet niet. Ik presenteer mijn analyses als een ‘als dan’-verhaal: ‘Als je uitgaat van deze aannames, dan kom je tot deze conclusie.’ Dit verhaal presenteer ik bovendien in meerdere varianten. De vraag in welke mate welk van de gebruikte aannames terecht is, leg ik ter beoordeling aan de rechter voor. Die kan ook altijd besluiten om alsnog een gebiedsdeskundige in te schakelen. Deze aanpak verdient mijns inziens de voorkeur boven het staken van de analyse zodra ergens in het strafdossier een relevante bevinding wordt aangetroffen waarover zich (nog) geen gebiedsdeskundige heeft uitgesproken.


In het algemeen

Ik ben mij ervan bewust dat de bovenstaande passages slechts een summiere indicatie kunnen geven langs welke lijnen mijn pleidooi voor integrale Bayesiaanse analyses zich afspeelt. Enige overtuigingskracht kan daar natuurlijk op zich niet van uitgaan. Daarvoor zijn een veel meer uitgewerkte argumentatie alsmede concrete voorbeelden nodig, en daarvoor verwijs ik graag naar twee artikelen van mijn hand die in het februarinummer van Expertise en Recht zullen verschijnen.*4

Tot slot nog de volgende observatie: Doordat vooral de verschillen tussen de deelnemers aan het ‘Bayesiaanse’ debat benadrukt worden, blijft voor de buitenwereld (en daarmee bedoel ik met name de Nederlandse magistratuur) wellicht onzichtbaar hoeveel consensus er eigenlijk bestaat over de Bayesiaanse principes zelf en over het belang van Bayesiaans denken voor de rechtspraak als zodanig. Veel meningsverschillen hebben uitsluitend betrekking op de mate van toepasbaarheid en op de rol die een Bayesiaanse rapportage kan spelen in een strafproces. Het zou de rechtspraak wezenlijk helpen als we vanuit de wetenschap onze Bayesiaanse consensus in een helder, eenduidig en gezamenlijk verhaal zouden vastleggen. Van daaruit moeten we dan mijns inziens de geconstateerde meningsverschillen zo veel mogelijk overbruggen, teneinde op die manier de Rechtspraak verder van dienst te kunnen zijn met praktisch bruikbare adviezen. Ook hiervoor zal ik pleiten in Expertise en Recht.

Dr. F.J.M. Alkemade werkt als cursusdocent voor de SSR en treedt af en toe op als Bayesiaans deskundige in strafzaken.

H. van den Heuvel & J.A. de Koeijer, ‘Interdisciplinair Forensisch Onderzoek: meer dan de som der delen. Een praktisch model voor het combineren van forensisch bewijs in complexe zaken’, Trema 2017, p. 215-224.

Reactie en naschrift op: ‘Interdisciplinair Forensisch Onderzoek: meer dan de som van de delen’, Trema 2017, p. 297-303.

JCvV refereerde o.a. aan het arrest ‘De zes van Breda’ van het Hof Den Haag van 14 oktober 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:2859. Onlangs is bekend geworden dat de Hoge Raad de veroordeling door het hof in stand houdt (HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3189). Ik concludeer uit de tekst van het betreffende arrest dat de Hoge Raad het oneens is met de opvatting van A-G mr. A. E. Harteveld dat het hof destijds geen gebruik had mogen maken van (delen van) mijn rapport (zie concl. A-G bij HR 6 juni 2017, ECLI:NL:PHR:2017:387).

Ik zal daarin ook de kritiek (door JCvV en anderen) van fouten in mijn rapportages weerleggen.

Top