09 2017

Uit de redactie Editie 2017-09

Artikel 30p Rv

Per 1 september 2017 is art. 30p van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in werking getreden.  Op 4 mei 2017 is in het Staatsblad het KB van 24 april 2017 gepubliceerd waarin bekend is gemaakt per welke datum onderdelen van de KEI-wetgeving in werking treden. Het Besluit van 24 april 2017 heeft betrekking op de vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van diverse onderdelen van de Wet van 13 juli 2016 tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Algemene wet bestuursrecht in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht (Stb. 2016, 288), de Wet van 13 juli 2016 tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht in hoger beroep en cassatie (Stb. 2016, 289), de Invoeringswet vereenvoudiging en digitalisering procesrecht, het Besluit digitalisering burgerlijk procesrecht en bestuursprocesrecht en het Aanpassingsbesluit vereenvoudiging en digitalisering procesrecht.

Voor de civiele procespraktijk geldt dat per 1 september 2017 het verplicht digitaal procederen in handelszaken met verplichte procesvertegenwoordiging bij de rechtbank Gelderland en Midden-Nederland is ingevoerd. Met het KB is ook besloten dat een aantal wijzgingen in de Rv die geen verband houden met de digitale procedure ook per 1 september 2017 in werking treden voor alle rechtbanken en hoven.

Art. 30p Rv luidt:

1. De rechter kan, indien alle partijen op de mondelinge behandeling zijn verschenen, tijdens of na de mondelinge behandeling ter zitting mondeling uitspraak doen.
2. In afwijking van de artikelen 230 en 287 bestaat de mondelinge uitspraak uit de beslissing en de gronden van de beslissing.
3. Van de mondelinge uitspraak wordt door de rechter een proces-verbaal opgemaakt.
4. Het proces-verbaal wordt door de rechter ondertekend. Bij verhindering van de rechter wordt dit in het proces-verbaal vermeld.
5. De rechter stelt binnen twee weken na de mondelinge uitspraak een afschrift van het proces-verbaal ter beschikking van partijen. Het afschrift dat wordt verstrekt aan een partij die tot tenuitvoerlegging van de uitspraak kan overgaan, is in execu­toriale vorm opgemaakt.

De mogelijkheid om mondeling een tussenvonnis te wijzen indien alle partijen ter zitting zijn verschenen, bestond binnen het burgerlijk procesrecht al op grond van art. 232 Rv. Die mogelijkheid wordt aldus de memorie van toelichting nu overgenomen en uitgebreid in art. 30p Rv. Met deze uitbreiding hoeven partijen niet nog een aantal weken in onzekerheid te wachten op de uitspraak van de rechter, aldus de wetgever.

Binnen zowel de Bopz-praktijk als de praktijk van het civiel jeugdrecht heeft de invoering van art. 30p Rv voor de nodige beroering gezorgd. Alhoewel dit voor 1 september 2017 naar de letter van Rv niet mogelijk was, bestaat binnen beide rechtsgebieden sinds jaar en dag het gebruik dat de rechter zo veel als mogelijk direct op de zitting uitspraak doet. Voor het civiel jeugdrecht is deze praktijk zelfs geformaliseerd in art. 8.1 van het toepasselijke procesreglement: bij zaken waarin een behandeling ter zitting heeft plaatsgevonden, wordt in beginsel mondeling ter zitting uitspraak gedaan. Art. 9 Wet Bopz schrijft voor dat de rechter zo spoedig mogelijk beslist.

De Bopz-rechter en de kinderrechter nemen voor partijen zeer ingrijpende beslissingen in zaken waarin partijen bij uitstek niet lang in onzekerheid op de uitspraak moeten wachten.

Het nieuwe art. 30p Rv lijkt een formele vastlegging van de bestendige praktijk binnen de Bopz en het civiel jeugdrecht. Echter, de schijn bedriegt. Door in art. 30p lid 1 Rv te bepalen dat de rechter ter zitting mondeling uitspraak kan doen “indien alle partijen op de mondelinge behandeling zijn verschenen”, trekt art. 30p Rv juist een dikke streep door de mogelijkheid van de Bopz-rechter en de kinderrechter om ter zitting mondeling uitspraak te doen.

Een verzoek in het kader van de Wet Bopz wordt ingediend door de officier van justitie. In de praktijk is de officier van justitie als verzoekende partij echter vrijwel nooit aanwezig op de zitting die doorgaans op locatie in een instelling wordt gehouden. Het komt ook regelmatig voor dat de betrokkene zelf niet ter zitting verschijnt. Binnen het civiel jeugdrecht is het ook eerder regel dan uitzondering dat niet alle bij de mondelinge uitspraak betrokken partijen ter zitting aanwezig zijn. In al deze gevallen maakt art. 30p lid 1 Rv het voor de rechter onmogelijk om op zitting uitspraak te doen.

De rechtbanken zijn inmiddels verdeeld over de vraag hoe in de praktijk van de Bopz en het civiel jeugdrecht om te gaan met art. 30p Rv. Om tegemoet te komen aan het ook door de wetgever onderkende belang van partijen om snel zekerheid te hebben over de uitspraak wordt per 1 september jl. door een aantal rechtbanken voorlopig gewerkt met ‘noodbeschikkingen’ en ‘kop-staartbeschikkingen’, die kort na de zitting worden afgegeven. Dit betreffen verkorte – executeerbare – beschikkingen waarin de beslissing is opgenomen. Enige tijd na het afgeven van die beschikking volgt een volledig uitgewerkte beschikking. Twee eindproducten van de rechter op één verzoek, dat is niet bepaald een processuele vooruitgang. Een erg omslachtige en rommelige gang van zaken nota bene die voor veel extra werklast zorgt bij de rechtbanken en dan met name bij de door de KEI-reorganisatie toch al zwaar gehavende griffies. Onduidelijkheid ook voor partijen, bijvoorbeeld over de vraag tot wanneer hoger beroep kan worden ingesteld. Andere rechtbanken neigen ernaar om art. 30p Rv te negeren. De rechtseenheid is vooralsnog zoek.

Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat er weinig aandacht is besteed aan art. 30p Rv. Voor de hiervoor beschreven gevolgen van art. 30p Rv is voor zover mij bekend in het geheel geen aandacht geweest. Ik vermoed dat dit voortkomt uit pure onwetendheid bij de wetgever. De Rechtspraak moet zich daarbij echter ook achter de oren krabben over de rol die zij heeft gespeeld in de consultatiefase van het wetgevings­traject.

In Den Haag is inmiddels het woord ‘veegwet’ gevallen. Het traject tot bekendmaking van deze wet zal nog zo’n anderhalf jaar duren.   Ik kan hen die zich gaan bezighouden met de veegwet van harte aanbevelen om kennis te nemen van M. Ahsmann, ‘Motieven om te motiveren’, AA 2015, p. 939-945.

Wellicht dat er in de tussentijd middels hoger beroep en cassatie en door het stellen van prejudiciële vragen meer duidelijkheid kan komen over de vraag of art. 30p Rv in de huidige vorm ook bedoeld is voor de tot 1 september 2017 geldende staande praktijk van het ter zitting doen van mondelinge uitspraak in Bopz- en civiele jeugdrechtzaken. In dit kader wijs ik op een Bopz-uitspraak van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar van 15 september 2017, ECLI:NL:RBNHO:2017:8383, waarin de rechtbank op een heldere wijze heeft gemotiveerd waarom in die zaak ter zitting mondeling uitspraak is gedaan, alhoewel niet alle partijen ter zitting aanwezig waren. Het is even afwachten of er cassatie volgt.

Art. 30p lid 1 Rv is in mijn visie voor de praktijk van de Bopz en het civiel jeugdrecht geen verbetering. De gevolgen van het artikel voor die rechtsgebieden lijken niet goed doordacht. Met de huidige formulering staat art. 30p Rv de rechter die moet beslissen in Bopz- en civiele jeugdrechtzaken vooral in de weg. Partijen en de Rechtspraak zijn daarbij niet gebaat.

Top