01 2018

Professionele standaarden: hun legitimatie en implementatie

Deze bijdrage*1 is een beschouwing over professionele standaarden zoals die de laatste jaren door en voor de rechtspraak zijn vastgesteld.*2 Deze standaarden zijn ontwikkeld omdat rechters spanning ervaren tussen productiedruk enerzijds en de kwaliteit van de rechtspraak anderzijds. De gedachte is dat professionele standaarden kunnen helpen bij het bepalen wat wel en niet acceptabel is in relatie tot de kwaliteit van werk.*3

Degenen die mijn werk kennen weten dat ik met een kritische blik naar nieuwe vormen van ‘soft law’ kijk, zeker waar het de regulering van de rechtspraak betreft. Ik heb mij eerder onder andere kritisch uitgelaten over rechterlijke gedragscodes.*4 Een deel van mijn kritiek lijkt ook op professionele standaarden van toepassing. In deze bijdrage bespreek ik de volgende vijf problemen:

  • de functies van professionele standaarden;
  • de juridische status van professionele standaarden;
  • het vertrouwen in de rechtspraak;
  • de rechterlijke onafhankelijkheid;
  • de implementatie van professionele standaarden.

1. De functies van professionele standaarden

Het eerste probleem dat ik wil bespreken betreft de functies van professionele standaarden. In het Research Memorandum van de Raad voor de rechtspraak uit 2014, dat aan professionele standaarden was gewijd.*5 worden drie functies genoemd: kwaliteitsbevordering, disciplinering en verantwoording. Van die drie functies noemen de rechterlijke professionele standaarden alleen de eerste en de laatste – kwaliteitsbevordering en verantwoording. Disciplinering wordt – terecht, ik kom daar later nog op terug – niet genoemd.

De professionele standaarden noemen naast kwaliteitsverbetering nadrukkelijk verantwoording: zij schrijven dat de rechter verantwoordelijkheid is voor en aanspreekbaar is op naleving van de professionele standaarden. Maar zij doen dat zonder duidelijk te maken op welke wijze de rechter nu eigenlijk aan wie verantwoording moet afleggen en wat de status van die verantwoording is en wat de gevolgen van al dan niet adequaat verantwoorden kunnen zijn.

Soms lijkt het erop dat met verantwoordelijkheid en aanspreekbaarheid niet meer wordt bedoeld dan dat standaarden ‘onderwerp van gesprek’ moeten zijn.

Soms lijkt het erop dat met verantwoordelijkheid en aanspreekbaarheid niet meer wordt bedoeld dan dat standaarden ‘onderwerp van gesprek’ moeten zijn; dat is althans een frase die ik in de standaarden ben tegengekomen.*6 Dat is prima, maar de vraag is of ‘een gesprek aangaan en voortzetten’ verantwoordelijkheid voor en aanspreekbaarheid op naleving mag heten.*7


2. De juridische status of bindende kracht

De vraag naar verantwoordelijkheid en aanspreekbaarheid brengt mij bij een tweede en het meest fundamentele probleem van professionele standaarden: hun juridische status of de bindende kracht. De prangende kwestie is: kunnen professionele standaarden de rechter binden? En zo ja, wat wordt daarmee bedoeld? 

Opnieuw verwijs ik naar het Research Memorandum over professionele standaarden*8 waarin opmerkelijk – ik zou zelfs willen zeggen schokkend – weinig aandacht is voor de staatsrechtelijke en de rechtsstatelijke context waarin de rechter opereert. In het Research Memorandum worden rechters vergeleken met medisch specialisten, accountants en de politie. Nergens wordt met zoveel woorden gesteld dat de onafhankelijkheid van de rechter toch echt wezenlijk anders en verderstrekkend is dan de autonomie van die drie categorieën professionals.  

Zo plaatst het Research Memorandum de te ontwikkelen standaarden weliswaar in een bredere context van ‘organisatie en beleid’ (en onder beleid valt dan ook wetgeving – wat op zijn zachtst gezegd merkwaardig is, zeker waar het gaat om de grondwet en de daarin vervatte grondrechten), maar noemt alleen terloops en pas tegen het eind van de verhandeling (op p. 59) rechterlijke onafhankelijkheid als ‘constitutioneel basisbeginsel’. De opstellers van het Research Memorandum lijken zich niet te realiseren dat dit zogeheten constitutionele basisbeginsel het opleggen van professionele standaarden problematisch of eigenlijk domweg onmogelijk maakt.  

Want waar het in beginsel geen probleem is dat bijvoorbeeld een medisch specialist zich voor de rechter moet verantwoorden over de vraag of hij zich aan medische richtlijnen heeft gehouden,*9 daar kan bij een rechter van zo’n verantwoording geen sprake zijn. De kern van de rechtsstatelijke machtenscheiding is immers niet alleen dat de rechtspraak als geheel onafhankelijk is van de andere staatsmachten maar ook dat de individuele rechter functioneel onafhankelijk is, wat betekent dat hij alleen aan het recht is gebonden.     

Professionele standaarden: hun legitimatie en implementatie

Dit rechtsstatelijke en staatsrechtelijke addertje onder het gras verklaart vermoedelijk waarom de professionele standaarden niet over disciplinering spreken en ook waarom ze zo vaag blijven over verantwoordelijkheid voor en aanspreekbaarheid op naleving. Ja, rechters zijn aanspreekbaar en dat is natuurlijk een goede zaak, maar – negatief geformuleerd – wat als een rechter zich niet wil verantwoorden, geen antwoord geeft op vragen? En – positief geformuleerd – wat gebeurt er als de rechter zich wel verantwoordt, maar het antwoord bevredigt de anderen niet? En wie zijn eigenlijk die anderen? Collega-rechters? Of, wat nog problematischer is uit het oogpunt van individuele functionele onafhankelijkheid, het gerechtsbestuur? Heeft dat überhaupt gevolgen? Zo ja, welke?

Ik heb de professionele standaarden van bestuursrecht, civielrecht, familie- en jeugdrecht en van strafrecht bestudeerd.*10 Alleen de professionele standaarden strafrecht wijden enige woorden aan de bindende kracht. De andere standaarden laten zich er niet over uit, terwijl het toch een fundamentele kwestie is. De professionele standaarden strafrecht zeggen met zoveel woorden dat de standaarden niet bindend zijn, dat de rechter er niet aan is gebonden in concrete rechtszaken en dat anderen er geen rechten aan kunnen ontlenen. Maar wat mij betreft schieten toch ook de standaarden strafrecht op dit punt tekort omdat daarin niet wordt uitgelegd dat de standaarden de rechter – gezien zijn rechtsstatelijke positie – niet kunnen binden. En die uitleg is wel belangrijk omdat de meeste standaarden gepubliceerd zijn en burgers ervan kunnen kennisnemen.

Niet alle standaarden zijn gepubliceerd. De professionele standaarden civiele (kanton)rechter zijn precies vanwege deze reden niet gepubliceerd: om niet de indruk te wekken dat burgers er rechten aan kunnen ontlenen. Mijn bezwaar hiertegen is dat burgers zich zouden kunnen afvragen waarom civiele (kanton)rechters geen professionele standaarden hebben en of dat betekent dat zij de normen die in de andere professionele standaarden genoemd worden, niet hoog op de agenda hebben staan. Daarnaast, en dat is in deze context belangrijker, de kans is reëel dat de professionele standaarden civielrecht toch extern bekend worden en dat burgers zich er dan alsnog op zullen beroepen. En dan wreekt zich dat ook deze standaarden niet expliciet vermelden dat én waarom ze niet binden. Dit brengt mij bij het volgende probleem: het vertrouwen van de samenleving in de rechtspraak.    


3. Vertrouwen in de rechtspraak

Professionele standaarden kunnen niet binden en daarmee lijkt de verwijzing naar verantwoordelijkheid voor naleving gratuit of zelfs onjuist. Maar het staat wel zwart op wit in de professionele standaarden en dat is een probleem, want het lijkt mij helemaal niet denkbeeldig dat een burger op enig moment een klacht indient en de klager zich daarbij expliciet beroept op de professionele standaarden. Een voorbeeld van zo’n klacht zou regel 1.7 van de standaarden van de civiele (kanton)rechter kunnen betreffen: “De rechter hanteert voor het wijzen van vonnis harde termijnen.” Ik heb begrepen dat in 2016 bij de rechtbank Den Haag dertig (dat is 11%) van de klachten die werden ingediend de termijnen betroffen*11 en het is dus goed voorstelbaar dat een van de klagers op enig moment expliciet een beroep doet op regel 1.7 of een van de subregels.*12

Een vergelijkbare klachtzaak heeft zich al een keer voorgedaan in 2013. In de zaak tegen een advocaat-generaal bij het parket van de Hoge Raad die op persoonlijke titel een column had geschreven over een lopende rechtszaak beriep de klager zich op de gedragscodes van de Raad voor de rechtspraak (Rvdr) en van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (NVvR). De interne adviescommissie die de klacht in eerste instantie behandelde, stelde dat de advocaat-generaal zich aan de regels van de codes moest houden, maar de Hoge Raad oordeelde expliciet dat de regels van de codes niet binden, maar slechts illustratief zijn voor normen die wel binden.*13 Ik vermoed dat het oordeel van de Hoge Raad over professionele standaarden niet anders zal luiden.

Welnu, het lijkt me niet bevorderlijk voor het vertrouwen in de rechtspraak als een klager te verstaan moet worden gegeven dat hij zich niet op professionele standaarden kan beroepen, terwijl die professionele standaarden gepubliceerd zijn en de standaarden zelf expliciet stellen dat rechters verantwoordelijk voor en aanspreekbaar zijn op naleving.

Alle interpretatieproblemen die spelen ten aanzien van rechtsregels doen zich in gelijke of zelfs versterkte mate voor bij de interpretatie van professionele standaarden.


4. Rechterlijke onafhankelijkheid

Dit voorbeeld brengt mij bij andere voorbeelden van standaarden die raken aan of zelfs treden in het domein van de rechter, dat wil zeggen de behandeling, de beoordeling of de beslissing in een zaak, en die dus op gespannen voet staan met eerdergenoemde rechterlijke (functionele) onafhankelijkheid. Dat geldt voor het voorbeeld van de termijnen, maar misschien nog sterker voor regel 2.1 (over regievoering) van de standaarden van de bestuursrechter. Deze schrijft sub 2 voor hoe de rechter de zitting moet openen (behandeling). Het geldt ook voor subregel 23 onder regel 2.3 van Familie- en Jeugdrecht die luidt dat procedures die één familie c.q. gezin betreffen door een en dezelfde rechter worden behandeld en dat aangehouden zaken diezelfde rechter volgen. Daarbij speelt de praktische vraag of naleving van de standaard organisatorisch haalbaar is, maar ook de meer principiële vraag of toepassing van de regel wenselijk is; het kan immers bij die ene rechter ook tot tunnelvisie of tot (schijn van) partijdigheid leiden.

De vraag of professionele standaarden te veel treden in het rechterlijk domein speelt wellicht vooral bij regel 1.8 van de civiele (kanton)rechter, omdat die de kern van het rechterlijke domein betreft: de motivering. Die regel schrijft in subregel 5 dat in bulkzaken zoals incassozaken beperkt kan worden gemotiveerd. Is die regel niet in strijd met de wet (art. 30 Rv)? En zo nee – want we weten nu dat de standaard de rechter niet bindt – is die standaard dan niet te vaag? Dat wil zeggen, geeft hij überhaupt enige richting aan het rechterlijk handelen? Wat is een bulkzaak? Is iedere incassozaak een bulkzaak? Wat betekent beperkt motiveren? Alle interpretatieproblemen die spelen ten aanzien van rechtsregels doen zich in gelijke of zelfs versterkte mate voor bij de interpretatie van professionele standaarden. Het is dan ook niet verwonderlijk dat Bakker opmerkt:*14

Hoe kunnen we er voor zorgen dat we het meer eens worden over de interpretatie en toepassing van de standaarden? We moeten overdenken op welke – vooral niet bureaucratische – wijze een goed beeld kan worden verkregen van wat er in de verschillende gerechten wordt bedoeld met ‘wij hebben de standaarden ingevoerd’.

Een voor de hand liggende repliek luidt: ja, maar daar zijn die professionele standaarden precies voor bedoeld. Zij beogen rechters over de interpretatie van de regels het gesprek te laten aangaan en al doende de professionele standaarden te verfijnen en verbeteren. De belangrijkste functie van professionele standaarden is immers kwaliteitsverbetering.

Ook over implementatie spreken de professionele standaarden niet of slechts in de algemene en vage termen.


5. Implementatie en kwaliteitsverbetering

Deze tegenwerping snijdt zeker enig hout, maar brengt mij direct bij het laatste probleem dat ik wil bespreken: het implementatieprobleem en de belangrijkste functie van professionele standaarden die door alle nadruk op verantwoorden en naleven misschien wat is ondergesneeuwd: kwaliteitsverbetering.

Ik heb uitgelegd waarom het weliswaar ongewenst, maar wel begrijpelijk is dat professionele standaarden in verhullende taal spreken over verantwoordelijkheid, aanspreken en naleven. Het is begrijpelijk omdat professionele standaarden de rechter juridisch niet kunnen binden en aanspreken dus weinig meer kan zijn dan ‘het gesprek aangaan’. Daaruit vloeit echter niet voort dat professionele standaarden zich niet in duidelijke taal over implementatie zouden kunnen uitlaten. Helaas, ook over implementatie spreken de professionele standaarden niet of slechts in de algemene en vage termen. En ook hier moet ik constateren dat het eerdergenoemde Research Memorandum over professionele standaarden*15 de rechtspraak op dit punt ook geen concrete handvatten heeft gegeven. 

Volgens de professionele standaarden zijn rechters verantwoordelijk voor en aanspreekbaar op naleving en ze moeten het gesprek aangaan. Maar dat gaat, zeker in een grote organisatie, niet vanzelf. Het vergt enige organisatie en afstemming om tot zo’n gesprek te komen. Wat ik daarom minimaal zou verwachten, is dat aan de standaarden een eenvoudig meldsysteem voor individuele rechters is gekoppeld (vergelijkbaar met een klachtregistratie- of incidentmeldsysteem zoals dat in de medische sector gebruikelijk is), dat registreert als een rechter in een concrete situatie een probleem heeft met het naleven van een standaard. Dat systeem zou minimaal moeten registeren:

  1. over welke regel het gaat;
  2. wat de aard van het probleem is;
  3. of en hoe de meldend rechter het probleem heeft opgelost (en of dat eventueel een ‘best practice’ kan worden), of het probleem heeft omzeild, of in strijd met de standaard heeft gehandeld.

Zo zou een rechter melding kunnen doen over standaarden die hij in strijd acht met de wet en over standaarden die niets toevoegen aan rechtsregels, bijvoorbeeld omdat ze die niet verhelderen of uitwerken. Maar een rechter zou vooral ook melding kunnen doen over standaarden waarvan de naleving wel wenselijk maar feitelijk niet haalbaar is. Juist daarvan zou je als organisatie een nauwkeurige en concrete registratie moeten willen hebben om in kaart te krijgen wat en hoe groot het probleem is. We willen bijvoorbeeld registeren hoe vaak binnen civiel niet wordt voldaan aan de standaard met betrekking tot termijnen en welke oplossingen rechters daarvoor zoeken. Dit is een fundamentele kwestie, want het aloude adagium ‘justice delayed is justice denied’ heeft nog niets van zijn betekenis verloren. Of we willen weten hoe vaak wordt afgeweken van regel 1.4 sub 1 dat de civiele rechter gedurende de gehele comparitiezitting/mondelinge behandeling wordt ondersteund door een griffier. Afwijking zou bijvoorbeeld het gevolg kunnen zijn van het feit dat de rechter die ondersteuning niet altijd noodzakelijk acht en dat zou kunnen betekenen dat de regel moet worden aangepast.

Als lid van de begeleidingscommissie van de adviesgroep professionele standaarden strafrecht, die in 2016 een bestuurlijke tussenrapportage schreef, was ik vorig jaar onder de indruk van al het werk dat al is verzet, maar ik heb mij toen wel verbaasd over het feit dat het begrip ‘implementatie’ niet geoperationaliseerd werd, laat staan dat er al gesproken werd over een eenvoudig meldsysteem. Ik heb begrepen dat intussen – in elk geval op lokaal niveau – al weer verschillende stappen zijn gezet. Zo is in de managementafspraken met de teams de invoering van professionele standaarden vastgelegd en die managementafspraken worden gedurende het jaar gemonitord in de voortgangsgesprekken tussen bestuur en teamleiding. Verder is er bij Handel doorgerekend welke formatie (van rechters en stafjuristen) nodig is om aan bepaalde standaarden te voldoen en die formatie is ook daadwerkelijk toegekend.*16 Dit zijn concrete en zinvolle implementatiestappen,*17 maar er is, zo heb ik begrepen, geen sprake van een gestructureerde registratie van meldingen door individuele rechters, en van landelijke afstemming daarvan dus al helemaal niet. En dat betekent dat op landelijk niveau de professionele standaarden verschillend geïnterpreteerd kunnen en zullen worden en ook dat er op verschillende locaties verschillende wielen opnieuw zullen worden uitgevonden.

Het belangrijkste bezwaar is wat mij betreft echter dat de professionele standaarden op deze wijze vooral het eigendom blijven van de organisatie, van de LOV’s, van het bestuur en van implementatiecommissies, en niet van individuele rechters op en vanuit de werkvloer. Ik signaleer dat professionele standaarden individuele rechters verantwoordelijk houden voor naleving, maar diezelfde rechters niet de geschikte middelen geven om problemen met betrekking tot die naleving te melden.     

Het is belangrijk dat de rechtsstatelijke redenen waarom de standaarden juridisch niet kunnen binden expliciet worden genoemd.


6. Conclusie en aanbevelingen  

Ik heb allereerst geconstateerd dat in de professionele standaarden in vage termen wordt gesproken over verantwoordelijkheid voor en aanspreekbaarheid op naleving en dat in het midden blijft wat dat precies inhoudt. Als verklaring daarvoor heb ik aangevoerd dat professionele standaarden de rechter (juridisch) niet kunnen binden en dat alleen de professionele standaarden strafrecht dat expliciet benoemen, maar zonder de rechtsstatelijke redenen daarvoor te expliciteren. Ook Rvdr-voorzitter Frits Bakker, die ik hiervoor een aantal keer heb geciteerd, zwijgt over de rechtsstatelijke haken en ogen van professionele standaarden.

Ik heb daarbij aangegeven dat hierin een risico schuilt voor het vertrouwen van de burger in de rechtspraak, omdat een burger die zich bijvoorbeeld in een klachtzaak op een standaard beroept, nul op rekest moet krijgen. Ik heb betoogd dat het daarom goed zou zijn als deze rechtsstatelijke redenen expliciet in de standaarden worden genoemd.

Verder heb ik aangegeven dat veel standaarden onmiskenbaar treden in het domein van de rechter: de behandeling, de beoordeling en de beslissing van een zaak. Ook daarom is het belangrijk dat de rechtsstatelijke redenen waarom de standaarden juridisch niet kunnen binden expliciet worden genoemd.

Sommige standaarden lijken meer vragen op te roepen dan te beantwoorden.

Ten slotte heb ik aangegeven dat sommige standaarden meer vragen lijken op te roepen dan te beantwoorden. Als dat een manier is voor rechters om het gesprek met elkaar aan te gaan, dan kan dat prima zijn. Maar dan moet dat gesprek wel beter gefaciliteerd worden. Ik heb bovendien geconstateerd dat de standaarden weinig tot geen woorden wijden aan implementatie. Ik heb betoogd dat als kwaliteitsverbetering de belangrijkste functie van professionele standaarden is, een eenvoudig registratiesysteem voor het melden van problemen en eventueel ook van oplossingen een eerste vereiste lijkt.

Zolang professionele standaarden individuele rechters wel verantwoordelijk houden voor naleving, maar diezelfde rechters niet de geschikte middelen geven om die naleving te verbeteren, schieten ze tekort. Vooral daarom lijkt het mij dat rechters op dit moment niet alleen over de inhoud van de standaarden, maar met name over de implementatie het gesprek moeten aangaan.

Prof. mr. dr. A.R. Mackor is hoogleraar professie ethiek, in het bijzonder van juridische professies, aan de Faculteit Rechtsgeleerdheid van de Rijksuniversiteit Groningen. Zij was in 2015 extern adviseur van de Rechterlijke Macht, Zittende Magistratuur, van Suriname voor de totstandkoming van de Gedragscode voor Rechters. Zij was in 2016 lid van de begeleidingscommissie van de adviesgroep professionele standaarden (LOVS) die een bestuurlijke tussenrapportage schreef.  

Professionele standaarden? Graag uw mening!   
Vanuit haar kritische blik op soft law in het algemeen beschouwt Mackor diverse problemen ten aanzien van de professionele standaarden. Rechtsstatelijke haken en ogen worden benoemd en gesteld wordt dat meer aandacht moet worden besteed aan de implementatie van de professionele standaarden. Een van de stevige conclusies van Mackor is dat de professionele standaarden de rechters op dit moment wel verantwoordelijk houden voor naleving, maar diezelfde rechters niet de geschikte middelen geven om die naleving te verbeteren.

De Trema-redactie is benieuwd naar uw gedachten over de professionele standaarden. Voldoen ze inhoudelijk aan het beoogde doel: helpen bij het bepalen wat wel en niet acceptabel is in relatie tot de kwaliteit van werk? Hoe staat u tegenover de opgeworpen problemen? Bent u van mening dat de huidige manieren (welke?) van melden van problemen goed werken? En hoe oordeelt u over Mackors voorstel voor een eenvoudig registratiesysteem?

Reacties, maximaal 800 woorden, kunt u sturen naar trema@rechtspraak.nl.

Deze bijdrage is gebaseerd op een lezing gehouden op de jaarlijkse Rechtersdag van de rechtbank Den Haag op 2 november 2017. Ik ben de rechtbank Den Haag en in het bijzonder Freyke Bus erkentelijk voor het verstrekken van informatie en het beantwoorden van mijn vragen. Ik ben Freyke Bus en Jelte Hielkema erkentelijk voor hun constructieve commentaar op een eerdere versie van dit artikel.

De standaarden zijn ontwikkeld door expertgroepen op verzoek van de LOV’s die op hun beurt weer waren uitgenodigd door de Raad voor de rechtspraak om deze standaarden te ontwikkelen.

M. Noordegraaf et al., Professionele standaarden: een vergelijkend perspectief. Ontwikkeling, implementatie en onderhoud van professionele standaarden in verschillende beroepsgroepen (Research Memorandum, nr. 3), Den Haag: Raad voor de rechtspraak 2014. Zie ook hier (laatst geraadpleegd op 29 november 2017). Zie verder de bijdrage van RvdR-voorzitter Frits Bakker over de aanleiding voor de invoering van professionele standaarden en de relatie tussen standaarden, werklast en extra financiering: F. Bakker, Raadspraak Frits Bakker: hoe staat het met de professionele standaarden (en de werklast)? (intro in de rubriek ‘Raadspraak betoogde’), intranet 27 november 2017.

Zie A.R. Mackor, ‘“Gevaarlijke” zinsneden en autonomie. Drie stellingen naar aanleiding van de NVvR Rechterscode’, Trema 2013, p. 61-65; A.R. Mackor, ‘Rechterlijke macht: geschraagd of ondermijnd door kernwaarden?’, RM Themis 2014, nr. 1, p. 6-9; A.R. Mackor, ‘Rechterlijke gedragscodes: over hun juridische status en het vertrouwen in de rechtspraak’, in: H.D. Tolsma & P. de Winter (red.), De wisselwerking tussen recht en vertrouwen bij toezicht en handhaving (Governance & Recht, nr. 15), Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2017, p. 87-110.

Noordegraaf et al., a.w.

O.a. in de professionele standaarden civiele (kanton)rechter, p. 2, laatste alinea en p. 3, laatste alinea.

Daar komt bij dat niet duidelijk is of de standaarden minimumnormen of streefnormen zijn. Leggen zij plichten of aspiraties vast?

Noordegraaf et al., a.w.

Maar zie A.R. Mackor, ‘Rechtsregels en medische richtlijnen. Een rechtsfilosofisch perspectief op de aard en functie van regels’, in: S. Heirman, E.C. Huijsmans & R. van den Munckhof (red.), Medische aansprakelijkheid (Kennisdocument), Oisterwijk: Wolf Legal Publishers 2016, p. 19-40.

De professionele standaarden civiele (kanton)rechter die ik heb bestudeerd zijn van februari 2015; die van strafrecht hebben als aanduiding versie 2.2 extern en zijn ongedateerd; de professionele standaarden van de bestuursrechter bij de rechtbanken zijn van april 2016 en die van familie- en jeugdrecht zijn een concept van mei 2017 waarin het derde niveau van best practices nog niet is uitgewerkt.

Deze cijfers verschillen per rechtbank. De algemene ervaring is dat bij rechtbanken in de Randstad meer klachten worden ingediend dan elders in het land.

Op de website van rechtspraak staat wel dat de professionele standaarden zijn bedoeld voor intern gebruik binnen de Rechtspraak en dat ze geen rechtsregels, maar uitgangspunten bevatten. De zinsnede ‘Voor derden zal het effect van professionele standaarden zich met name uiten in verbeteringen op het gebied van deskundigheid, snelheid, bejegening van rechtzoekenden en de aandacht en tijd die aan een zaak worden besteed’ maakt naar mijn oordeel echter onvoldoende duidelijk dat derden zich er niet op kunnen beroepen. Zie hier (laatst geraadpleegd op 29 november 2017). 

Zie HR 7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:510. Zie verder over deze zaak Mackor, a.w. (2017).

Bakker, a.w.

Noordegraaf et al., a.w.

Het gaat daarbij o.a. om regels uit de professionele standaarden civiele (kanton)rechter die betrekking hebben op de zitting zoals regel 1.1 dat de rechter regie voert, regel 1.3 dat de rechter zorgt dat partijen zich gehoord voelen, regel 1.4 dat rechter ter zitting adequaat wordt ondersteund door een griffier en regel 1.5 dat het ter zitting verhandelde wordt vastgelegd.

Anderzijds schrijft Bakker (a.w.) recent nog: “Er blijken grote verschillen te bestaan tussen de gerechten. (...) zelfs bij min of meer gelijke uitgangspositie zijn er soms flinke verschillen in opvatting over de invoering. Dat komt weer, omdat de standaarden voor meerdere uitleg vatbaar zijn.”

Top