01 2018

Tekst en uitleg bij voorlopige hechtenis


Voorlopige hechtenis is de uitzondering op de regel dat een verdachte zijn proces in vrijheid mag afwachten. Het recht op vrijheid schrijft voor dat voorlopige hechtenis weliswaar mag, maar dat procedurele waarborgen belangrijk zijn. Zo moet de beslissing over voorlopige hechtenis schriftelijk gemotiveerd worden onder verwijzing naar de individuele omstandigheden van het geval. Maar gebeurt dat ook in de praktijk? Waar zit nog ruimte voor verbetering en welke goede voorbeelden zijn er? Dit artikel gaat in op enkele bevindingen uit dossieronderzoek van het College voor de Rechten van de Mens.*1

Vrijheid is een groot goed. Ook voor een verdachte in afwachting van*2 zijn strafproces. Zijn schuld staat op dat moment niet vast en mogelijk volgt uiteindelijk geen vrijheidsstraf of zelfs vrijspraak. Daarom spelen de onschuldpresumptie en het recht op vrijheid een belangrijke rol in deze fase. Voorlopige hechtenis, als uitzondering op dit recht, mag alleen als uiterst middel worden ingezet. Dus alleen als na weging van alle feiten en omstandigheden van een individuele zaak voorlopige hechtenis noodzakelijk is en alternatieven, zoals een borgsom of een periodieke meldplicht, niet volstaan.

Het belang van deze uitgangspunten is niet slechts van juridische aard. De maatschappelijke gevolgen van voorlopige hechtenis zijn vaak groot voor individuele verdachten en hun gezinsleden. Het betekent een breuk in hun dagelijkse leven. Financiële problemen, zeker als de verdachte kostwinner is, en problemen met huisvesting kunnen het gevolg zijn. Ook sociaal-emotionele problemen voor de verdachte en het gezin moeten niet onderschat worden. Het is moeilijk van een stigma af te komen, ook al blijkt voorlopige hechtenis achteraf niet terecht te zijn geweest. Een financiële schadevergoeding achteraf lost deze problemen niet op.

Reden genoeg dus om in iedere individuele zaak scherp te toetsen of voorlopige hechtenis noodzakelijk is. Concreet betekent dat een afweging tussen de genoemde individuele belangen van de verdachte tegenover het algemeen belang van een goede procesorde en veiligheid.

Deze belangenafweging moet zich niet alleen in het hoofd van de rechter afspelen, maar moet kenbaar zijn. Tekst en uitleg is nodig in de vorm van de motivering van de beslissing. Deze motivering heeft verschillende functies. Het verklaart aan een verdachte waarom hij in voorlopige hechtenis wordt genomen of waarom hechtenis al dan niet wordt geschorst of opgeheven. Dat draagt mogelijk bij aan acceptatie van deze beslissing. In andere gevallen is de motivering nodig voor het instellen van rechtsmiddelen tegen de beslissing. Verder is zo’n motivering een uitleg aan de samenleving over de functie van voorlopige hechtenis en waarom dat in een individueel geval al dan niet wordt opgelegd. Ten slotte dwingt een schriftelijke motivering op basis van de individuele feiten en omstandigheden van een zaak tot een explicietere toetsing. Juist door deze exercitie zal inzichtelijker worden of is voldaan aan de wettelijke gronden, of er twijfel bestaat over noodzakelijkheid van voorlopige hechtenis, en of mogelijk met lichtere middelen kan worden volstaan. Kortom, een deugdelijke schriftelijke motivering zorgt voor inzichtelijkheid en controleerbaarheid van beslissingen over voorlopige hechtenis. Gezien de kritische discussie die al geruime tijd gevoerd wordt over de toepassing van voorlopige hechtenis, kunnen deze aspecten niet genoeg worden benadrukt.      

Een deugdelijke schriftelijke motivering zorgt voor inzichtelijkheid en controleerbaarheid van beslissingen over voorlopige hechtenis.

Al in 2013 schreven drie rechters in Strafblad over de ‘efficiënte koekjesfabriek'.*3 De auteurs van het artikel waren kritisch over de praktijk van de rechtspraak: er zou sprake zijn van een ‘automatisme’ bij het opleggen van voorlopige hechtenis. In deze context komt ook de motivering van deze beslissingen in beeld. Regelmatig wordt gesteld dat deze motiveringen te summier zijn. Maar juist op het punt van deze motivering ontbrak het nog aan onderzoek. Om deze reden heeft het College voor de Rechten van de Mens, op basis van zijn wettelijke taak.*4 besloten de praktijk onder de loep te nemen en te bezien hoe deze praktijk zich verhoudt tot de relevante mensenrechten. In dit artikel gaan wij in op enkele opvallende bevindingen en geven we voorbeelden van aangetroffen motiveringen die betrekking hebben op de individuele omstandigheden van de verdachte en de zaak.*5 We sluiten af met een conclusie over hoe deze praktijk zich verhoudt tot mensenrechtelijke waarborgen en mogelijke vervolgstappen voor de rechtspraak.


Welke eisen stellen de mensenrechten aan de motivering?  

Zoals gezegd is een belangrijk uitgangspunt in het strafproces dat de verdachte als onschuldig wordt beschouwd totdat het tegendeel is bewezen.*6 Deze onschuldspresumptie is het fundamentele beginpunt voor alle beslissingen over voorlopige hechtenis, omdat de verdachte nog niet (definitief) veroordeeld is. Het recht op vrijheid, vastgelegd in art. 5 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), art. 9 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) en art. 15 Grondwet, benoemt voorlopige hechtenis uitdrukkelijk als uitzonderingsmogelijkheid. Maar die uitzondering kan alleen als uiterst middel (ultimum remedium) worden ingezet; de hoofdregel is dat een verdachte zijn strafproces in vrijheid mag afwachten.

Naast deze fundamentele uitgangspunten gelden meer specifieke, inhoudelijke eisen die aan de motivering van voorlopige hechtenis worden gesteld. Het College heeft uit de mensenrechtennormen en -jurisprudentie verschillende waarborgen geïdentificeerd, die ook het toetsingskader vormden voor het dossieronderzoek.*7 Enkele van die waarborgen zijn:

  • Een bevel tot voorlopige hechtenis moet gemotiveerd zijn. 
    Ook internationaal is bepaald dat een bevel tot voorlopige hechtenis schriftelijk gemotiveerd moet zijn.*8 Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft in zijn jurisprudentie aangegeven dat de redenen voor de voorlopige hechtenis moeten blijken uit de bewoordingen van het bevel en dus niet alleen uit het dossier.*9
  • De motivering mag niet ‘algemeen en abstract’ zijn.
    Dit betekent, onder andere, dat de motivering niet alleen een herhaling in abstracto mag zijn van de wettelijke gronden,*10 maar ook dat het bevel moet verwijzen naar specifieke feiten en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte die de voorlopige hechtenis rechtvaardigen.*11 Het gebruik van een standaardformulier en het overnemen van de exacte bewoordingen van het ene bevel in het volgende, voldoen niet aan dit vereiste.*12
  • De zwaarte van de straf is geen zelfstandige reden voor voorlopige hechtenis.
    Het kan een relevante factor zijn om te bepalen of sprake is van vluchtgevaar of recidivegevaar. Maar het EHRM maakt duidelijk dat de zwaarte van de eventuele straf niet de enige reden mag zijn om voorlopige hechtenis op te leggen.*13 Er moeten dus aanvullende redenen zijn.
  • Hoe langer de hechtenis, hoe grondiger de rechterlijke toetsing.
    Een periodieke beoordeling moet plaatsvinden. Na verloop van tijd kunnen gronden aan kracht verliezen. Hoe langer de hechtenis duurt, hoe scherper de rechter moet bekijken of er nog voldoende redenen zijn om de verdachte vast te houden.*14

De onderzoeksopzet

Voor het onderzoek zijn de beslissingen over voorlopige hechtenis, waaronder de bevelen inbewaringstelling en gevangenhouding/gevangenneming, uit 333 dossiers bekeken – ruim 50 per gerecht. De vier rechtbanken – Zeeland-West-Brabant, Gelderland, Den Haag en Rotterdam – en twee gerechtshoven – ’s-Hertogenbosch en Amsterdam – zijn geselecteerd op basis van hun ligging binnen en buiten de Randstad en de hoeveelheid zaken die zij jaarlijks op raadkamer krijgen. De periode juli 2014 tot en met december 2015 is gehanteerd. Voor wat betreft de gerechtshoven is alleen gekeken naar beschikkingen in hoger beroep tegen een raadkamerbeschikking. Beslissingen over voorlopige hechtenis na hoger beroep tegen het eindvonnis zijn buiten beschouwing gelaten vanwege het afwijkende wettelijk kader dat van toepassing is.*15

Tekst en uitleg bij voorlopige hechtenis

Algemene bevindingen

Het algemene beeld dat uit het onderzoek naar voren komt, is dat de werkwijzen van gerechten rondom het motiveren sterk van elkaar verschillen. Waar één rechtbank in de onderzochte periode nog gebruikmaakte van het kruisjesformulier, waarop alleen de gronden worden aangekruist zonder tekst en uitleg, werden bij andere rechtbanken de gronden in het bevel inbewaringstelling wel gemotiveerd. In sommige gevallen werd daarbij wel ingegaan op de individuele feiten en omstandigheden van een zaak, in andere niet. Eén rechtbank viel bijvoorbeeld bijna volledig terug op standaardtekstblokken. Bij drie van de vier rechtbanken werd in het bevel gevangenhouding alleen terugverwezen naar het bevel inbewaringstelling voor wat betreft de bezwaren, gronden en motivering daarvan. Uit het bevel gevangenhouding zelf viel dus niet op te maken welke gronden van toepassing waren – behalve als een grond werd toegevoegd of weggelaten – en welke motivering de raadkamer overnam van de rechter-commissaris. Ook de praktijk bij de gerechtshoven verschilde veel van elkaar. Daarbij was het vooral opvallend dat het hof Amsterdam sinds begin 2015 duidelijk vaker op het individu gericht motiveerde. Dit is het gevolg van een bewuste keuze bij het hof om de motiveringen te verbeteren.

De werkwijzen van gerechten rondom het motiveren verschillen sterk van elkaar.


Motivering nader bekeken


Ernstige bezwaren
En hoe zag die motivering in de individuele beschikkingen er dan uit? Het viel op dat van de zes onderzochte gerechten er slechts één de ernstige bezwaren motiveerde. Alle andere gerechten volstonden met de enkele constatering dat er ernstige bezwaren bestaan. Dit is opvallend, omdat over het bestaan van die ernstige bezwaren in sommige zaken getwist kan worden. Zeker bij een ontkennende verdachte en als de advocaat gemotiveerd in twijfel trekt of ernstige bezwaren bestaan, zou uit de beschikking moeten blijken waarom de rechter-commissaris of raadkamer toch anders beslist.

Van de zes onderzochte gerechten motiveerde er slechts één de ernstige bezwaren. Alle andere volstonden met de enkele constatering dat er ernstige bezwaren bestaan.

Wat de redenen – zoals tijdgebrek, verkleinen van wrakingsrisico of het niet voor de voeten willen lopen van de zittingsrechter – ook zijn; dat het motiveren van ernstige bezwaren wel mogelijk is, laat het hof Amsterdam zien. Onder verwijzing naar onderdelen uit het dossier wordt die motivering vormgegeven. Bijvoorbeeld:

Gelet op het gedrag van de verdachte bij zijn aanhouding, het aantreffen van een breekijzer en de verklaring van de melder, acht het hof voldoende ernstige bezwaren aanwezig.

De motivering hoeft dus niet heel uitgebreid te zijn, zolang maar duidelijk is waarom juist deze persoon verdacht wordt van het betreffende feit.

Gronden
Bij het motiveren van de gronden werden grote verschillen tussen de gerechten gevonden. Zowel kruisjesformulieren waarin de gronden alleen werden aangekruist als standaardtekstblokken en tot op de individuele zaak toegespitste motiveringen kwamen voorbij. Bij drie van de vier gerechten verwees de raadkamer gevangenhouding alleen terug naar de motivering van de rechter-commissaris, bijvoorbeeld met de tekst:

Na onderzoek is gebleken dat de verdenking, genoemd in de vordering inbewaringstelling, welke als hier ingelast wordt beschouwd, en de bezwaren en gronden, die tot het bevel tot bewaring van verdachte hebben geleid, ook thans nog bestaan.

Dat is opmerkelijk omdat juist na verloop van tijd het onderzoek in een verder stadium is dan ten tijde van de beslissing van de rechter-commissaris. Het strafdossier zal dan waarschijnlijk meer aanknopingspunten bevatten voor de motivering van de beslissing over verlenging. Nog opmerkelijker was dat de raadkamer gevangenhouding zelfs terugverwees naar de motivering van de rechter-commissaris als de raadkamer een nieuwe grond van toepassing verklaarde. Die nieuwe grond werd dus op geen enkel moment in het proces gemotiveerd.

Bij drie van de vier gerechten verwees de raadkamer gevangenhouding alleen terug naar de motivering van de rechter-commissaris.

Vluchtgevaar
In meer dan de helft van de zaken waarin vluchtgevaar als grond is aangenomen, werd gebruikgemaakt van standaardteksten. Een van de rechtbanken hanteerde bijvoorbeeld de volgende tekst:

Van verdachte kan in Nederland geen vaste woon- of verblijfplaats worden vastgesteld en/of verdachte beschikt niet over een geldige verblijfstitel in Nederland, hij/zij beschikt over (de) mogelijkhe(i)d(en) om zich duurzaam aan zijn/haar berechting te onttrekken en redelijkerwijs valt te verwachten dat hij/zij van die mogelijkhe(i)d(en) gebruik zal maken.

In deze tekst werden allerlei opties opengehouden zonder dat duidelijk is welke van toepassing is of zijn en legde de rechter niet uit waarom hij verwacht dat deze verdachte zich aan de berechting zal onttrekken. Opvallend aan dit voorbeeld is ook dat zelfs het geslacht van de verdachte onduidelijk bleef. Van een toespitsing op de individuele zaak en omstandigheden van de verdachte is in ieder geval geen sprake.

Bij alle onderzochte gerechten bleek overigens dat het wel mogelijk is de motivering van het vluchtgevaar toe te spitsen op de individuele zaak en de verdachte. Een voorbeeld hiervan is:

Verdachte is een vreemdeling, er moet nog nader onderzoek gedaan worden naar de juiste identiteit van de verdachte, hij heeft geen vast adres in Nederland en heeft meerdere malen gebruik gemaakt van diverse (valse) namen en/of (valse) identiteiten in Europa. Het gevaar bestaat dat verdachte zal vluchten en/of dat hij zich aan berechting zal onttrekken.

En een voorbeeld uit een andere zaak:

Verdachte heeft verklaard opzettelijk een periode in het buitenland te hebben verbleven, omdat zij wist dat de politie in Nederland haar zocht.

Een onderbouwing van dit element ontbrak dan ook in een deel van de dossiers. Als die motivering er wel was, maakte de rechter vaak gebruik van een standaardtekst, bijvoorbeeld door te stellen dat het:

(...) als maatschappelijk onaanvaardbaar moet worden geacht wanneer betrokkene bij deze verdenking zo kort na zijn aanhouding al op vrije voeten zou komen.

Ook motiveerde de rechter de ernstig geschokte rechtsorde in een aantal dossiers door als ‘een feit van algemene bekendheid’ aan te nemen dat het feit waar betrokkene van verdacht wordt, de rechtsorde schokt. Dat was bijvoorbeeld het geval bij een diefstal met geweld en een woninginbraak, in vereniging gepleegd.

Uit een (beperkt) aantal voorbeelden in het onderzoek is gebleken dat het wel mogelijk is om bij een aangenomen twaalfjaarsgrond ook te motiveren waarom sprake zou zijn van een ernstig geschokte rechtsorde. Bijvoorbeeld door de gevolgen van het feit op te nemen in de motivering, zoals:

Betrokkene wordt verdacht van opzettelijke brandstichting in zijn etagewoning. Het betreft een feit waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van twaalf jaren of meer is gesteld, en door het plegen van het feit ernstige maatschappelijke onrust is ontstaan (de zaak heeft regionale media-aandacht gehad en heeft geleid tot evacuatie van diverse omwonenden), hetgeen gezien de aard van het feit en de omstandigheden waaronder het is begaan van algemene bekendheid is.

En, uit een andere zaak:

Verdachte wordt verdacht van driemaal poging gekwalificeerde doodslag en een roofoverval op een juwelier: dit zijn zeer zware feiten waardoor de rechtsorde ernstig is geschokt. Op klaarlichte dag wordt in de binnenstad van Leiden een overval gepleegd en wordt er geschoten op de eigenaar en politie bij de vlucht.


Recidivegrond
De recidivegrond werd in veruit de meeste onderzochte zaken – meer dan 90% – opgevoerd als (een van de) grond(en) voor voorlopige hechtenis. In de motivering verwees de rechter-commissaris vaak naar een eerdere veroordeling of naar het feit dat de verdachte eerder in aanraking is geweest met justitie. Die verwijzing was meestal algemeen van aard. Als wordt verwezen naar eerdere contacten met politie en justitie, is van belang dat wordt aangegeven om welke contacten het gaat. Immers, niet ieder contact met politie of justitie verklaart waarom sprake is van recidivegevaar. Dat de motivering op dit punt specifieker kan, blijkt uit verschillende voorbeelden die we in dossiers hebben aangetroffen, zoals:

Betrokkene wordt verdacht van heling en het medeplegen van een inbraak. Het is ruim zes maanden geleden dat verdachte door de rechtbank [...] veroordeeld is voor een winkeldiefstal. Voorts is verdachte ook in 2013 en in 2012 veroordeeld geweest voor gekwalificeerde diefstal. Er moet voor herhaling worden gevreesd.

Of, in een andere zaak:

Betrokkene wordt verdacht van de bedreiging van zijn moeder (feit 2) en van een poging tot zware mishandeling van zijn moeder en zuster door hen met een aardewerken vaas op het hoofd te slaan (feit 1); Betrokkene blijkens zijn strafblad bij onherroepelijk vonnis van [datum] is veroordeeld tot een werkstraf wegens mishandeling; Er bij betrokkene sprake is van ernstige psychiatrische problematiek (een psychose met daarbinnen wanen die betrekking hebben op de familieleden die in deze zaak aangifte hebben gedaan), terwijl betrokkene bovendien bij de zus bij wie hij in de afgelopen tijd mocht verblijven en mocht eten/drinken sinds het onderhavige voorval niet meer terecht kan; Hetgeen – zo lang een goed vangnet ontbreekt – ernstig doet vrezen voor herhaling van dit soort agressieve delicten.

Onderzoeksbelang 
In een derde van de zaken waarin voorlopige hechtenis wordt opgelegd (mede) vanwege het onderzoeksbelang wordt slechts opgemerkt dat:

(...) de voorlopige hechtenis in redelijkheid noodzakelijk is voor het, anders dan door verklaringen van de verdachte, aan de dag brengen van de waarheid.

Dat is een herhaling van de wetstekst. De rechter lichtte dus niet toe waaruit die noodzaak bestond of welke onderzoekshandelingen in deze zaak nog nodig waren. Ook werd in een deel van de onderzochte zaken een standaardmotivering gebruikt die praktisch alle onderzoeksopties openlaat en op bijna iedere zaak van toepassing kan zijn. 

Er zijn echter ook beschikkingen van rechters die laten zien dat motiveren onder verwijzing naar de individuele omstandigheden mogelijk is. De rechter benoemde in die zaken bijvoorbeeld de onderzoekshandelingen die op dat moment nog verricht moeten worden: 

Het feitenonderzoek [is] nog gaande [...] (onder meer moeten de aangever en diens zoon nog nader worden gehoord over de exacte toedracht van het incident), welk onderzoek door betrokkene ernstig zou kunnen worden bemoeilijkt als deze op vrije voeten zou zijn.

 Of, in een andere zaak: 

Het onderzoek is in volle gang. Er moet nog een verdachte ([naam medeverdachte], huurder van het pand) worden opgespoord, aangehouden en gehoord. Reeds aangehouden medeverdachten moeten nog nader worden gehoord en verdachte moet nog met de resultaten hiervan worden geconfronteerd. Getuigen moeten nog nader gehoord worden. Er moet nog onderzoek plaatsvinden naar mogelijke getuigen in de buurt van de plaats delict en onderzoek naar de in beslag genomen goederen moet ook nog plaatsvinden. Verdachte mag dit onderzoek niet doorkruisen.

Hoe verhoudt deze praktijk zich tot de mensenrechten?

Als we de bevindingen uit het dossieronderzoek relateren aan de eerdergenoemde waarborgen op basis van de mensenrechtenverdragen en -jurisprudentie, vallen een aantal zaken op. Allereerst wordt duidelijk dat de schriftelijke motiveringsplicht niet altijd wordt nageleefd. Dat is bijvoorbeeld heel duidelijk het geval in zaken waarin gebruik werd gemaakt van een kruisjesformulier waarop de wettelijke grond(en) werd(en) aangevinkt, zonder ruimte voor een toelichting. Ook in zaken waarin een raadkamer gevangenhouding nieuwe gronden aannam zonder deze te motiveren, werd in ieder geval niet voldaan aan de motiveringsplicht.

De schriftelijke motiveringsplicht wordt niet altijd nageleefd. Dat is bijvoorbeeld heel duidelijk het geval in zaken waarin gebruik werd gemaakt van een kruisjesformulier.

Voorgeprogrammeerde tekstblokken kwamen ook regelmatig voor. Daarin zaten vaak zo veel en/of-constructies en zelfs hij/zij-constructies dat ze op praktisch iedere zaak van toepassing kunnen worden verklaard. Daarmee wordt niet duidelijk waarom juist deze verdachte in deze zaak zijn vrijheid moet worden ontnomen voordat hij veroordeeld is. Dat is niet in overeenstemming met het principe dat de motivering niet ‘algemeen en abstract’ mag zijn. Dat geldt overigens ook voor de gevallen waarin werd volstaan met een letterlijke herhaling van de wettekst.

De praktijk van het veelvuldig terugverwijzen van de raadkamer naar de gronden en motivering van de rechter-commissaris staat op gespannen voet met het vereiste dat een grondiger rechterlijke toetsing moet plaatsvinden hoe langer de hechtenis duurt. Eerder aangenomen gronden door de rechter-commissaris kunnen hun kracht verliezen. Van belang is dat bij verlenging de rechter zelf uitlegt waarom de gronden nog aanwezig zijn.

Bij de twaalfjaarsgrond, ten slotte, bestaat het risico dat de nadruk te veel op de strafbedreiging ligt, terwijl de zwaarte van de straf geen zelfstandige reden mag zijn voor voorlopige hechtenis. Het is daarom van belang dat ook wordt uitgelegd waarom sprake is van een ernstig geschokte rechtsorde.


Conclusie en vervolgstappen

De wijze van motiveren van beslissingen loopt behoorlijk uiteen. We zien dat er in de onderzochte periode wel motiveringen te vinden zijn waarin specifiek werd ingegaan op de feiten en omstandigheden van een individuele zaak. Die motiveringen kwamen echter vaak van enkele gerechten en waren bij de overige gerechten meer uitzondering dan regel. Zorgelijk is dat veelvuldig gebruik werd gemaakt van standaardtekstblokken, (enkele) herhaling van wetteksten en terugverwijzingen naar beslissingen van de rechter-commissaris. In die gevallen wordt niet voldaan aan de mensenrechtelijke waarborgen die worden gesteld aan beslissingen over voorlopige hechtenis. Uit de variëteit die we aantroffen blijkt bovendien dat de kwaliteit van de schriftelijke motivering dus van zoiets willekeurigs af kan hangen als de locatie waar de zaak wordt behandeld. Meer uniformiteit is – zeker bij zo’n verstrekkend middel als hechtenis voorafgaand aan een veroordeling – op zijn plaats.

Zorgelijk is dat veelvuldig gebruik werd gemaakt van standaardtekstblokken, (enkele) herhaling van wetteksten en terugverwijzingen naar beslissingen van de rechter-commissaris.

Rechters dragen een zware verantwoordelijkheid: recht doen aan de belangen van een verdachte en die van de veiligheid van de samenleving. Dan valt het niet altijd mee om met weinig voorbereidingstijd op een krap ingeplande zitting te beslissen. Dat is wellicht begrijpelijk, maar niet iets waar de rechtspraak zich bij neer zou moeten leggen. En gelukkig is dat ook niet het geval. Voorlopige hechtenis – en in het bijzonder de motivering – heeft ook daar de aandacht. De vaststelling van de Professionele standaarden strafrecht van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) speelt daarbij een belangrijke rol. De motivering van de voorlopige hechtenis is expliciet als punt van aandacht benoemd en heeft volgens de rechtspraak prioriteit. Om de Professionele standaarden te implementeren, zijn financiële middelen beschikbaar gesteld. Het is nu aan de rechters(-commissarissen) en het management van de gerechten om te bezien wat zij precies nodig achten om de motivering te verbeteren – zoals meer inhoudelijke ondersteuning, meer tijd per zaak op zitting, meer voorbereidingstijd of een andere inrichting van het proces. Die verbetering is bij een aantal gerechten al in gang gezet.

De kwaliteit van de schriftelijke motivering kan van zoiets willekeurigs afhangen als de locatie waar de zaak wordt behandeld.

De onderzochte beschikkingen laten zien dat verbetering van de motiveringspraktijk mogelijk en vooral ook noodzakelijk is. Op basis van het onderzoek en gesprekken die het College heeft gevoerd met verschillende gerechten zijn er een aantal concrete vervolgstappen te identificeren die gerechten kunnen nemen om die verbetering (ook) in gang te zetten.

Zo zouden rechters-commissarissen en raadkamers gevangenhouding een format voor hun beschikkingen moeten krijgen of creëren waarin het opschrijven van de motivering mogelijk is. De standaard- en kruisjesformulieren waarvan sommige gerechten gebruikmaken, zouden zo snel mogelijk moeten verdwijnen.

De standaard- en kruisjesformulieren waarvan sommige gerechten gebruikmaken, zouden zo snel mogelijk moeten verdwijnen.

Ook kunnen zowel rechters-commissarissen als raadkamers direct beginnen met het schriftelijk motiveren van de ernstige bezwaren. In elke zaak wordt immers een beslissing genomen over het bestaan van ernstige bezwaren en wordt deze soms ook mondeling onderbouwd. Het is nu nog belangrijk dat die mondelinge onderbouwing of de afweging die zich in het hoofd van de rechter heeft afgespeeld, op papier wordt gezet. Het hof Amsterdam heeft de afgelopen jaren de eerste stappen daarin gezet en ook de eerste rechtbanken zijn hier voorzichtig mee begonnen. Dit zou standaardpraktijk moeten worden bij alle gerechten.

Ten slotte kunnen de gerechten meer in contact treden met elkaar over dit onderwerp. De autonomie van de gerechten is een groot goed. Tegelijkertijd is het zonde – en voor een buitenstaander onbegrijpelijk – als de rechtspraktijk te ver uiteenloopt en gerechten ieder het wiel opnieuw proberen uit te vinden. Dat is onduidelijk voor de samenleving, de verdachte, en niet goed voor de rechtseenheid. Zo kunnen goed gemotiveerde beschikkingen bijvoorbeeld gepubliceerd worden op rechtspraak.nl; iets wat het hof Amsterdam tegenwoordig al geregeld doet.*16 Maar het lijkt niet onvoorstelbaar dat ook een (informele) uitwisseling plaatsvindt tussen de raadkamerondersteuners van verschillende gerechten of raadkamervoorzitters over problemen en goede voorbeelden die zij in hun dagelijkse praktijk tegenkomen.

Een deugdelijke schriftelijke motivering van beslissingen is misschien niet een wondermiddel en komt niet aan alle kritiek op de huidige praktijk van voorlopige hechtenis tegemoet, maar het is wel een belangrijk begin- en ankerpunt. Het maakt deze beslissingen, die grote gevolgen hebben voor een verdachte, kenbaar, inzichtelijk en controleerbaar.

Mr. dr. C.M. van Eck is lid van het College voor de Rechten van de Mens. Mr. A.M. van Eijndhoven en mr. R.E.M. Schimmel zijn werkzaam bij het College als respectievelijk beleidsadviseur en juridisch adviseur.

Dit artikel is gebaseerd op het onderzoek van het College voor de Rechten van de Mens naar de motivering van voorlopige hechtenis. Anders dan dat onderzoek richt dit artikel zich alleen op de motivering van de ernstige bezwaren en de gronden. Het volledige onderzoeksrapport is hier te vinden. 

In dit artikel wordt de mannelijke vorm gebruikt; dit geldt uiteraard ook voor vrouwelijke verdachten.

J.H. Janssen, F.W.H. van den Emster & T.B. Trotman, ‘Strafrechters over de praktijk van de voorlopige hechtenis. Een oordeel van de werkvloer!’, Strafblad 2013, p. 430-444.

Art. 3 onder a Wet College voor de Rechten van de Mens.

5 Het volledige onderzoeksrapport is hier te lezen. 

Art. 6 lid 2 EVRM, art. 14 lid 2 IVBPR.

Zie voor een compleet overzicht van die mensenrechtenwaarborgen en toelichting het volledige onderzoeksrapport vind u hier.

Rule 21(1) of the Recommendation Rec(2006)13 of the Committee of Ministers to Member States on the use of remand in custody, the conditions in which it takes place and the provision of safeguards against abuse: “Every ruling by a judicial authority to remand someone in custody, to continue such remand or to impose alternative measures shall be reasoned and the person affected shall be provided with a copy of the reasons.”

O.a. in EHRM 18 januari 2017, nr. 73819/01, par. 122 (Estrikh/Letland) en EHRM 28 oktober 2014, nr. 16858/11, par. 35 (Urtans/Letland).

EHRM (Grote Kamer) 16 december 2014, nr. 23755/07, par. 36 (Buzadji/Moldavië).

EHRM 15 december 2016, nr. 40583/15, par. 40-41 (Ignatov/Oekraïne).

12 EHRM 18 januari 2017, nr. 73819/01, par. 122 (Estrikh/Letland).

EHRM 9 december 2014, nr. 15911/08, par. 39 (Geisterfer/Nederland); EHRM 3 juli 2014, nr. 48929/08, par. 64 (Dubinskiy/Rusland) en EHRM 15 december 2016, nr. 40583/15, par. 41 (Ignatov/Oekraïne).

EHRM 18 januari 2017, nr. 73819/01, par. 117 (Estrikh/Letland); EHRM 28 oktober 2014, nr. 16858/11, par. 29 (Urtans/Letland) en EHRM 15 december 2016, nr. 40583/15, par. 41 (Ignatov/Oekraïne).

Art. 75 Wetboek van Strafvordering.

Zie bijv. Hof Amsterdam 30 november 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:5316; Hof Amsterdam 28 december 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:5806; Hof Amsterdam 4 januari 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:33 en Hof Amsterdam 25 januari 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:705.

Top